Overwegingen
1.1
De graanhandel voert een groothandel in granen, zaden en peulvruchten en importeert biologische producten van buiten de Europese Unie. De graanhandel heeft haar onderneming onderworpen aan het controlesysteem als bedoeld in artikel 27 van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten (Verordening 834/2007). De graanhandel staat sinds 16 april 1992 bij Skal geregistreerd. Skal heeft, als bewijs dat de graanhandel aan haar controles is onderworpen en de bij deze verordening vastgestelde voorschriften naleeft, het biocertificaat afgegeven. Het biocertificaat wordt door Skal jaarlijks opnieuw afgegeven. Het laatste biocertificaat voor de graanhandel is afgegeven op 6 mei 2019 en geldt tot 31 december 2020.
1.2
In de periode 4 oktober 2019 tot en met 16 maart 2020 heeft de graanhandel zendingen biologische zonnebloempitten en maïs, afkomstig uit Rusland, in Nederland geïmporteerd. Bij besluit van 24 maart 2020 heeft Skal verscheidene partijen gedecertificeerd die de graanhandel heeft ingevoerd. Partijen die zijn verscheept met het [naam 3] en het [naam 4] heeft Skal gedecertificeerd omdat in deze partijen bij monstername niet-toegestane stoffen zijn aangetroffen. Partijen zonnebloempitten die zijn verscheept met het [naam 5] , het [naam 6] en het [naam 7] heeft Skal gedecertificeerd, omdat de graanhandel de zendingen niet bij invoer actief bij Skal heeft gemeld en Skal hierdoor de biologische status van de zendingen niet meer door eigen bemonstering en analyse kon vaststellen. Daarnaast heeft Skal het biocertificaat van de graanhandel per direct ingetrokken, omdat de graanhandel in ernstige mate in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen en er diverse kritieke afwijkingen zijn vastgesteld. Tevens heeft Skal bepaald dat de intrekking op de website wordt gepubliceerd.
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van de uitspraak.
3 De graanhandel heeft twee algemene beroepsgronden aangevoerd en verder afzonderlijke beroepsgronden tegen de deelbesluiten (decertificeringen en intrekking biocertificaat). Het College zal eerst de algemene beroepsgronden bespreken en vervolgens die tegen de deelbesluiten.
4.1
De graanhandel heeft aangevoerd dat Skal haar ten onrechte niet heeft gehoord voorafgaand aan het nemen van het besluit van 24 maart 2020.
4.2
Skal stelt dat zij daartoe niet was gehouden, omdat artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overwegend ziet op een juiste vaststelling van de feiten, en de graanhandel voldoende in de gelegenheid is geweest om zich over de feiten uit te laten. Verder heeft Skal erop gewezen dat een hoorzitting op 23 maart 2020 geen doorgang kon vinden, omdat de advocaat van de graanhandel niet beschikbaar was. Skal heeft op 17 maart 2020 drie nieuwe data in maart voorgesteld. Toen de graanhandel liet weten bij voorkeur in april een gesprek te willen, heeft Skal bericht de besluitvorming niet tot april te willen uitstellen en vast te houden aan de drie op 17 maart 2020 voorgestelde data. Uit de reactie hierop van de advocaat “Dan hoort u ons wel naar aanleiding van dat besluit dat u zo graag wilt nemen”, leidt Skal af dat de graanhandel afzag van de gelegenheid om te worden gehoord.
4.3
De graanhandel heeft naar het oordeel van het College gelijk dat dat uit artikel 4:8, eerste lid, in combinatie met artikel 4:9 van de Awb volgt dat Skal haar voorafgaand aan het besluit van 24 maart 2020 in de gelegenheid had moeten stellen haar zienswijze naar voren te brengen. Skal heeft niet bestreden dat het besluit berustte op gegevens over feiten en belangen die de graanhandel betreffen en die niet door graanhandel zelf ter zake waren verstrekt en met de reactie van haar advocaat heeft de graanhandel niet afgezien van de gelegenheid om haar zienswijze mondeling naar voren te brengen. In bezwaar heeft evenwel een hoorzitting plaats gevonden waarmee dat gebrek is hersteld. De schending van de artikelen 4:8 en 4:9 van de Awb bij het nemen van het besluit van 24 maart 2020 heeft dus geen gevolgen voor het bestreden besluit. De beroepsgrond leidt niet tot het daarmee beoogde doel.
5 Met de tweede algemene beroepsgrond voert de graanhandel aan dat Skal met de decertificeringsbesluiten een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 91 van Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 (Uitvoeringsverordening 889/2008). Zoals het College eerder heeft geoordeeld, vormt niet artikel 91 van Uitvoeringsverordening 889/2008, maar artikel 30, eerste lid en eerste alinea, van Verordening 834/2007 de grondslag voor de bevoegdheid van Skal om een partij landbouwproducten te decertificeren (zie de uitspraak van 13 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:388). De beroepsgrond slaagt daarom niet.
De decertificering van de lading van het [naam 3]
6.1
Bij besluit van 24 maart 2020 heeft Skal de partij mais uit Rusland aangevoerd met het [naam 3] gedecertificeerd op grond van artikel 30, eerste lid en eerste alinea, van Verordening 834/2007. Skal heeft daaraan drie omstandigheden ten grondslag gelegd. Ten eerste dat voor deze partij twee COI’s (certificate of import) zijn afgegeven, terwijl op grond van Verordening (EG) nr. 1235/2008 van de Commissie van 8 december 2008 houdende bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van het controlecertificaat slechts één origineel exemplaar mag worden opgemaakt. Ten tweede dat in het op 25 augustus 2019 genomen monster van de maïs de niet toegestane stof pirimiphos-methyl is aangetroffen, wat voor A-Cert (certificerende organisatie) aanleiding was om het eerste COI in te trekken. Het afgeven van een nieuw COI is onvoldoende onderbouwd, omdat A-Cert geen volledig onderzoek heeft uitgevoerd en de graanhandel daarnaast geen volledig inzicht in de partij heeft gegeven door niet alle analyseresultaten te delen en geen openheid van zaken te geven over wanneer de partij is gezeefd en waarom. Skal heeft ten derde op basis van de van A-Cert ontvangen documentatie geoordeeld dat de partij in het land van herkomst niet (voldoende) traceerbaar is en dat ook in Nederland een compleet beeld van lossen tot opslag ontbreekt, waardoor Skal niet kan uitsluiten dat er geen andere activiteiten hebben plaatsgevonden.
6.2
De graanhandel betwist dat de [naam 3] partij pirimiphos-methyl bevat en wijst daarvoor op de in opdracht van A-Cert en Skal uitgevoerde analyses die alle geen pirimiphos-methyl aantoonden. Doorslaggevend is dat na een bezwaarprocedure een (al dan niet tweede) originele COI is afgegeven. Bovendien moet zij op grond van het communautaire controlesysteem kunnen vertrouwen op de juistheid van het COI. De twee controlecertificaten hebben niet op hetzelfde moment bestaan. De wet- en regelgeving sluit niet uit dat een controlecertificaat wordt ingetrokken en later een nieuw (en origineel) controlecertificaat wordt verstrekt. De graanhandel betwist dat zij iets gedaan zou hebben om een residu te laten verdwijnen en verzoekt zo nodig hierover getuigen te horen. De graanhandel verwijst voorts op het rapport van haar deskundige B.H. Dijkink (Dijkink). Pirimiphos-methyl wordt met name gebruikt voor naoogst toepassingen. Dijkink concludeert in zijn rapport dat het zeven van een product waarop de stof is toegepast als insecticide, zodanig dat dit in het product niet meer te traceren zou zijn, niet mogelijk is. Dijkink concludeert ook dat, gelet op de meting van 0,01 mg/kg (dat overeenkomst met de in de EU vastgestelde limit of detection) kan worden aangenomen dat de stof niet is toegepast op een partij waar bij één bepaling een contaminatie is aangetoond van de hier gemeten hoeveelheid. De graanhandel wijst erop dat bij de meting op 0,01 mg/kg een onzekerheidsfactor geldt van 50%, waardoor de kans bestaat dat sprake is van een vals-positieve (foutieve) meting. De graanhandel betwist dat zij de monstername door Qualitas Inspection heeft afgehouden en wijst erop dat de partij nog niet was ingeklaard en zij niet beschikte over een controlecertificaat voor de invoer van deze partij.
6.3
Skal brengt daartegenin dat zelfs indien de stellingen van de graanhandel over het ‘er niet uit kunnen zeven’ gevolgd zouden kunnen worden, dit gezien de overige vaststellingen de decertificering van de [naam 3] partij niet onjuist maakt. Skal wijst erop dat Dijkink onbesproken laat dat de [naam 3] zending niet uit één lot, maar uit drie lots bestond, afkomstig van verschillende locaties en dat deze lots met verschillende schepen van Rusland naar Turkije zijn vervoerd. De mogelijkheid van mengen van bewerkte en niet bewerkte lots wordt in het rapport niet onderzocht. Skal wijst op de lange periodes tussen oogst, verzending en monstername en betwist de juistheid van de door Dijkink gebruikte gegevens.
6.4.1
Het College is van oordeel dat Skal terecht heeft besloten tot decertificering van de [naam 3] partij op grond van artikel 30, eerste lid en eerste alinea, van Verordening 834/2007.
6.4.2
Vast staat dat bij een analyse op 25 augustus 2019 van deze partij voor vertrek uit Turkije pirimiphos-methyl is aangetoond in een hoeveelheid van 0,01 mg/kg. Pirimiphos-methyl komt niet voor op de lijst met gewasbeschermingsmiddelen die is toegestaan op grond van bijlage II bij de Uitvoeringsverordening 889/2008.
6.4.3
Die vaststelling van het insecticide in de partij rechtvaardigt de conclusie dat sprake is van een onregelmatigheid met betrekking tot de naleving van de voorschriften van Verordening 834/2007, te weten artikel 33, eerste lid aanhef en onder a, van die verordening.
6.4.4
De activiteiten van marktdeelnemers zijn in elke fase van de productie, opslag en transport van biologische producten, onderworpen aan een controlesysteem dat waarborgt dat de biologische producten worden geproduceerd volgens de voorschriften voor de biologische productie en niet worden vermengd of verontreinigd door producten en/of stoffen die niet aan de voorschriften voor de biologische productie voldoen. Wanneer in een partij pirimiphos-methyl wordt vastgesteld, dan is dat een aanwijzing dat Verordening 834/2007 en de Uitvoeringsverordening 889/2008 niet zijn nageleefd.
6.4.5
Deze aanwijzing is niet ontkracht door het onderzoek dat nadien heeft plaatsgevonden. A-Cert heeft aan Skal meegedeeld dat zij geen onderzoek meer heeft verricht naar de mogelijke oorzaak van de herkomst van de stof, gelet op de resultaten van de tweede analyse van de partij in oktober 2019. De halfwaardetijd van pirimiphos-methyl is ongeveer acht weken en de stof verdwijnt dus langzamerhand. De analyses van de in Nederland genomen monsters leveren daarom geen bewijs dat de analyse van het in Turkije genomen monster vals-positief is, omdat door tijdsverloop het gehalte residu zodanig kan zijn afgenomen dat de aanwezigheid niet meer volgens de gebruikelijke analysemethoden valt aan te tonen. Ook het rapport van Dijkink is geen bewijs dat alle productie- en transportvoorschriften met betrekking tot deze partij zijn nageleefd. Skal heeft er bovendien terecht op gewezen dat de [naam 3] -partij een uit drie verschillende lots samengestelde partij betrof. Met deze omstandigheid heeft Dijkink geen rekening gehouden.
6.4.6
De door A-Cert aan Skal toegezonden informatie over de partij toont evenmin aan dat alle productie-, transport- en opslagvoorschriften zijn nageleefd. Skal heeft gesteld dat de traceerbaarheid vanaf de velden naar de opslag niet inzichtelijk is en dat in de documenten die Skal van A-Cert heeft ontvangen, opslaglocaties niet duidelijk zijn gemaakt. Skal heeft dit aan de hand van de ontvangen informatie en documenten, voor een deel slecht leesbaar en in de Russische taal gesteld, niet kunnen vaststellen. Dit is door de graanhandel niet weersproken.
6.4.7
De graanhandel heeft, in verband met de vraag of de partij wel of niet is gezeefd, verzocht een gerechtelijke plaatsopneming te houden en de twee personen die in opdracht van Skal de [naam 3] partij hebben bemonsterd als getuigen horen. De vorige overwegingen maken duidelijk dat voor de oordeelsvorming over de decertificering van de [naam 3] partij het al dan niet zeven van deze partij niet van belang is. Het College ziet al daarom geen reden de getuigen te horen of een plaatsopneming te houden.
6.4.8
Dit alles leidt tot de conclusie dat de aanwezigheid van pirimiphos-methyl van 0,01 mg/kg in de partij een onregelmatigheid is als bedoeld in artikel 30, eerste lid en eerste alinea, van Verordening 834/2007.
6.4.9
Naar oordeel van het College staat de decertificering van de partij in evenredige verhouding staat tot het belang van het voorschrift waarop inbreuk is gemaakt en tot de aard en de specifieke omstandigheden van de onregelmatige activiteiten als bedoeld in artikel 30, eerste lid en eerste alinea, van Verordening 834/2007. Uit overweging 3 van Verordening 834/2007 volgt dat het communautaire wettelijke kader voor de biologische productie gericht is op het verzekeren van eerlijke concurrentie en een goede werking van de interne markt voor biologische producten, en het behoud en rechtvaardiging van het vertrouwen van de consument in de als biologisch aangeduide producten. Een essentieel kenmerk van de biologische productiewijze is dat pesticides niet in de productie mogen worden toegepast. Tegenover financiële belangen van de graanhandel staat het algemeen maatschappelijk belang om te waarborgen dat producten die met het predicaat ‘biologisch’ op de markt komen, ook daadwerkelijk aan de daarvoor geldende voorschriften voldoen. Het enkele gegeven dat het besluit tot decertificering financiële consequenties voor de graanhandel met zich brengt, maakt het besluit nog niet onevenredig.
6.4.10
De beroepsgrond slaagt niet.
De lading van het [naam 4]
7.1
Bij besluit van 24 maart 2020 heeft Skal de twee partijen zonnebloempitten die uit Rusland waren aangevoerd met [naam 4] op grond van artikel 30, eerste lid en eerste alinea, van Verordening 889/2008 gedecertificeerd. De reden daarvoor is de aanwezigheid van diquaat, een in de biologische productie niet-toegestaan gewasbeschermingsmiddel (herbicide). De graanhandel heeft een melding gedaan als bedoeld in artikel 91, eerste lid, van Uitvoeringsverordening 889/2008. A-Cert heeft nadere vragen, waaronder vragen over de traceerbaarheid van de partijen, niet beantwoord. De van de graanhandel en uit andere bronnen ontvangen informatie heeft de twijfel bij Skal over de biologische status van de partij niet weggenomen.
7.2
Het College stelt vast dat de lading van de [naam 4] bestond uit twee zendingen. De decertificering van de zonnebloempitten met COI.TR.2019.0005974 (lot 878, HO-pitten) is tussen partijen niet in geschil. De graanhandel komt uitsluitend op tegen de decertificering van de partij zonnebloempitten met COI.TR.2019.0005973 (lot 877, LO-pitten).
7.3
Het College ziet in wat de graanhandel in algemene zin heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat Skal ten onrechte heeft besloten tot decertificering van de [naam 4] partij. Vast staat dat in de drie monsters die in opdracht van Skal van lot nr. 877 zijn genomen, diquaat is vastgesteld van 0,1 mg/kg tot 0,25 mg/kg. Naar het oordeel van het College heeft Skal de e-mail van de graanhandel van 28 januari 2020, gelet op de aard en strekking daarvan, ook terecht aangemerkt als het bij twijfel informeren van de controlerende autoriteit, als bedoeld in artikel 91, eerste lid, van Uitvoeringsverordening 889/2008.
7.4
Dat in een door A-Cert genomen contra-monster geen diquaat is aangetroffen, neemt die twijfel niet weg, nu het A-Cert monster niet is geanalyseerd op diquaat. Daarnaast heeft A-Cert vragen over de traceerbaarheid en teeltopbrengst niet beantwoord. De graanhandel zelf heeft ook geen informatie aan Skal verstrekt die de twijfel dat het product niet in overeenstemming is met de voorschriften voor de biologische productie, heeft wegnomen.
7.5
Naar het oordeel van het College heeft Skal op grond van het voorgaande terecht geconcludeerd dat sprake is van een onregelmatigheid en heeft zij mogen besluiten tot decertificering van de partij op grond van artikel 30, eerste lid en eerste alinea van Verordening 834/2007. Voor het oordeel dat decertificering van de [naam 4] partij geen evenredige maatregel is, ziet het College geen aanleiding om dezelfde redenen die onder 6.3.9 zijn opgenomen over de decertificering van de [naam 3] partij.
7.6
De beroepsgrond slaagt niet.
De ladingen van [naam 5] , [naam 6] en [naam 7]
8.1
Skal heeft twee partijen vervoerd met [naam 5] , twee met [naam 6] en één met [naam 7] op grond van artikel 30, eerste lid en eerste alinea, van Verordening 834/2007 gedecertificeerd, omdat de graanhandel de zendingen niet tijdig en actief bij Skal heeft gemeld. Voor zendingen uit onder meer Rusland gelden de ‘Guidelines on additional official controls on products originating from Ukraine, Kazakhstan and Russian Federation’ (richtsnoeren). Deze richtsnoeren van de Europese Commissie richten zich tot de controlerende autoriteiten en bevatten verscherpte controle- en rapportagemaatregelen. Door het niet actief melden van de zendingen heeft de graanhandel haar verplichtingen op grond van de richtsnoeren en/of artikel 84 van de Uitvoeringsverordening 889/2008 geschonden en het Skal onmogelijk gemaakt om de zendingen tijdig fysiek te (laten) controleren.
8.2
De graanhandel betoogt dat zij met de melding in het elektronische Traces-systeem aan haar verplichting uit artikel 84 van Uitvoeringsverordening 889/2008 heeft voldaan. Uit de richtsnoeren volgen voor haar geen aanvullende verplichtingen. De directe melding berust op eigen nader beleid van Skal naar aanleiding van de richtsnoeren.
8.3
Volgens Skal heeft de graanhandel haar de mogelijkheid ontnomen om in overeenstemming met de richtsnoeren de 'Complete documentation check' te doen en om bij aankomst van de partijen in Nederland ('point of entry') monsters te nemen van de partijen om deze te laten analyseren. Daardoor heeft Skal niet kunnen vaststellen dat de zonnebloempitten zijn geproduceerd overeenkomstig productievoorschriften die gelijkwaardig zijn met die bedoeld in de titels III en IV van Verordening 834/2007. Dat kan ook niet meer later vastgesteld worden, omdat latere bemonstering en analyse vanwege halfwaardetijden en mogelijke bewerkingen, zoals opschoning en/of vermenging van de partijen niets (meer) zegt over de momenten van import.
8.4
Naar het oordeel van het College voert de graanhandel terecht aan dat zij heeft voldaan aan haar meldingsverplichting uit Verordening 889/2008. De meldingsplicht bij import is opgenomen in artikel 84, zoals gewijzigd met de Uitvoeringsverordening 2016/1842. Volgens de derde alinea van die bepaling wordt de informatie over geïmporteerde zendingen verstrekt door middel van het elektronische Traces-systeem. Vast staat dat de graanhandel de vijf partijen in het Traces-systeem heeft gemeld. Daarmee heeft de graanhandel voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 84 van Uitvoeringsverordening 889/2008. Het niet afzonderlijk melden bij Skal, levert anders dan Skal betoogt, geen onregelmatigheid op in de zin van artikel 30, eerste lid en eerste alinea, van Verordening 834/2007. De richtsnoeren richten zich tot de controlerende autoriteiten, vermelden uitdrukkelijk dat zij niet de bedoeling hebben “to produce legally binding effects” en verwijzen wat betreft de verplichtingen van de importeur naar artikel 84 van Uitvoeringsverordening 889/2008. De richtsnoeren zelf bevatten geen aanwijzingen dat op de graanhandel een verderstrekkende informatieverplichting rustte dan op grond van artikel 84 van Uitvoeringsverordening 889/2008. Dat Skal de capaciteit mist om voor alle meldingen in het Traces-systeem vast te stellen of zij onder de richtsnoeren vallen, vormt, wat daarvan ook overigens zij, geen reden zijn om in het geval een importeur Skal (buiten Traces) niet heeft geïnformeerd een onregelmatigheid als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van Verordening 834/2007 aan te nemen.
8.5
De beroepsgrond slaagt. Niet is komen vast te staan dat de graanhandel wat betreft deze vijf zendingen Verordening 834/2007 niet heeft nageleefd. Er bestond daarom voor Skal geen grondslag deze vijf zendingen te decertificeren. De overige beroepsgronden met betrekking tot deze partijen, kan het College onbesproken laten.
De intrekking van het certificaat
9.1
Skal heeft het biocertificaat van de graanhandel onder verwijzing naar de artikelen 17 en 19 en bijlage I van het Skal-Reglement certificatie en toezicht (versie 1-1-2017) per direct ingetrokken. Deze intrekking heeft tot gevolg dat de tussen Skal en de graanhandel gesloten certificatie-overeenkomst ook per direct vervalt. De graanhandel mag geen gebruik meer maken van het biocertificaat en geen producten bewerken of verhandelen die zijn voorzien van aanduidingen die verwijzen naar de biologische productiemethode.
9.2.1
Aan de conclusie dat de graanhandel in ernstige mate in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen heeft Skal ten grondslag gelegd dat
(1) het decertificeringsbesluit van de [naam 8] zending niet is opgevolgd,
(2) de [naam 9] zending waarvan de graanhandel beweerde dat deze niet zou worden ingeklaard, wel degelijk is gelost en vervolgens als biologisch is verhandeld,
(3) ook de [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] zendingen niet zijn gemeld bij Skal, maar wel als biologisch zijn ingeklaard,
(4) de graanhandel ten aanzien van de met [naam 3] vervoerde partij mais op meerdere punten in ernstige mate in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen en
(5) de graanhandel op meerdere momenten en gedurende een langere tijd niet heeft voldaan aan haar medewerkingsplicht dan wel niet heeft meegewerkt aan toezicht door Skal.
9.2.2
Aan de conclusie dat sprake is van kritieke afwijkingen als bedoeld in het Skal-Reglement certificatie en toezicht heeft Skal de volgende drie kritieke afwijkingen ten grondslag gelegd:
(1) De graanhandel heeft bij de verkoop van de gedecertificeerde [naam 8] partij en de verkoop van de niet gemelde [naam 9] partij gangbare producten in strijd met artikel 23, tweede lid, van Verordening 834/2007 aangeduid als biologisch, te weten verkoop als US-NOP.
(2) Er zijn meerdere incidenten betreffende de biologische status van producten. De graanhandel heeft de twijfel over de biologische status van de [naam 9] partij en de [naam 3] partij ten onrechte niet overeenkomstig artikel 91, eerste lid, van Uitvoeringsverordening 889/2008 aan Skal gemeld. Bovendien is dit een herhaalde afwijking omdat de graanhandel ook bij de [naam 10] zending heeft verzuimd een dergelijke melding te doen.
(3) De medewerking van de graanhandel bij het toezicht is onvoldoende geweest. Skal heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de graanhandel vragen niet of onwaarachtig heeft beantwoord en de gevraagde informatie niet en/of niet volledig en/of niet tijdig heeft toegestuurd aan Skal.
9.3
Volgens de graanhandel mist Skal de bevoegdheid om een biocertificaat in trekken op grond van het Skal-Reglement certificatie en toezicht omdat dit beleidsregels zijn en beleidsregels geen bevoegdheid kunnen creëren. Ook artikel 30, eerste lid en tweede alinea, van Verordening 834/2007 verschaft Skal niet een bevoegdheid tot intrekking van een biocertificaat. Skal heeft op grond van die bepaling slechts de bevoegdheid om een marktdeelnemer voor een bepaalde periode het recht te ontnemen om producten in de handel te brengen. Volgens de graanhandel is Skal, zo al bevoegd, in ieder geval niet bevoegd tot een intrekking voor onbepaalde tijd.
9.4
Het College zal eerst de beroepsgronden bespreken over de bevoegdheid van Skal het biocertificaat van de graanhandel in te trekken en over de duur van de intrekking. Met het oog op verdere besluitvorming van Skal zal het College vervolgens de beroepsgronden bespreken die zien op de niet nagekomen verplichtingen en kritieke afwijkingen die Skal ten grondslag heeft gelegd aan de intrekking van het biocertificaat.
9.5
Skal voert aan dat een biocertificaat dat kan worden afgegeven ook weer kan worden ingetrokken. Skal betwist dat een biocertificaat alleen voor een bepaalde periode zou kunnen worden ingetrokken en stelt, indien dit wel correct zou zijn, dat het de graanhandel niet zou baten. Het biocertificaat had een geldigheidsduur tot 31 december 2020. Skal zou dan het certificaat tot het eind van de geldigheidsduur hebben opgeschort, en vervolgens, gezien de volgens Skal ongewijzigde omstandigheden, geen nieuw certificaat hebben afgegeven.
9.6
Naar het oordeel van het College is Skal op grond van Verordening 834/2007 en het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 als instantie bevoegd om artikel 30, eerste lid en tweede alinea, van Verordening 834/2007 toe te passen. Skal is namelijk in de aanhef van artikel 15 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 aangewezen als de instantie, bedoeld in artikel 27, vierde lid, aanhef en onder a, van Verordening 834/2007. Dat maakt dat Skal bevoegd is om het biocertificaat af te geven, op grond van artikel 29, eerste lid, van Verordening 834/2007, waarin zij onder meer de geldigheidsduur van het bewijsstuk moet vermelden. Het is ook om die reden Skal die, wanneer er een ernstige inbreuk of een inbreuk met langdurige gevolgen is geconstateerd, de betrokken marktdeelnemer gedurende een met de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister) als bevoegde autoriteit overeengekomen periode het recht moet ontnemen om producten in de handel te brengen met verwijzing naar de biologische productiemethode in de etikettering of de reclame, op grond van artikel 30, eerste lid en tweede alinea, van Verordening 834/2007 (zie de uitspraak van 15 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:972). Dit kan Skal door het biocertificaat in te trekken. Het betoog van de graanhandel dat Skal niet bevoegd is om een biocertificaat in te trekken, slaagt dus niet.
9.7
Het College volgt de graanhandel wel dat Skal die bevoegdheid te buiten is gegaan door de wijze waarop zij de intrekking van het biocertificaat heeft vormgegeven.
9.8
De maatregel van artikel 30, eerste lid en tweede alinea, van Verordening 834/2007 kan worden opgelegd voor een bepaalde, met de bevoegde autoriteit overeengekomen periode. In artikel 24 van de Skal-Certificeringsgrondslagen, interpretaties van Verordening 834/2007, is vastgelegd dat deze periode is vastgesteld op maximum twee jaar. Skal heeft met de intrekking van het biocertificaat tegelijk de certificatie beëindigd, die op grond van artikel 5, tweede lid, van het Skal-reglement certificatie en toezicht voor onbepaalde tijd wordt verleend. De intrekking van het biocertificaat heeft daarmee, zoals blijkt uit het intrekkingsbesluit, tot gevolg dat de certificatie van de graanhandel wordt beëindigd en dat de tussen Skal en de graanhandel gesloten certificatie-overeenkomst per direct vervalt. De graanhandel mag dus voor onbepaalde tijd geen biologische producten meer bewerken of verhandelen. Skal heeft dus de graanhandel voor een onbepaalde periode het recht ontnomen biologische producten te verwerken en te verhandelen. Dat is in strijd met artikel 30, eerste lid en tweede alinea, van Verordening 834/2007 dat voorschrijft dat die maatregel voor een bepaalde periode wordt opgelegd. Het betoog van Skal dat de intrekking, gelet op de afgebakende geldigheidsduur van het certificaat, zich laat kwalificeren als een intrekking voor een in de tijd beperkte periode, volgt het College niet. Bij de in de tijd beperkte opschorting in de zin van artikel 18 van het Skal-reglement certificatie en toezicht vindt, voordat de looptijd van certificaat is verstreken, een hercontrole plaats. Dat is anders bij intrekking waarbij tegelijk ook de certificatie wordt beëindigd. De omstandigheid dat de marktdeelnemer na intrekking van het certificaat, met inachtneming van wat in de Skal-reglement certificatie en toezicht is bepaald waaronder een minimumwachttijd van 6 maanden, een nieuwe certificatie kan aanvragen, brengt het College niet tot een ander oordeel, omdat het einde ofwel de duur van de maatregel daarmee nog steeds onbepaald is. De marktdeelnemer moet immers eerst een nieuwe certificatie-overeenkomst met Skal (kunnen) sluiten.
9.9
Deze beroepsgrond slaagt.
10.1
De graanhandel voert verder aan dat Skal aan de intrekking van het biocertificaat ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat de verkoop van de gedecertificeerde [naam 8] partij en de verkoop van de niet gemelde [naam 9] partij als US-NOP in strijd is met artikel 23, tweede lid, van Verordening 834/2007.
10.2
De graanhandel heeft in januari 2019 drie uit Moldavië afkomstige partijen zonnebloempitten als biologisch geïmporteerd. De partijen zijn vanuit Turkije met het [naam 8] doorgevoerd naar Rotterdam. Skal heeft deze partijen op 17 mei 2019 gedecertificeerd. Bij uitspraak van 13 april 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:388) heeft het College het beroep daartegen ongegrond verklaard. In 2019 heeft de graanhandel zonnebloempitten met het [naam 9] naar Nederland vervoerd. Die partij had dezelfde herkomst als de zonnebloempitten vervoerd met het [naam 8] . Bij e-mail van 2 juli 2019 heeft de graanhandel Skal bericht dat deze partij niet wordt geïmporteerd. Vervolgens heeft de graanhandel de [naam 8] partij en de [naam 9] partij onder de vermelding “Certified Organic (US-NOP)” op de facturen verkocht aan de in Turkije gevestigde leverancier. NOP staat voor het National Organic Programme dat in de Verenigde Staten verantwoordelijk is voor de etikettering van biologische producten.
10.3
Artikel 23, eerste lid, van Verordening 834/2007 ziet op het gebruik van termen bij etikettering van en reclame voor producten in de EU. Termen die verwijzen naar biologische productiemethoden mogen slechts voorkomen wanneer alle ingrediënten van het product zijn geproduceerd overeenkomstig de voorschriften van de verordening. Artikel 23, tweede lid, van Verordening 834/2007 verbiedt het gebruik van deze termen in de Unie of in een taal van de Unie voor etikettering van, reclame voor en de handelsdocumenten betreffende een product dat niet voldoet aan de eisen van de verordening. Uit de tekst van artikel 23, eerste en tweede lid, van Verordening 834/2007 volgt dat het verbod geldt voor termen die verwijzen naar de communautaire biologische productiemethode. De [naam 8] partij en de [naam 9] partij zijn met de aanduiding US-NOP verscheept naar bestemmingen buiten de Unie. De aanduiding US-NOP verwijst niet naar de communautaire biologische productiemethode. Dat in de handelsdocumenten daarbij ook de term ‘organic’ is gebruikt, een term die in de bijlage bij Verordening 834/2007 is vermeld, maakt dit niet anders. Uit het voorgaande volgt dat de graanhandel met de verscheping van de [naam 8] -partij en de [naam 9] partij als US-NOP gecertificeerde producten de graanhandel niet in strijd gehandeld heeft met artikel 23, tweede lid, van de Verordening 834/2007. Skal heeft dit ten onrechte ten grondslag gelegd aan de intrekking van het biocertificaat. De beroepsgrond slaagt.
11.1
Volgens Skal heeft de graanhandel informatie voor haar verzwegen en onjuiste informatie verstrekt over de [naam 3] partij. Verder heeft de graanhandel geweigerd gegevens aan Skal te verstrekken waarom was gevraagd. De graanhandel betwist dat zij haar medewerkingsverplichting tegenover Skal heeft verzaakt.
11.2
Het verwijt van het verzwijgen van informatie over de [naam 3] partij komt op hetzelfde neer als het niet melden als bedoeld in artikel 91, eerste lid, van Uitvoeringsverordening 889/2008. Onder 12.3 zal worden geconcludeerd dat Skal dit de graanhandel op goede gronden verwijt. Dat de graanhandel onjuiste informatie aan Skal heeft verstrekt, heeft het College op basis van de gedingstukken niet kunnen vaststellen. Wel heeft de graanhandel een weigerachtige houding aangenomen ten aanzien informatieverzoeken van Skal en moest Skal meermalen aandringen op het verstrekken van gegevens. Daar staat dan weer tegenover dat Skal uiteindelijk de gegevens heeft ontvangen waarom is verzocht, ook al moest Skal daar veel moeite voor doen. Haar weigerachtige houding maakt dat de graanhandel niet heeft voldaan aan haar verplichtingen op grond van artikel 5:20 van de Awb en artikel 15, vierde lid, van het Skal-Reglement certificatie en toezicht. Voor zover de graanhandel betoogt dat het in strijd handelen met een verplichting uit de Awb niet ten grondslag gelegd kan worden aan de intrekking van het biocertificaat op grond van artikel 30, eerste lid en tweede alinea, van Verordening 834/2007, overweegt het College dat ook het unierecht een medewerkingsverplichting kent, namelijk in artikel 67 van Uitvoeringsverordening 889/2009. Zo moet de marktdeelnemer alle informatie die voor controledoeleinden noodzakelijk kan worden geacht, aan de controlerende autoriteit verstrekken en resultaten van zijn eigen kwaliteitsborgingsprogramma's verstrekken. Aan deze medewerkingsverplichting heeft de graanhandel met haar weigerachtige houding niet voldaan. De beroepsgrond slaagt niet.
12.1
De graanhandel bestrijdt verder dat zij gehouden was tot melding van twijfel aan de biologische status van de [naam 9] partij, de [naam 3] partij en de [naam 10] zending.
12.2
Artikel 91, eerste lid, van Uitvoeringsverordening 889/2008 verplicht marktdeelnemers de controlerende autoriteiten onmiddellijk te informeren als zij van mening zijn of vermoeden dat een geïmporteerd of aan hen door een andere marktdeelnemer geleverd product niet in overeenstemming is met de biologische voorschriften. Voor een overtreding van dat artikel dient Skal aannemelijk te maken dat de graanhandel van mening was of het vermoeden had dan wel tenminste heeft getwijfeld of de [naam 9] , [naam 3] en [naam 10] zendingen in overeenstemming waren met de voorschriften voor biologische productiemethoden.
12.3
In het leveren van dit bewijs is Skal niet voor alle ladingen geslaagd. De [naam 9] partij heeft de graanhandel niet ingevoerd in de Unie, maar teruggezonden naar Turkije. Omdat deze partij niet is geïmporteerd, was de graanhandel niet verplicht om Skal te informeren over twijfel over de biologische status van de partij. Bovendien is de enkele omstandigheid dat deze partij dezelfde herkomst heeft als de zonnebloempitten die zijn vervoerd met de [naam 8] ontoereikend bewijs dat bij de graanhandel twijfel bestond over de biologische status van deze lading. Wat betreft de [naam 10] zending heeft Skal niet onderbouwd dat bij de graanhandel twijfel bestond over de biologische status van deze lading. Wat betreft de [naam 3] lading heeft Skal erop gewezen dat de graanhandel wist dat de eerste COI voor deze lading was ingetrokken vanwege gevonden niet-toegestane insecticide. Het College is van oordeel dat daarmee aannemelijk is geworden dat bij de graanhandel twijfel heeft bestaan over de biologische status van de [naam 3] partij. De graanhandel had van deze twijfel melding moeten maken bij Skal, teneinde Skal in staat te stellen zijn controlerende taak uit te voeren. Ook als, zoals de graanhandel stelt, de afgifte van de tweede COI haar twijfel over de biologische status van deze partij wegnam, doet dat er niet aan af dat deze twijfel daarvóór bij haar wel bestond. Dat het product op dat moment nog niet was ingeklaard, maakt het voorgaande niet anders. Dit betekent dat de graanhandel uitsluitend wat betreft de [naam 3] partij in strijd heeft gehandeld met artikel 91, eerste lid, van Uitvoeringsverordening 889/2008. De beroepsgrond slaagt dus ten dele.
13 Uit 8.1 tot en met 8.7 volgt dat Skal aan de intrekking van het biocertificaat eveneens ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat de graanhandel de [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] zendingen niet heeft gemeld bij Skal.
14.1
Skal heeft besloten een bericht over de intrekking van het biocertificaat van de graanhandel op haar website te publiceren nadat het besluit onherroepelijk is geworden.
14.2
Omdat de intrekking van het biocertificaat geen stand houdt, geldt dat ook voor het besluit om de intrekking te publiceren.
15 Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd, voor zover daarbij de decertificering van de ladingen van het [naam 5] , het [naam 6] en het [naam 7] , de intrekking van het biocertificaat van de graanhandel en het besluit deze intrekking te publiceren, is gehandhaafd. Omdat er voor de decertifering van de ladingen van het [naam 5] , het [naam 6] en het [naam 7] geen grondslag bestaat, zal het College deze herroepen. Skal zal worden opgedragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen de intrekking van het biocertificaat en het besluit de intrekking te publiceren. Skal zal daarbij moeten beoordelen of er nog voldoende grondslag bestaat voor intrekking van het biocertificaat en, als dat het geval is, voor welke periode de intrekking zal gelden. Indien Skal het besluit tot intrekking van het biocertificaat handhaaft, zal Skal zich tevens nader dienen te beraden over de publicatie daarvan. De decertificering van de ladingen van de [naam 3] en [naam 4] blijft in stand.
16 Het College veroordeelt Skal in de door de graanhandel gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.750,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting; waarde per punt € 875,- en wegingsfactor 1) en, vanwege de herroeping van drie deelbesluiten, in de door de graanhandel in bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.750,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting; waarde per punt € 875,- en wegingsfactor 1).
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
1. Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:
a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en
b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.
Artikel 4:9
Bij toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 kan de belanghebbende naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren brengen.
Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten
Artikel 23 Het gebruik van termen die verwijzen naar biologische productie
1. In de zin van deze verordening worden producten geacht producten te zijn waarop termen voorkomen die verwijzen naar de biologische productiemethode, wanneer die producten, de ingrediënten ervan of de bij de productie gebruikte voedermiddelen in de etikettering, de reclame of de handelsdocumenten worden beschreven in termen die de koper doen aannemen dat de producten, ingrediënten of voedermiddelen geproduceerd zijn overeenkomstig de in deze verordening vervatte regels. Met name mogen de termen vermeld in de bijlage en de afleidingen of verkleinwoorden daarvan, zoals „bio” en „eco”, in de hele Gemeenschap en in elke taal van de Gemeenschap afzonderlijk of in combinatie worden gebruikt voor de etikettering van en de reclame voor een product dat voldoet aan de voorschriften die bij of krachtens deze verordening zijn vastgesteld.
Op de etikettering van en in de reclame voor levende en onverwerkte landbouwproducten mogen termen die verwijzen naar de biologische productiemethode, daarenboven slechts voorkomen wanneer ook alle ingrediënten van dat product geproduceerd zijn overeenkomstig de voorschriften van deze verordening.
2. De in lid 1 bedoelde termen worden nergens in de Gemeenschap en in geen enkele taal van de Gemeenschap gebruikt voor de etikettering van, de reclame voor en de handelsdocumenten betreffende een product dat niet voldoet aan de eisen van deze verordening, tenzij zij niet worden toegepast op landbouwproducten in levensmiddelen of diervoeders of duidelijk geen verband houden met biologische productie.
Voorts worden in de etikettering of reclame geen termen, termen in handelsmerken inbegrepen, of praktijken gebruikt die de consument of gebruiker kunnen misleiden door de indruk te wekken dat een product of de ingrediënten ervan voldoen aan de voorschriften krachtens deze verordening.
Artikel 27 Controlesysteem
1. De lidstaten zetten een controlesysteem op en wijzen een of meer bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de controles ten aanzien van de bij deze verordening vastgestelde verplichtingen, zulks overeenkomstig Verordening (EG) nr. 882/2004.
4. De bevoegde autoriteit kan:
a. a) haar controlebevoegdheden toevertrouwen aan een of meer andere controlerende autoriteiten. De controlerende autoriteiten bieden adequate waarborgen inzake objectiviteit en onpartijdigheid, en beschikken over gekwalificeerd personeel en de middelen die nodig zijn om hun taak te vervullen;
(…)
1. De in artikel 27, lid 4, bedoelde controlerende autoriteiten en controleorganen geven een bewijsstuk af aan de marktdeelnemer die aan hun controles onderworpen is en die bij zijn activiteiten de bij deze verordening vastgestelde voorschriften naleeft. In het bewijsstuk worden ten minste de identiteit van de marktdeelnemer, het type of de reeks producten en de geldigheidsduur van het bewijsstuk vermeld.
Artikel 30 Maatregelen in geval van inbreuken en onregelmatigheden
1. Wanneer er een onregelmatigheid wordt geconstateerd met betrekking tot de naleving van de voorschriften van deze verordening, zorgt de controlerende autoriteit of het controleorgaan ervoor dat de etikettering en de reclame voor de volledige partij of productiegang waarop de onregelmatigheid betrekking heeft geen verwijzing naar de biologische productiemethode bevatten, wanneer een dergelijke maatregel in verhouding staat tot het belang van het voorschrift waarop inbreuk is gemaakt en tot de aard en de specifieke omstandigheden van de onregelmatige activiteiten.
Wanneer er een ernstige inbreuk of een inbreuk met langdurige gevolgen is geconstateerd, ontneemt de controlerende autoriteit of het controleorgaan de betrokken marktdeelnemer gedurende een met de bevoegde autoriteit van de lidstaat overeengekomen periode het recht om producten in de handel te brengen met verwijzing naar de biologische productiemethode in de etikettering of de reclame.
Artikel 33 Invoer van producten van gegarandeerde gelijkwaardigheid
1. Een uit een derde land ingevoerd product mag ook in de Gemeenschap als biologisch product in de handel worden gebracht mits:
a. a) het product is geproduceerd overeenkomstig productievoorschriften die gelijkwaardig zijn met die bedoeld in de titels III en IV;
(…)
Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft
Artikel 84 Verstrekking van informatie over geïmporteerde zendingen
De importeur stelt de controlerende autoriteit of het controleorgaan tijdig in kennis van elke zending die in de Gemeenschap zal worden geïmporteerd, en verstrekt daartoe de volgende gegevens:
a. a) de naam en het adres van de eerste geadresseerde;
b) alle gegevens die de controlerende autoriteit of het controleorgaan redelijkerwijs nodig kan hebben,
i. i) voor producten die overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EG) nr. 834/2007 worden geïmporteerd, de in dat artikel bedoelde bewijsstukken;
ii)
voor producten die overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EG) nr. 834/2007 worden geïmporteerd, een kopie van het in dat artikel bedoelde controlecertificaat.
Op verzoek van de controlerende autoriteit of het controleorgaan van de importeur, stuurt de importeur de in lid 1 bedoelde informatie door naar de controlerende autoriteit of het controleorgaan van de eerste geadresseerde.
De importeur verstrekt de in de eerste en tweede alinea bedoelde informatie door middel van het elektronische Traces-systeem (Trade Control and Expert System), waarin is voorzien bij Beschikking 2003/24/EG van de Commissie.
Artikel 91 Maatregelen bij vermoede inbreuken en vermoede onregelmatigheden
1. Marktdeelnemers die van mening zijn of vermoeden dat een door hen geproduceerd, bereid of geïmporteerd product, dan wel een door een andere marktdeelnemer aan hen geleverd product niet in overeenstemming is met de voorschriften voor de biologische productie, leiden procedures in om elke aanduiding betreffende de biologische productiemethode van dat product te verwijderen of om het product af te zonderen en te identificeren. Zij mogen het product pas gaan verwerken of verpakken of in de handel brengen nadat de betrokken twijfel is weggenomen, tenzij het product in de handel wordt gebracht zonder aanduidingen betreffende de biologische productiemethode. In geval van dergelijke twijfel moeten de marktdeelnemers de controlerende autoriteiten of de controleorganen onmiddellijk informeren. De controlerende autoriteiten of de controleorganen kunnen eisen dat het product niet met aanduidingen betreffende de biologische productiemethode in de handel wordt gebracht voordat de van de marktdeelnemers of uit andere bronnen ontvangen informatie hen ervan heeft overtuigd dat de twijfel is weggenomen.
2. Controlerende autoriteiten of controleorganen die een gegrond vermoeden hebben dat een marktdeelnemer van plan is een product in de handel te brengen dat niet in overeenstemming is met de voorschriften voor de biologische productie maar wel is voorzien van een verwijzing naar de biologische productiemethode, kunnen beslissen dat de marktdeelnemer het product gedurende een door hen vastgestelde periode niet met deze verwijzing in de handel mag brengen. Alvorens een dergelijke beslissing te nemen, moeten de controlerende autoriteiten of controleorganen de marktdeelnemer de kans geven om de situatie toe te lichten. Deze beslissing wordt, indien de controlerende autoriteiten of controleorganen er zeker van zijn dat het product niet aan de voorschriften voor de biologische productie voldoet, aangevuld met de verplichting om elke verwijzing naar de biologische productiemethode van dat product te verwijderen.
Indien het vermoeden tijdens de hierboven bedoelde periode niet wordt bevestigd, moet de in de eerste alinea bedoelde beslissing uiterlijk bij het verstrijken van die periode worden ingetrokken. De marktdeelnemer verleent de controlerende autoriteit of het controleorgaan zijn volledige medewerking bij de opheldering van het vermoeden.
(…)
Landbouwkwaliteitsbesluit
De Stichting Skal wordt aangewezen als bevoegde autoriteit voor zover het betreft het gebied, genoemd in artikel 1, tweede lid, aanhef en onderdeel i, van verordening (EU) 2017/625 voor:
a. het documenteren, bedoeld in artikel 29, zesde lid, van verordening (EU) 2018/848 van onderzoeksresultaten naar de aanwezigheid van niet-toegelaten producten of stoffen en genomen maatregelen;
b. het ontvangen van de melding, bedoeld in artikel 34 van verordening (EU) 2018/848;
c. het meedelen van de informatie, bedoeld in artikel 43, zesde lid, van verordening (EU) 2018/848 aan het daar bedoelde betaalorgaan;
d. de handhavingsverplichtingen, bedoeld in artikel 137 van verordening (EU) 2017/625, en
e. het nemen van de acties en maatregelen, bedoeld in artikel 138 van verordening (EU) 2017/625, en belast met deze taken.