Appellant heeft in verweer vastgehouden aan de in het bestreden besluit gehanteerde berekeningswijze van de inkomsten van betrokkene uit zelfstandige arbeid. Daartoe is overwogen dat deze in lijn is met de (vaste) rechtspraak van de Raad. Appellant ziet in de omstandigheid dat betrokkene wegens haar werkzaamheden in loondienst minder uren als zelfstandige heeft gewerkt geen klemmende reden om af te wijken van de hoofdregel dat de belastbare winst uit onderneming evenredig aan de kalendermaanden in het boekjaar wordt toegerekend.
2.3.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij is vastgesteld dat betrokkene over de maanden januari tot en met augustus 2012 geen recht heeft op een loonaanvullingsuitkering en appellant opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tevens heeft de rechtbank het verzoek van betrokkene om schadevergoeding afgewezen, appellant veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en bepaald dat appellant het door betrokkene betaalde griffierecht vergoed.
2.3.2.
De rechtbank heeft voor het juridisch kader verwezen naar het eerste lid, tweede lid en vijfde lid van artikel 60 van de Wet WIA en naar artikel 4:1 van het AIB. Zij heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene, uitgaande van de in artikel 4:1, eerste en vijfde lid, van het AIB voorgeschreven berekeningswijze van inkomen uit zelfstandige arbeid, over de maanden januari tot en met augustus 2012 niet aan de inkomenseis voldoet, maar dat ter beoordeling ligt of sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 4:1, negende lid, van het AIB. De rechtbank heeft overwogen dat in de rechtspraak geen steun is te vinden voor het standpunt van appellant dat slechts dan sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat indien betrokkene volledig buiten staat zou zijn geweest werkzaamheden als zelfstandige te verrichten. Zij heeft verder overwogen dat het begrip ‘kennelijk onredelijk resultaat’ restrictief dient te worden uitgelegd. Het moet gaan om een situatie waarin het aanstonds duidelijk is dat de gevolgde berekeningswijze leidt tot een resultaat dat, mede gelet op de doelstelling van de wet, niet is beoogd en onredelijk is. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank sprake. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zich in het geval van betrokkene de bijzonderheid heeft voorgedaan dat in de loop van 2012 de omzet en winst van haar werkzaamheden als zelfstandige sterk zijn gedaald en dat zij, indien die daling zich niet (in die mate) zou hebben voorgedaan, over alle maanden voldaan zou hebben aan de voor haar geldende inkomenseis. De rechtbank heeft verder meegewogen dat betrokkene die teruggang in inkomsten heeft opgevangen door daarnaast tevens werkzaamheden in loondienst te gaan verrichten. Daarmee heeft betrokkene naar het oordeel van de rechtbank gehandeld op een wijze die in overeenstemming is met de aan de Wet WIA ten grondslag liggende gedachte dat een betrokkene arbeid naar vermogen dient te verrichten. Indien de totaliteit van de inkomsten van betrokkene op jaarbasis gemiddeld zou worden, voldoet betrokkene over alle maanden aan de inkomenseis. Naar het oordeel van de rechtbank kan de wetgever niet beoogd hebben dat appellant, in een situatie als die van betrokkene, vasthoudt aan de berekeningswijze zoals voorgeschreven in artikel 4:1, eerste en vijfde lid, van het AIB. Het voorgaande heeft de rechtbank tot het oordeel gebracht dat in dit geval sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat en dat een andere verdeling van de genoten winst gerechtvaardigd is. De rechtbank volgt de verdeling zoals de arbeidsdeskundige Van Diepen in zijn rapport van 16 april 2014 heeft geadviseerd.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank. Appellant heeft over het beoordelingskader te kennen gegeven, dat in dit geding een onderscheid aangebracht moet worden tussen de periode van 1 januari 2012 tot 1 maart 2012, waarin artikel 6 van het Inkomensbesluit Wet WIA van toepassing is, en de periode van 1 maart 2012 tot 31 december 2012, waarin voor het vaststellen van het inkomen het AIB van toepassing is. Appellant heeft uiteengezet dat in het Inkomensbesluit Wet WIA geen bepalingen zijn opgenomen inzake het toerekenen van winst aan de maanden van het boekjaar, maar dat in de (vaste) rechtspraak van de Raad is aanvaard dat de winst in een boekjaar evenredig aan de maanden van het boekjaar wordt toegerekend. Wat betreft de periode na 1 maart 2012, stelt appellant zich op het standpunt dat het AIB geen ruimte biedt voor afwijking van het bepaalde in artikel 4:1, vijfde lid, van de AIB, in die zin dat voor de berekening van het inkomen de winst moet toegerekend worden aan de hand van het bij benadering vastgestelde aantal uren in een periode. Onder verwijzing naar de nota van toelichting bij het per 1 januari 2011 in werking getreden Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen (de voorloper van het Algemeen Inkomensbesluit) en de toelichting bij artikel 131 ‘Aanwijzingen voor regelgeving’, waarin is vermeld dat grote terughoudendheid betracht dient te worden bij het opnemen van hardheidsclausules, heeft appellant verder aangevoerd dat eerst sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat indien er een zeer bijzondere situatie aan de hand is en dat niet blijkt dat artikel 4:1, negende lid, van de AIB is bedoeld voor gevallen waarin het inkomen of de arbeidsomvang van een zelfstandige in de loop van een boekjaar fluctueert, waardoor gedurende een bepaalde termijn niet aan de inkomenseis wordt voldaan. Appellant acht mede van belang dat het inherent is aan het werk van een zelfstandige dat het inkomen en de arbeidsuren niet in elke maand gelijk zijn. Appellant heeft verder aangevoerd dat betrokkene kennelijk vóór september 2012 het inkomen uit het eigen bedrijf zag teruglopen en pas vanaf september 2012 heeft gezorgd voor een aanvulling op haar inkomsten en het volledig benutten van haar restcapaciteit. Appellant heeft tot slot verwezen naar een uitspraak van de Raad van 29 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:440.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.