Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:CRVB:2016:1932

Centrale Raad van Beroep
25-05-2016
26-05-2016
15/746 WW
Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep

WW-dagloon juist vastgesteld. Het Uwv heeft het dagloon terecht gebaseerd op het loon dat appellant heeft genoten uit de dienstbetrekking met werkgever 2, waaruit zijn werkloosheid is ontstaan. (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:1009) Appellant is per 12 september 2013, onderscheidenlijk 9 januari 2014, dus na 30 mei 2013, zijn dienstbetrekking aangegaan bij werkgever 2 en voldeed niet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 12 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, omdat hij na de beëindiging van zijn eerdere dienstbetrekking bij werkgever 1 geen recht had op uitbetaling van een WW-uitkering.

Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0557

Uitspraak

15/746 WW, 15/758 WW

Datum uitspraak: 25 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

18 december 2014, 14/1017 en 14/1018 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Bek hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 17 augustus 1998 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam in dienst van [werkgever 1] (werkgever 1). In verband met bedrijfseconomische omstandigheden is die dienstbetrekking beëindigd per 30 september 2013. Appellant heeft op 30 augustus 2013 een uitkering aangevraagd op grond van de Werkloosheidswet (WW) in verband met het eindigen van zijn werkzaamheden bij werkgever 1. Bij besluit van 3 september 2013 is appellant met ingang van 1 oktober 2013 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering op basis van een dagloon van € 116,55.

1.2.

Appellant is met ingang van 12 september 2013 in dienst getreden bij [werkgever 2] (werkgever 2). Bij besluit van 17 september 2013 heeft het Uwv appellant met ingang van 1 oktober 2013 alsnog een WW-uitkering ontzegd, omdat hij werkzaamheden is blijven verrichten en niet werkloos is geworden.

1.3.

Appellant heeft op 22 november 2013 een aanvraag gedaan voor een WW-uitkering in verband met het eindigen van de werkzaamheden bij werkgever 2 per 25 november 2013. Bij besluit van 26 november 2013 is appellant met ingang van 25 november 2013 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering op basis van een dagloon van € 77,69. Deze uitkering is - na een eerdere onderbreking in verband met werkhervatting - met ingang van 9 januari 2014 geëindigd, omdat appellant weer is gaan werken bij werkgever 2.

1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 november 2013 en daarbij gesteld dat zijn dagloon hoger moet zijn. Bij beslissing op bezwaar van 26 maart 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv dat bezwaar gegrond verklaard. Het Uwv heeft in het bestreden besluit de berekening van het dagloon gebaseerd op het loon dat appellant verdiende bij werkgever 2 en gesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor de dagloongarantiebepaling omdat hij aansluitend aan de dienstbetrekking bij werkgever 1, zonder WW-uitkering te hebben ontvangen, werkzaamheden is gaan verrichten bij werkgever 2. Bij de vaststelling van het dagloon in de beslissing van 26 november 2013 is een berekeningsfout gemaakt. Het dagloon is gecorrigeerd en vastgesteld op € 104,29.

1.5.

In verband met het opnieuw eindigen van de werkzaamheden bij werkgever 2 per

24 maart 2014 heeft het Uwv appellant bij besluit van 26 maart 2014 met ingang van 24 maart 2014 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering, gebaseerd op een dagloon van € 78,10. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 maart 2014. Bij besluit van 3 april 2014 is het dagloon van appellant vastgesteld op € 104,84. Bij besluit van 9 april 2014 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv - onder verwijzing naar het besluit van

3 april 2014 - het bezwaar gegrond verklaard.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard en geoordeeld dat het Uwv het

WW-dagloon terecht heeft vastgesteld op € 104,29, onderscheidenlijk € 104,84.

3.1.

De in hoger beroep herhaalde en nader uitgewerkte beroepsgronden van appellant komen erop neer dat het Uwv de WW-uitkering op een hoger dagloon had moeten baseren.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In uitspraken van 30 maart 2016 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:1009) is geoordeeld dat het Uwv voor werknemers die de overstap van werk naar werk zonder tussenliggende werkloosheid hebben gemaakt vóór 31 mei 2013 artikel 12 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen buiten toepassing had dienen te laten en moeten beoordelen of toepassing van artikel 17 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen tot een hoger dagloon leidt. Voor werknemers die na 30 mei 2013 de overstap van de ene naar de andere dienstbetrekking hebben gemaakt zonder tussenliggende werkloosheidsuitkering geldt dit niet, omdat zij op de hoogte hadden kunnen zijn van wijziging van de dagloonregels. Zij hadden vanaf die datum de mogelijke gevolgen van een dergelijke overstap kunnen overzien en hun beslissing daarop kunnen afstemmen. Daarnaast is geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een vermoeden van indirecte discriminatie. Verwezen wordt naar de in die uitspraak onder 4.1 tot en met 7.2 opgenomen overwegingen.

4.2.

Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding daar in deze zaak anders over te oordelen. Appellant is per 12 september 2013, onderscheidenlijk 9 januari 2014, dus na

30 mei 2013, zijn dienstbetrekking aangegaan bij werkgever 2 en voldeed niet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 12 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, omdat hij na de beëindiging van zijn eerdere dienstbetrekking bij werkgever 1 geen recht had op uitbetaling van een WW-uitkering. Daarom heeft het Uwv het dagloon terecht gebaseerd op het loon dat appellant heeft genoten uit de dienstbetrekking met werkgever 2, waaruit zijn werkloosheid is ontstaan.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van

M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2016.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) M.D.F. de Moor

UM

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.