Het Uwv heeft het bezwaar van appellante terecht kennelijk niet‑ontvankelijk verklaard. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat de brief van 8 december 2014 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en onderschrijft de overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd.
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
11 mei 2015, 15/935 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 15/6041 WIA, 16/363 WIA, 16/1626 WIA, 16/5962 WIA en 16/8095 WIA. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken gesplitst.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij brief van 8 december 2014 heeft het Uwv aan appellante onder meer meegedeeld:
“U ontvangt een WIA-uitkering van ons. Om een uitkering en eventuele toeslag te ontvangen, moet u ingeschreven staan in de basisregistratie personen van uw gemeente. Wij hebben gezien dat u niet staat ingeschreven. In deze brief leest u wat u moet doen om uw uitkering en eventuele toeslag te houden.
(…)
Schrijf u voor 19 januari 2015 in bij de gemeente. Heeft u zich na zes weken niet ingeschreven? Dan betalen wij uw uitkering niet.”.
1.2.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 8 december 2014. Bij besluit van 30 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante kennelijk niet‑ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van 8 december 2014 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de brief van 8 december 2014 niet gericht is op enig rechtsgevolg. De brief brengt geen wijziging in de bestaande rechtspositie van appellante, zodat deze niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb.
3.1.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat de brief van 8 december 2014 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en onderschrijft de overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd. Aan een bespreking van de opvatting van de, nader ter zitting toegelichte opvatting van appellante over de inhoud van de brief van het Uwv, wordt daarom niet toegekomen.
4.2.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2017.
(getekend) M. Greebe
(getekend) G.J. van Gendt
NW
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: