OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 27 september 2012 heeft appellant zich met zijn partner gemeld voor een aanvraag om (aanvullende) bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van deze aanvraag hebben twee handhavingsspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld en appellant op 9 januari 2013 gehoord. Appellant heeft onder meer verklaard dat hij vijf uur per dag gedurende vijf dagen per week werkzaam is in [een coffeeshop] in Amsterdam (coffeeshop) en dat hij van de werkgever ter plekke 1 gram hasj per dag mag gebruiken.
1.2.
Bij besluit van 22 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 mei 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van 27 september 2012 afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant beschikt over voldoende middelen van bestaan, omdat zijn inkomsten, bestaande uit zijn reguliere loon van de coffeeshop en de vaste bijkomende beloning van zijn werkgever in de vorm van - de waarde van - 1 gram hasj, hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm voor appellant en zijn gezin. De door de werkgever verstrekte hasj heeft het college aangemerkt als inkomen in natura, subsidiair als een voor de bijstand relevante gift. De waarde van de hasj is door het college bepaald op € 200,- per maand, waarbij is uitgegaan van circa € 10,- per gram hasj.
1.3.
Appellant heeft beroep aangetekend tegen het bestreden besluit. Hangende dit beroep heeft het college zijn primaire standpunt, dat de aan appellant verstrekte hasj moet worden aangemerkt als inkomen in natura, verlaten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat de aan appellant verstrekte 1 gram hasj als een gift moet worden beschouwd, die - gelet op de in aanmerking te nemen waarde van € 10,- - leidt tot een bestedingsniveau dat onverenigbaar is met wat op bijstandsniveau gebruikelijk is.
3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 31, eerste lid, van de WWB bepaalt dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover een betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB worden giften niet tot de middelen gerekend voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.
4.2.
In artikel 6.2.1.8 van de Beleidsvoorschriften Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam is bepaald dat giften niet in aanmerking worden genomen als dit uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Dat geldt zowel voor de hoogte als de bestemming van de gift. De gift kan wel in aanmerking worden genomen als deze:
- betrekking heeft op kosten die in de algemene bijstand zijn begrepen;
- een vrij te besteden karakter heeft;
- leidt tot een bestedingsniveau dat onverenigbaar is met wat op
bijstandsniveau gebruikelijk is.
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat geen van deze punten aan de orde is waar het de verstrekking van hasj door zijn werkgever betreft en dat het hier dan ook niet gaat om een voor de bijstandsverlening relevante gift. Deze beroepsgrond slaagt. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kosten van hasj in de algemene bijstand zijn begrepen. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, heeft de aan appellant door zijn werkgever verstrekte hasj geen vrij besteedbaar karakter, in die zin dat hij zelf kan beslissen wat hij met de hasj doet, door deze bijvoorbeeld te verkopen en de opbrengst daarvan aan te wenden voor zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin. Door daaraan voorbij te gaan wordt bovendien miskend dat verkoop van hasj door een particulier niet legaal is. Van appellant kan dus (ook) niet worden gevergd dat hij de hasj, voor zover ter beschikking gesteld en niet ter plekke gebruikt, buiten de gemaakte afspraken om te gelde maakt. Omdat appellant de hasj niet vrij kan besteden en voorts niet is onderbouwd dat, en in hoeverre, deze kosten betrekking hebben op kosten die in de algemene bijstand zijn inbegrepen, kan evenmin worden geoordeeld dat de verstrekking van hasj door de werkgever leidt tot een bestedingsniveau dat onverenigbaar is met wat op bijstandsniveau gebruikelijk is.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat de hasj die appellant ten tijde in geding van zijn werkgever ontving niet is aan te merken als een gift, die uit een oogpunt van bijstandsverlening niet verantwoord is en die op grond van het door het college gevoerde beleid in aanmerking zou moeten worden genomen bij de verlening van bijstand. Dit betekent dat de (waarde van de) aan appellant voor eigen gebruik verstrekte hasj niet als middel in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB kan worden aangemerkt.
4.5.
Wat in 4.3 en 4.4 is overwogen brengt mee dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust. Dit is niet door de rechtbank onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.6.
Voorts dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitspraak moet worden gegeven. De rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit kunnen niet in stand worden gelaten. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de door het college in beroep verlaten grondslag, dat sprake is van inkomen in natura (en van kostenbesparing) voor appellant, evenmin houdbaar is. Anders dan destijds ingevolge artikel 48, eerste lid, van de Algemene bijstandswet, wordt de waarde van (in aanmerking te nemen) inkomen in natura immers op grond van artikel 33, eerste lid, van de WWB niet meer vastgesteld op de daaruit voortvloeiende lagere bestaanskosten maar op het daarvoor door betrokkene opgeofferde bedrag. Volgens de memorie van toelichting bij artikel 33 van de WWB wordt met de gekozen waarderingsgrondslag in beginsel aangesloten bij de keuze die de betrokkene maakt ten aanzien van zijn bestedingen. (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr.3, pag. 60). Nu het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant loon heeft opgeofferd om hasj voor eigen gebruik te verkrijgen, kan reeds hierom geen sprake zijn van inkomen in natura als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de WWB.
4.7.
De Raad beschikt evenmin over voldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Immers, de omstandigheid dat de kennelijk in een werksetting voor eigen gebruik aan appellant ter beschikking staande hasj niet te gelde kan worden gemaakt of kan worden ingezet voor kosten van levensonderhoud van appellant en zijn gezin, en dus niet als middel of inkomen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB kan worden aangemerkt, betekent niet zonder meer dat dit voor de verlening van bijstand verder niet van belang is. Zie ook de uitspraak van de Raad van 11 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8450. Dit vergt echter een nadere beoordeling door het college. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het college op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen en opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 22 januari 2013. Daarbij dient het college acht te slaan op het volgende.
4.7.1.
Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB is het college gehouden om de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokkene. Deze bepaling geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de WWB, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging slechts plaats in zeer bijzondere situaties (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK5133). In dit geval kan een dergelijke situatie worden aangenomen.
4.7.2.
Afstemming op de omstandigheden en mogelijkheden van appellant is aangewezen omdat geen (aanvullende) algemene bijstand behoeft te worden verstrekt als door de werkgever in specifieke kosten, die in de regel uit het eigen inkomen moeten worden voldaan, wordt voorzien. Daarbij dient een zekere proportionaliteit in acht te worden genomen. In dit geval is voorts niet zonder betekenis dat appellant er in hoger beroep nog op heeft gewezen dat hij in de werksetting niet steeds hasj zou roken als hij dat niet zomaar van zijn werkgever zou krijgen. Ten slotte is nog van belang dat het hier een aanvraag om gezinsbijstand betreft en dat van dat gezin tevens drie minderjarige kinderen deel uitmaken. Het college zal de aan appellant toekomende (aanvullende) algemene bijstand naar de norm voor gehuwden dus, wegens aan appellant voor eigen gebruik in de werksetting verstrekte hasj en rekening houdend met evengenoemde andere aspecten, nader dienen af te stemmen.