Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
23 mei 2014, 13/2875 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Akkas, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2015. Namens appellant is verschenen mr. Akkas. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
S. Dijkman-Dulkes Wan.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 11 april 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2.
Bij brief van 12 juni 2012 heeft het college appellant opgeroepen voor een verplichte informatiebijeenkomst teneinde zijn mogelijkheden tot scholing te bespreken. In dat kader heeft appellant een ‘reactieformulier scholing’ ingevuld, waarop hij te kennen heeft gegeven graag een opleiding tot beveiligingsmedewerker te willen volgen. Appellant heeft zich vervolgens naar aanleiding van een scholingsadviesgesprek bij het Regionale Meld- en Coördinatiefunctie vroegtijdig schoolverlaten (RMC) aangemeld voor de Entree-opleiding aan het [naam college] in [woonplaats]. De startdatum van deze opleiding was 1 augustus 2012. Voor deze opleiding kon appellant studiefinanciering aanvragen op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Appellant heeft ondanks een daartoe strekkend verzoek van het college geen gegevens overgelegd die zien op het aanvragen van studiefinanciering.
1.3.
Bij besluit van 10 oktober 2012 heeft het college de bijstand met ingang van 11 oktober 2012 beëindigd en met ingang van 1 augustus 2012 ingetrokken op de grond dat appellant vanaf laatstgenoemde datum onderwijs kan volgen in verband waarmee hij aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de Wsf2000. De over de periode van 1 augustus 2012 tot en met 30 september 2012 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.778,04 heeft het college van appellant teruggevorderd.
1.4.
Bij besluit van 17 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2012 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Gelet op 1.3 ligt hier ter beoordeling voor de periode van 1 augustus 2012 tot en met
10 oktober 2012.
4.2.
Ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB heeft geen recht op algemene bijstand degene die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bezoldigd onderwijs kan volgen en:
1º in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel
2º in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt.
4.3.
Ter zitting is komen vast te staan dat niet in geschil is dat voor appellant de mogelijkheid bestond om met ingang van 1 augustus 2012 uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen in verband waarmee hij aanspraak kon maken op studiefinanciering op grond van de Wsf2000. Partijen verschillen van mening over de vraag of appellant vanwege een medische oorzaak buiten staat was om dit onderwijs te volgen.
4.4.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij als gevolg van zijn verslavingsproblematiek en psychische klachten niet in staat was met ingang van 1 augustus 2012 te starten met de Entree-opleiding aan het [naam college] in [woonplaats]. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant enkele (medische) bescheiden overgelegd.
4.5.
Uit deze stukken blijkt niet dat appellant per 1 augustus 2012 door een medische oorzaak buiten staat was om uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen. Uit de brieven van de huisarts van 26 april 2013, 9 december 2013 en 18 februari 2014 volgt weliswaar dat appellant begin 2012, na een periode van werkloosheid, verslaafd is geraakt aan drugs en ook vóór 2013 leed aan een psychische stoornis, maar de huisarts vermeldt daarbij eveneens dat appellant met de hem voorgeschreven medicatie normaal kon functioneren. Dat komt overeen met de indruk die appellant heeft gemaakt tijdens het scholingsadviesgesprek op 27 juli 2012 bij het RMC, waarbij appellant een gemotiveerde indruk maakte om met een opleiding te starten en waarbij geheel niet is gebleken van signalen dat appellant op dat moment op medische gronden geen onderwijs zou kunnen volgen. Uit de enkele opmerkingen van de huisarts dat de klachten van appellant zijn arbeidsgeschiktheid negatief beïnvloed hebben en dat zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt beperkt zijn, kan ook niet worden afgeleid dat hij ten tijde hier van belang niet in staat was de Entree-opleiding te volgen. Dit blijkt ten slotte evenmin uit de overgelegde brief van 9 december 2013 van S. Temel, de contactpersoon van BT Begeleiding die in de te beoordelen periode bij de begeleiding van de moeder van appellant was betrokken in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. In deze brief beschrijft S. Temel haar ervaringen met appellant en de effecten van dwingend en soms agressief gedrag van appellant op het functioneren van zijn moeder. Deze brief behelst geen medische onderbouwing van klachten van appellant of een onderbouwd medisch oordeel over de vraag of appellant in de te beoordelen periode op medische gronden in staat geacht kon worden om onderwijs te volgen. Dat appellant enkele maanden later in een psychose is geraakt op grond waarvan zijn familie hem in februari 2013 in een kliniek in Turkije heeft laten opnemen, kan tot slot ook niet leiden tot het oordeel dat appellant buiten staat was met ingang van 1 augustus 2012 onderwijs te volgen, reeds omdat met betrekking tot de aard of oorzaak van de psychose geen informatie is verstrekt.
4.6.
Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en F. Hoogendijk en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) C.A.W. Zijlstra
HD
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: