2.5
De toezichthoudende dierenartsen [naam 4] en [naam 5] ( [naam 5] ) hebben eveneens op 11 april 2016 de administratieve gegevens, zoals paspoorten en de identificatie- en registratiegegevens van de aanwezige honden gecontroleerd op 4 verschillende locaties: [adres 5] te [plaats 2] , [adres 2] te [plaats 1] , [adres 3] en [adres 4] te [plaats 2] . Zij hebben een veterinaire verklaring opgesteld die betrekking heeft op alle onderzochte locaties en daarin kort gezegd verklaard dat de administratie betreffende identificatie en registratie van dieren niet op orde was en ernstige gebreken vertoont, de dierenpaspoorten van de honden onvolledig zijn ingevuld en veelvuldige mankementen vertonen, de leeftijd van diverse pups zoals aangegeven in de dierenpaspoorten en gezondheidscertificaten afwijkt van de door de dierenartsen vastgestelde leeftijd en dat een deel van de honden ouder dan 7 weken geen identificatie had (microchip) waardoor geen vaccinatieverklaring of dierenpaspoort aan deze honden gerelateerd kan worden. De dierenartsen concluderen het volgende:
“Gezien deze geconstateerde overtredingen achten wij het risico voor de volksgezondheid, en de diergezondheid voor de aanwezige dieren en de hondenpopulatie van Nederland en dermate groot dat wij een zo spoedig mogelijke plaatsing van al de bovengenoemde locaties onder quarantaine dringendst noodzakelijk achten.
Wij achten het ook noodzakelijk dat bij alle aanwezige honden een grondimmunisering tegen parvovirose, HCC en hondenziekte (ziekte van Carré) en een vaccinatie tegen Rabiës uitgevoerd wordt onder toezicht van de NVWA en alle niet geïdentificeerde honden middels het inbrengen van een identificatiechip (microchip) geïdentificeerd worden.”
3.2
Ten aanzien van besluit 2 voert verzoekster aan dat de maatregelen niet opgelegd mogen worden omdat geen sprake is van schending van veterinaire regelgeving. Daarnaast is door verweerster geen onderscheid gemaakt tussen de bedrijven van enerzijds verzoeker en anderzijds een andere hondenhandelaar die ook in [plaats 2] actief is en waarbij op dezelfde dag een inval en onderzoek is gedaan. Er is volgens verzoekster geen enkele vorm van samenwerking met dat andere bedrijf. Verweerder gooit de twee bedrijven en de verschillende bedrijfslocaties in besluit 2 en in de onderliggende veterinaire verklaring op een hoop. Verweerder maakt geen onderscheid in bedrijfslocaties en ook is niet gespecificeerd waar welke constateringen zijn gedaan. Reeds om die redenen is de besluitvorming ondeugdelijk. Subsidiair meent verzoekster dat de maatregelen die haar zijn opgelegd disproportioneel zijn, omdat het feitelijk neerkomt op een quarantaine. Verzoekster is onder deze omstandigheden niet in staat om haar bedrijf voort te zetten.
4. De Regeling handel luidt voor zover van belang als volgt:
2 Het brengen in Nederland van:
- vee, pluimvee, apen, hoefdieren, bijen, honden, katten, fretten en lagomorfen met gezondheidscertificaat en van producten, verzonden vanuit een lidstaat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag dan wel vanuit een derde land en via het grondgebied van een lidstaat in Nederland worden gebracht;
(…) is verboden.
1. Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, eerste gedachtenstreepje, geldt niet ter zake van het brengen in Nederland van dieren en producten die zijn verzonden vanuit een lid-staat (…) mits voldaan wordt aan, voor zover van toepassing, het tweede tot en met het vierde lid, en de artikelen 2.23 tot en met 2.31.
1. Indien wordt vermoed of geconstateerd dat er verwekkers van ziekten, zoönosen, of andere aandoeningen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 90/425/EEG, aanwezig zijn of dat de dieren of producten afkomstig zijn uit een met een epidemische dierziekte besmet gebied, worden, zonder vergoeding van Staatswege en voor rekening van de verzender, diens gemachtigde of degene die met de zorg van de dieren of de producten is belast, al naar gelang de minister daaromtrent heeft besloten en met inachtneming van diens aanwijzingen:
a. de dieren, met inachtneming van artikel 6, van richtlijn 90/425/EEG, in tijdelijke afzondering geplaatst, of
b. de dieren of producten gedood of vernietigd.
(…)
1. Indien een partij is verzonden vanuit een lid-staat en bestemd is voor Nederland of een lid-staat, gaat zij vergezeld van:
(…)
e. het gezondheidscertificaat dat op grond van artikel 10, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG is voorgeschreven, indien het honden, katten of fretten betreft.
2 Indien het honden, katten of fretten betreft, voldoet de partij aan artikel 10, tweede lid, van richtlijn 92/65/EEG.”
5.2
Ten aanzien van besluit 2 overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
5.2.1
De voorzieningenrechter stelt vast dat besluit 2 samenhangt met en voortborduurt op besluit 1. Volgens verweerder zijn de 89 inbeslaggenomen pups in contact geweest met de andere honden die verzoekster houdt waardoor een ernstig risico bestaat op besmetting met rabiës, hetgeen aanleiding vormde voor het opleggen de last tot het vaccineren en identificeren en registreren van alle aanwezige honden. Nu hiervoor is geconcludeerd dat ten aanzien van de pups geen overtreding vaststaat, is het onduidelijk of besluit 2 nog zelfstandige betekenis heeft.
5.2.2
De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat besluit 2 betrekking heeft op vier bedrijfslocaties terwijl vaststaat dat verzoeksters bedrijf uitsluitend is gevestigd op twee bedrijfslocaties, op de adressen [adres 1] te [plaats 2] en de [adres 2] te [plaats 1] . Niet in geschil is dat de andere in het besluit genoemde bedrijfslocaties geëxploiteerd worden door een andere ondernemer waar verzoekster niet mee samenwerkt. Verweerder heeft ter zitting in dit verband bovendien verklaard dat beide ondernemingen op dezelfde dag door de NVWA zijn gecontroleerd en aan beide ondernemingen maatregelen zijn opgelegd. Uit besluit 2 en uit de veterinaire verklaring van dierenartsen [naam 4] en [naam 5] kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet met zekerheid worden afgeleid welke bevindingen en overtredingen betrekking hebben op verzoekster en welke op de andere onderneming, omdat geen onderscheid wordt gemaakt naar locatie. Niet uitgesloten is dat onregelmatigheden die bij de andere onderneming zijn geconstateerd ten grondslag liggen aan de maatregelen die verzoekster zijn opgedragen. Gelet hierop bestaat geen deugdelijke feitelijke grondslag voor verweerders standpunt dat sprake is van overtredingen. Verweerder was derhalve niet bevoegd om op deze basis handhavend op te treden.
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat besluit 1 en besluit 2 worden geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
7. Verweerder wordt in de door verzoekster gemaakte proceskosten veroordeeld. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 992,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 496,- en een wegingsfactor 1).