Gedeeltelijke afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van inrichting van woning in Handel. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij om een andere reden dan die hij bij zijn aanvraag om bijzondere bijstand heeft opgegeven is verhuisd van Aarle Rixtel naar Handel. Uitgaande van de door appellant bij zijn aanvraag opgegeven medische reden voor zijn verhuizing, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Wmo-voorziening passend en toereikend moet worden geacht als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder e, van de WWB en dat artikel 15 van de WWB in de weg staat aan de verlening van bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting.
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 september 2012, 12/568 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 29 oktober 2013, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.
OVERWEGINGEN
1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In januari 2011 is appellant verhuisd van Aarle Rixtel, gemeente Laarbeek, naar een seniorenwoning in Handel, gemeente Gemert en Bakel. Op
17 februari 2011 heeft appellant bij het college een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand ingediend voor de kosten van inrichting van zijn woning in Handel ten bedrage van in totaal € 14.912,75. Bij zijn aanvraag heeft appellant vermeld dat hij is verhuisd in verband met een beroerte die hij heeft gehad.
1.2.
Bij besluit van 11 maart 2011 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat in het geval van appellant sprake is van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB, te weten de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
1.3.
Hangende het tegen het besluit van 11 maart 2011 gemaakte bezwaar heeft appellant op grond van de Wmo van het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek een bedrag van € 3.442,- ontvangen als tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten.
1.4.
Bij besluit van 16 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 maart 2011 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in het geval van appellant sprake is van een verhuizing op medische gronden, dat in die situatie de Wmo een toereikende en passende voorziening vormt als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder f (lees: e), van de WWB en dat artikel 15 van de WWB in de weg staat aan toekenning van bijzondere bijstand.
3.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij niet alleen om medische redenen is verhuisd van Aarle Rixtel naar Handel, maar ook omdat hij zich daartoe onder druk van de volgende omstandigheden genoodzaakt voelde. In 2006 is zijn dochter met haar kinderen, met wie hij al langere tijd geen contact meer had, bij hem in de straat komen wonen. Zijn schoonzoon heeft zich een aantal keren dreigend naar appellant opgesteld, waardoor het wonen in Aarle Rixtel onhoudbaar werd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de van toepassing zijnde bepalingen van de WWB verwijst naar de aangevallen uitspraak.
4.1.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij om een andere reden dan die hij bij zijn aanvraag om bijzondere bijstand heeft opgegeven is verhuisd van Aarle Rixtel naar Handel. Uitgaande van de door appellant bij zijn aanvraag opgegeven medische reden voor zijn verhuizing, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Wmo-voorziening passend en toereikend moet worden geacht als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder e, van de WWB en dat artikel 15 van de WWB in de weg staat aan de verlening van bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting. Vergelijk hiervoor de uitspraak van de Raad van 13 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV9970.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) T.A. Meijering
sg
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: