Disciplinaire straf van schriftelijke berisping. Het college heeft in de procedure verwezen naar artikel 15:1:10, tweede lid, (oud) van de CAR/UWO, als reactie op appellants stelling dat hij niet verplicht was deel te nemen aan de buiten zijn werktijden geplande fietstocht. In dat artikel is onder meer bepaald dat het college de bevoegdheid heeft de ambtenaar te verplichten tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden. Niet valt in te zien dat het college met die verwijzing naar dat artikel in strijd heeft gehandeld met het verbod van détournement de pouvoir, zoals appellant heeft gesteld.
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 31 mei 2012, 11/2941 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te[woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2013. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van der Meer, advocaat.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 13 mei 2011 is appellant door zijn leidinggevende opgedragen deel te nemen aan een organisatiebrede activiteit, namelijk een fietstocht door een gedeelte van de gemeente Franekeradeel op vrijdagmiddag 20 mei 2011. Daarbij is vermeld dat deelname aan deze activiteit werk is en dat het de bedoeling is dat iedereen in de organisatie hieraan deelneemt. Verder is appellant erop gewezen dat het niet deelnemen aan de fietstocht, zonder geaccepteerde reden, als werkweigering wordt beschouwd en dat dan een disciplinaire maatregel zal worden opgelegd.
1.2. Nadat het voornemen daartoe aan appellant was meegedeeld en appellant zijn zienswijze daarop heeft gegeven, heeft het college bij besluit van 8 juni 2011 appellant de disciplinaire straf van schriftelijke berisping opgelegd, omdat hij zonder opgave van reden niet heeft deelgenomen aan de fietstocht op 20 mei 2011.
1.3. Bij besluit van 24 oktober 2011 (bestreden besluit) zijn de bezwaren tegen de besluiten van 13 mei 2011 en 8 juni 2011 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Op 2 mei 2011 is na overleg met het managementteam via een bericht op intranet de fietstocht op 20 mei 2011 als organisatiebrede activiteit aangekondigd om de gemeente Franekeradeel nog beter te leren kennen. Daarbij is aangegeven dat de fietstocht als werk wordt beschouwd en dat het daarom de bedoeling is dat iedereen eraan deelneemt. Omdat appellant zich vervolgens niet voor deze dag had aan- of afgemeld is hem naar zijn beweegredenen gevraagd. Toen appellant daarop aangaf niet deel te zullen nemen aan de fietstocht, omdat hij de fietstocht niet als werk beschouwt, mede omdat de fietstocht op zijn vrije vrijdagmiddag en dus buiten zijn werktijd zou plaatsvinden, is hem de dienstopdracht van 13 mei 2011 gegeven.
3.2.
Het college heeft aannemelijk gemaakt dat het dienstbelang bij de fietstocht, onder meer gelegen in het vergroten van saamhorigheid en interne samenwerking, een zo groot mogelijke deelname van het personeel vereiste. Dat maakte dan ook het optreden richting appellant noodzakelijk toen hij aangaf niet te zullen deelnemen aan de fietstocht, omdat het volgens hem niet tot het werk behoorde. Van een zwaarwegend belang aan de zijde van appellant dat het niet deelnemen aan de fietstocht rechtvaardigde is niet gebleken. Reeds bij de aankondiging van de fietstocht via het intranetbericht van 2 mei 2011 heeft het college kenbaar gemaakt dat deelname aan de fietstocht als werk wordt aangemerkt. In het kader van personeelsbeleid staat het het college ook vrij om teambuilding door middel van een fietstocht aan te merken als werk. Het is niet aan een individuele ambtenaar om te bepalen of de door het college gekozen vorm van teambuilding zinvol is en tot het werk behoort. Ook is reeds in het intranetbericht van 2 mei 2011 duidelijk gemaakt dat, als sprake was van roostervrije uren ten tijde van de fietstocht, deze uren bij deelname mochten worden gecompenseerd. De leidinggevende heeft dan ook bij afweging van de belangen in redelijkheid tot de dienstopdracht kunnen overgaan. Van onzorgvuldig handelen door het college of van willekeur zoals appellant heeft gesteld, is niet gebleken.
3.3.
Het college heeft in de procedure verwezen naar artikel 15:1:10, tweede lid, (oud) van de CAR/UWO, als reactie op appellants stelling dat hij niet verplicht was deel te nemen aan de buiten zijn werktijden geplande fietstocht. In dat artikel is onder meer bepaald dat het college de bevoegdheid heeft de ambtenaar te verplichten tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden. Niet valt in te zien dat het college met die verwijzing naar dat artikel in strijd heeft gehandeld met het verbod van détournement de pouvoir, zoals appellant heeft gesteld.
3.4.
Omdat in hoger beroep geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de schriftelijke berisping zijn aangevoerd, behoeft dat onderdeel van het hoger beroep geen bespreking.
4.
Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5.
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van
S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2013.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) S.K. Dekker
HD
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: