Het standpunt van LHV in hoger beroep
LHV stelt in haar eerste hogerberoepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verzegeling van het gehele secretariaat niet in strijd is met artikel 5:13 Awb. ACM had de nog te bestuderen materialen ook op een andere wijze kunnen veiligstellen. De opsporingsambtenaren hadden op de eerste dag langer kunnen doorwerken om het losliggende materiaal te bestuderen, dan wel hadden zij dit losliggende materiaal in de kasten en/of een voor opslag geschikte ruimte kunnen opbergen, of zij hadden de toestand in het secretariaat vast kunnen leggen op foto’s. Dit zou een geringe inspanning van de opsporingsambtenaren hebben vereist.
In haar tweede hogerberoepsgrond voert LHV aan dat de rechtbank de zegelverbreking, in strijd met artikel 5:1, tweede lid, Awb in samenhang met artikel 70b, eerste lid, Mw en artikel 7 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), ten onrechte heeft toegerekend aan LHV. LHV stelt zich op het standpunt dat artikel 70b Mw geen grondslag biedt om het niet-voorkomen van een zegelverbreking te kwalificeren als een overtreding van dat artikel. Dit baseert zij op het feit dat bij de overbrenging van de handhaving van het verbod van zegelverbreking van het strafrecht naar het bestuursrecht het culpoze element van artikel 199 Wetboek van Strafrecht (Sr) niet is overgenomen in artikel 70b Mw. Gelet op de bewoordingen van artikel 70b Mw (“degene die een verzegeling verbreekt”) bestaat een overtreding van dit artikel enkel uit het actieve verbreken van de verzegeling en niet uit het nalaten om een dergelijke zegelverbreking te voorkomen. Ook artikel 5:1, tweede lid, Awb definieert de term overtreder als “degene die de overtreding pleegt of medepleegt.” In deze context is het aanmerken van LHV als overtreder via toerekening tevens in strijd met het legaliteitsbeginsel van artikel 7, eerste lid, EVRM.
Indien het niet-voorkomen van een zegelverbreking toch als een overtreding van artikel 70b Mw zou kunnen worden gekwalificeerd, is er volgens LHV in dit geval geen grond voor toerekening. LHV kan niet als functioneel dader worden aangemerkt op grond van de criteria geformuleerd in het Drijfmest-arrest. Zelfs indien aan deze criteria zou zijn voldaan, is - conform het arrest - slechts in beginsel sprake van toerekening. Gezien de maatregelen die LHV heeft getroffen heeft zij de zorg betracht die in redelijkheid van haar verwacht kon worden om verbreking te voorkomen.
In haar derde hogerberoepsgrond voert LHV aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij onvoldoende maatregelen heeft getroffen om de zegelverbreking te voorkomen. Indien de overtreding zou kunnen worden toegerekend aan LHV, kan haar deze overtreding niet worden verweten vanwege de indirecte relatie tussen LHV en het beveiligingsbedrijf en vanwege de voorzorgsmaatregelen die zij heeft getroffen.
In de vierde en laatste hogerberoepsgrond voert LHV aan dat de rechtbank de ernstfactor ten onrechte niet lager dan 1 heeft vastgesteld. Gezien de volledige toetsing van de boete door de rechter, had de rechtbank moeten nagaan of een ernstfactor van lager dan 1 had moeten worden gehanteerd. Uit de toelichting bij de Boetebeleidsregels 2009 blijkt duidelijk dat een ernstfactor van minder dan 1 tot de mogelijkheden behoort, op basis van de omstandigheden van het geval. Wegens de voorzorgsmaatregelen die LHV heeft getroffen en de overige omstandigheden waaronder de verzegeling is verbroken, had een lagere factor moeten worden gehanteerd.