Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 september 2013, 13/256 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Bergen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.G. Burgers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Burgers heeft, desgevraagd, een reactie gegeven.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 23 maart 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 23 mei 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2.
Bij besluit van 4 september 2012 heeft het college bepaald dat appellante recht heeft op een dwangsom van in totaal € 3.780,- in verband met het niet tijdig beslissen op een drietal bezwaarschriften. Dit bedrag is op 20 september 2012 uitbetaald op de derdenrekening van haar advocaat.
1.3.
Bij besluit van 26 september 2012 heeft het college, voor zover van belang, bepaald dat de betaalde dwangsom moet worden gezien als inkomen in de zin van de WWB en dat dit inkomen wordt verrekend met de bijstand van appellante over de maand september 2012.
1.4.
Bij besluit van 10 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 september 2012 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en aangekondigd dat het een nieuw besluit zal nemen waarin de betaalde dwangsom zal worden aangemerkt als vermogen.
1.5.
Bij besluit van 13 februari 2013 heeft het college het vermogen van appellante per
20 september 2012 vastgesteld op € 14.392,56. Dit vermogen overschrijdt het ingevolge de WWB vrij te laten vermogen met € 3.022,56. Dit betekent dat appellante per 20 september 2012 geen recht had op bijstand. Tevens is bij dit besluit vastgesteld dat appellante, bij een juiste intering van het bedrag van de vermogensoverschrijding, per 14 december 2012 weer recht zou krijgen op bijstand. Daarbij hanteert het college een interingsnorm, gelijk aan
1,5 maal de toepasselijke bijstandsnorm.
2. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege mede betrekking op het besluit van 13 februari 2013. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat een dwangsom geen middel is in de zin van artikel 31 van de WWB. Een dwangsom moet gelijk worden gesteld met een, van het begrip middel uitgezonderde, schadevergoeding. Appellante verwijst naar een nota van wijziging van de Tweede Kamer van 22 september 2009 (TK 2009-2010, 31844, nr. 9). De dwangsom is juist bedoeld om de overheid te stimuleren om tijdig een besluit te nemen. Die prikkel valt nu weg omdat de gemeente uitgekeerde dwangsommen via de vermogenstoets bij de bijstandsgerechtigde weer terughaalt. Op deze manier worden bijstandsgerechtigden anders behandeld dan niet-bijstandsgerechtigden. Appellante wijst hierbij op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake de Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR).
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 31, eerste lid, van de WWB, bepaalt, voor zover van belang, dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het tweede lid van artikel 31 van de WWB bevat een opsomming van niet in aanmerking te nemen middelen.
4.2.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 18 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1015, bestaat, mede gelet op het aanvullende karakter van de WWB en de ruime omschrijving in artikel 31, eerste lid, van de WWB, geen ruimte om, zoals appellante bepleit, de dwangsom niet te rekenen tot de middelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB. Evenmin bestaat ruimte om aan een uitzonderingsbepaling als
artikel 31, tweede lid, van de WWB een strekking toe te kennen die ruimer is dan die waartoe de tekst van die bepaling aanleiding geeft. Een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft uitsluitend als doel het bestuursorgaan te prikkelen tijdig te beslissen en kan daarom niet worden aangemerkt als of gelijkgesteld worden met een schadevergoeding. Een toegekende dwangsom staat immers niet in de weg aan vergoeding van geleden materiële en/of immateriële schade als gevolg van trage besluitvorming door het bestuursorgaan. Nu in het tweede lid een dwangsom ook niet specifiek is uitgezonderd, behoort de aan betrokkene uitbetaalde dwangsom tot de middelen waarover deze kan beschikken. Aan de door appellante aangehaalde gewijzigde opstelling van de bewindspersonen en de veronderstelde bedoeling van de wetgever komt niet de betekenis toe die appellante daaraan hecht.
4.3.
Artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt dat onder vermogen wordt verstaan middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voor zover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33 van de WWB. De rechtbank heeft terecht het standpunt van het college onderschreven dat de dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb moet worden aangemerkt als vermogen in de zin van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. In het tweede lid van
artikel 34 van de WWB is de dwangsom niet van het vermogen uitgezonderd. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante als gevolg van de toekenning van de dwangsom vanaf
20 september 2012 geen recht had op bijstand.
4.4.
Het beroep van appellante op artikel 26 van het IVBPR slaagt niet. Voor bijstandsgerechtigden geldt ingevolge de WWB een vermogenstoets. In het geval van
niet-bijstandsgerechtigden geldt een dergelijke toets niet. Dit betekent dat geen sprake is van juridisch gelijke gevallen die, zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond is, ongelijk worden behandeld. Daarnaast geldt nog het volgende. Appellante voert terecht aan dat de dwangsom bij niet-tijdig beslissen ertoe strekt om voor een bestuursorgaan een financiële prikkel te creëren om tijdig te beslissen. Ook in het geval van bijstandsgerechtigden blijft die prikkel ten aanzien van het college bestaan. In veel gevallen zal de dwangsom immers niet leiden tot overschrijding van de grens van het vrij te laten vermogen, dan wel - zoals ook in het geval van appellante - slechts deels. Ook heeft het college een interingsnorm van 1,5 maal de bijstandsnorm gehanteerd, zodat ook daarin de financiële prikkel deels nog besloten ligt.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2015.
(getekend) J.F. Bandringa
(getekend) C. Moustaïne
HD
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: