Vaststelling dagloon. Niet gebleken van een loonvordering die in het refertejaar niet tevens inbaar was. Aan de voorwaarden om toepassing te geven aan artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen is daarom niet voldaan.
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2013, 12/1249 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. Simons, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Simons. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.
OVERWEGINGEN
1.
Appellante is van 7 april 2009 tot 1 mei 2009 in dienst geweest van de [naam vereniging]([naam vereniging]). Na 18 april 2009 heeft zij geen werkzaamheden meer voor [naam vereniging] verricht. Zij is vanaf 1 juni 2009 tot aan haar ziekmelding op 16 juni 2009 werkzaam geweest in dienst van de [naam stichting].
2.
Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 3 februari 2012 (bestreden besluit) vastgesteld dat voor appellante met ingang van 14 juni 2011 recht op een WGA-uitkering is ontstaan. Het dagloon op grond waarvan die WGA-uitkering wordt berekend heeft het Uwv met toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit) vastgesteld op € 20,85.
3.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
4.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het dagloon juist is vastgesteld. Volgens appellante is bij de berekening van het dagloon ten onrechte geen rekening gehouden met een nabetaling na de referteperiode door [naam vereniging] van loon waar zij in de referteperiode recht op had. Zij was tijdens de referteperiode op grond van medische redenen niet in staat om dit loon van [naam vereniging] te vorderen.
5.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
5.2.
Het gaat in dit geding om de vraag of artikel 2, vierde lid, van het Besluit moet worden toegepast, voor zover daarin is bepaald:
“Onder loon wordt mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden.”
5.3.
Uit de tekst van en de Nota van toelichting bij artikel 2, vierde lid, van het Besluit moet worden afgeleid dat de besluitgever toepassing van dit artikelonderdeel slechts aangewezen acht in situaties waarin duidelijk is geworden dat vorderbaar loon in het refertejaar ondanks vordering in dat jaar niet of niet geheel inbaar is gebleken. Het is aan de werknemer om aan te tonen dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever in het refertejaar heeft gemaand het (nog) vorderbare loon aan hem uit te keren.
5.4.
Niet in geschil is dat [naam vereniging] aan het einde van de maand april 2009 ten onrechte niet het volledige salaris over de periode van 7 tot en met 30 april 2009 aan appellante heeft betaald. Evenmin is in geschil dat appellante tijdens het refertejaar, dat in haar geval eindigde op
31 mei 2009, heeft nagelaten [naam vereniging] te manen om het nog vorderbare salaris over die periode aan haar uit te keren. Dit brengt met zich dat niet is gebleken van een loonvordering die in het refertejaar niet tevens inbaar was. Aan de voorwaarden om toepassing te geven aan artikel 2, vierde lid, van het Besluit is daarom niet voldaan.
5.5.
Of juist is dat appellante op medische gronden in het refertejaar niet in staat was om [naam vereniging] te manen het nog vorderbare salaris aan haar uit te keren, kan hier in het midden blijven. Het Besluit voorziet niet in de mogelijkheid om, zo daarvan sprake zou zijn geweest, rekening te houden met het achterstallige salaris dat appellante na het refertejaar nog van [naam vereniging] heeft ontvangen. Het is aan de wetgever om eventuele onredelijke en niet beoogde effecten van de in het Besluit neergelegde dagloonsystematiek teniet te doen.
5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
6.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en
C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2014.
(getekend) G.A.J van den Hurk
(getekend) S. Aaliouli
IvR
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: