3.2
De accountantskamer heeft ten aanzien van de onderhavige zaak overwogen dat alle klachtonderdelen betrekking hebben op (de door betrokkene verrichte werkzaamheden in verband met) het rapport. De accountantskamer heeft voorts overwogen dat vast staat dat het rapport op 5 juni 2013 aan appellante ter beschikking is gesteld en dat appellante daarmee ruimschoots voor het moment van indienen van de eerste klacht, op 23 juni 2015, op de hoogte was van het rapport en toen ook bekend was met het door haar gestelde verwijtbare gedrag van betrokkene zoals zij dat heeft verwoord in de klachtonderdelen. Het had naar het oordeel van de accountantskamer dan ook op de weg van appellante gelegen om deze nieuwe klachtonderdelen in de eerdere klachtprocedure in te brengen. Het enkele feit dat appellante –zoals zij stelt – bij het formuleren van de tweede klacht haar toevlucht moest nemen tot een primair beroep op NV COS 3000 en een subsidiair beroep op NV COS 4400 en aldus haar klacht niet optimaal kon formuleren, rechtvaardigt naar het oordeel van de accountantskamer niet een uitzondering op het beginsel van concentratie van klachten. Evenmin valt naar het oordeel van de accountantskamer in te zien dat in dit geval de proceseconomie zo zeer gediend zou zijn met het getrapt, door elkaar opvolgende klachtprocedures, indienen van de klacht dat daarvoor het beginsel van concentratie van klachten zou moeten wijken. De accountantskamer heeft geoordeeld dat uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een schending van het beginsel van concentratie van klachten, hetgeen met zich brengt dat de klacht als strijdig met een behoorlijke tuchtprocedure niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Appellante stelt in hoger beroep primair dat de accountantskamer het beginsel van concentratie van klachten onjuist uitlegt, omdat het beginsel zijn grondslag vindt in het algemeen van toepassing zijnde rechtsbeginsel “ ne bis in idem”. Volgens appellante heeft de accountantskamer bij de beoordeling van haar klacht een verkeerde maatstaf gehanteerd. Appellante stelt zich op het standpunt dat het er niet om gaat dat het in beide klachtprocedures hetzelfde feitencomplex betreft, maar dat het er slechts om kan gaan of beide klachten betrekking hebben op dezelfde gedragingen van de accountant. Dat laatste is echter niet aan de orde, nu de klachten van appellante zien op verschillende gedragingen.
Subsidiair heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de feiten en omstandigheden in deze zaak een uitzondering op het beginsel van concentratie van klachten rechtvaardigen.
5. Het College overweegt dat uit artikel 22 van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) volgt dat een ieder een tuchtklacht kan indienen. Afgezien van de verjaringstermijnen van drie en zes jaar – die in het eerste lid van artikel 22 zijn opgenomen – heeft de wetgever in de wet geen nadere beperkingen gesteld aan de uitoefening van het klachtrecht. Onder omstandigheden kan er echter aanleiding zijn om hieraan niettemin beperkingen te stellen, bijvoorbeeld omdat een inhoudelijke behandeling in strijd zou komen met enig algemeen rechtsbeginsel, waaronder de beginselen van een behoorlijke (tucht)procesorde, het hieruit voortvloeiende beginsel van ‘ne bis in idem’(zie onder meer de uitspraken van het College van 18 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:339, en 20 februari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:79), of indien sprake is van misbruik van klachtrecht (zie onder meer de uitspraken van het College van 16 november 2017, ECLI:NL:CBB:2017:359, en 25 februari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:36).
6. Anders dan de accountantskamer ziet het College niet in dat de beginselen van een behoorlijke (tucht)procesorde met zich zouden brengen dat een klager gehouden is zijn klachten steeds zoveel mogelijk in één keer naar voren te brengen. Weliswaar zal het doorgaans wenselijk zijn dat een klager zijn klachten tegen een accountant zoveel mogelijk bundelt, maar een verplichting daartoe kan niet worden gevonden in de Wtra en vloeit evenmin voort uit de beginselen van een behoorlijke (tucht)procesorde of enig ander in dit verband in aanmerking te nemen algemeen rechtsbeginsel (zie ook de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 8 maart 2018, ECLI:NL:TGZCTG:2018:69). Voor zover op grond van eerdere uitspraken wel is verondersteld dat het College het bestaan van zodanige verplichting heeft aangenomen, neemt het College afstand van die veronderstelling.
7.
Het vorenstaande laat onverlet dat zich in een concreet geval specifieke omstandigheden kunnen voordoen, waarin er belemmeringen bestaan voor het indienen van een opvolgende klacht, omdat eerderbedoelde algemene rechtsbeginselen zich daartegen verzetten. Ten aanzien van de klacht van appellante bestonden dergelijke belemmeringen naar het oordeel van het College niet. Met de onderhavige klacht heeft appellante geen klacht ingediend waarop door de tuchtrechter al eerder definitief is beslist, zodat geen sprake is van ‘bis in idem’. De klacht die appellante op 23 juni 2015 bij de accountantskamer had ingediend zag op de weigering van betrokkene in 2014 (een afschrift van) de opdrachtbevestiging aan haar te verstrekken, terwijl de onderhavige klacht – kort gezegd – ziet op de inhoud en de totstandkoming van het rapport. Hoewel de twee klachten in zekere zin met elkaar in verband staan, is geen sprake van een zodanige onderlinge verwevenheid dat de tweede klacht niet inhoudelijk zou mogen worden beoordeeld. Voorts is niet gesteld dat met het indienen van de tweede klacht sprake is geweest van misbruik van klachtrecht of dat de inhoudelijke behandeling anderszins in strijd komt met de beginselen van een behoorlijke (tucht)procesorde. Dat betekent dat de accountantskamer de klacht ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
8. Het voorgaande heeft tot gevolg dat het hoger beroep slaagt. Het College zal de bestreden uitspraak vernietigen. Het College ziet in de omstandigheid dat de klacht nog niet eerder inhoudelijk is behandeld, en mede gelet op de ter zitting door betrokkene uitgesproken voorkeur voor de mogelijkheid van een inhoudelijke behandeling in twee instanties, aanleiding de zaak te verwijzen naar de accountantskamer.
9. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.