Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
27 maart 2015, 14/3128 (aangevallen uitspraak)
Namens appellante heeft mr. J.M. Lammers-Sigterman, advocaat, hoger beroep ingesteld en aanvullende stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 15/2420 WIA, 15/5722 en 16/30 WIA, 16/1915 ZW en 16/6538 ZW, plaatsgevonden op 15 februari 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Lammers-Sigterman, haar kantoorgenoot mr. J.P.M. van Zijl, drs. J.M.W.N. Derks, medisch adviseur, en R.M.J. Slijpen, directeur van Acture B.V. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.
OVERWEGINGEN
1.1.
Appellante is een uitzendorganisatie. Zij is eigenrisicodrager als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder h, van de Ziektewet (ZW). Voor de uitvoering van haar taken als eigenrisicodrager op grond van de artikelen 63a en volgende van de ZW laat zij zich bijstaan door Acture.
1.2.
Op 3 oktober 2011 is [naam werkneemster] (werkneemster) bij appellante in dienst getreden. Werkneemster heeft zich op 24 oktober 2011 ziek gemeld. Op grond van de toepasselijke CAO is haar arbeidsovereenkomst met appellante als gevolg van haar ziekmelding geëindigd. Appellante heeft werkneemster ziekengeld betaald.
1.3.
Op 22 juli 2013 heeft werkneemster het Uwv verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.4.
In het kader van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen heeft het Uwv appellante bij brief van 27 augustus 2013 verzocht ontbrekende gegevens in te zenden. Bij besluit van 2 september 2013 heeft het Uwv aan appellante een zogenoemde administratieve loonsanctie opgelegd tot 20 oktober 2014, omdat de gevraagde informatie niet was ontvangen. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt.
1.5.
Nadat appellante alsnog aanvullende gegevens had ingezonden, heeft medisch en arbeidskundig onderzoek door het Uwv geleid tot een besluit van 25 november 2013, waarbij is vastgesteld dat appellante niet voldoende heeft gedaan om werkneemster te re-integreren. Het Uwv heeft bepaald dat appellante, zoals al was beslist op 2 september 2013, aan werkneemster loon moet doorbetalen tot 20 oktober 2014. Het besluit verwijst voor de wijze waarop appellante haar tekortkoming alsnog kan herstellen naar een rapport van een arbeidsdeskundige van 21 november 2013.
1.6.
Appellante heeft tegen het besluit van 25 november 2013 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 april 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn beslissing om appellante een loonsanctie op te leggen gehandhaafd.
2.1.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft, evenals in bezwaar, onder meer aangevoerd dat het tijdvak van verlenging van haar verplichting om werknemer ziekengeld te betalen onjuist is vastgesteld, omdat werkneemster voorafgaande aan haar indiensttreding bij appellante reeds ziek was en de ziekengeldsanctie dus te laat is opgelegd.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beroepsgronden zich niet richten tegen het standpunt van het Uwv dat appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Over de vraag of het Uwv tijdig een loonsanctie aan appellante heeft opgelegd, heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht is uitgegaan van 24 oktober 2011 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag en het einde van de wachttijd op grond van artikel 23 van de
Wet WIA juist heeft vastgesteld op 20 oktober 2013.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep haar opvatting herhaald dat werkneemster ten tijde van haar indiensttreding bij haar op 3 oktober 2011 al arbeidsongeschikt was. Appellante heeft al bij de ziekteaangifte vermeld dat er een eerdere arbeidsongeschiktheidsdag was, zoals ook blijkt uit andere ingebrachte gegevens, en dat sprake was van een ketenmelding. De ziekengeldsanctie is dus niet voor het einde van de wachttijd opgelegd.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Vooraf wordt opgemerkt dat in de aangevallen uitspraak en de gedingstukken herhaaldelijk wordt vermeld dat sprake zou zijn van een loonsanctie, inhoudende de verplichting van appellante om het loon door te betalen. Uit 1.1 en volgende blijkt dat in dit geding aan de orde is een zogenoemde ziekengeldsanctie als bedoeld in artikel 26 van de
Wet WIA. In het vervolg van deze uitspraak wordt daarvan uitgegaan.
4.2.1.
In artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, is bepaald:
“Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde (….) re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.”
4.2.2.
In artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv de loonsanctie van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA en de ziekengeldsanctie van artikel 26, tweede lid, van de Wet WIA niet kan opleggen als de beschikking tot verlenging van de betalingsverplichting van de (ex-)werkgever niet kan worden gegeven voor het einde van de wachttijd van artikel 23 van de Wet WIA.
4.2.3.
De wachttijd is op grond van artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA 104 weken. Als eerste dag van de wachttijd geldt op grond van het tweede lid van dit artikel de eerste werkdag al dan niet in een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. In het artikel zijn verder regels gegeven voor een zogenoemde samengestelde wachttijd, indien ziekteperioden elkaar binnen vier weken opvolgen, en voor een verkorte wachttijd.
4.2.4.
In artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA is bepaald:
“Indien de werkgever na toepassing van het negende lid van mening is dat hij zijn tekortkoming van de in het negende lid bedoelde verplichtingen of
re-integratie-inspanningen heeft hersteld, meldt hij dit aan het Uwv, waarbij hij aantoont dat hij de tekortkoming heeft hersteld.”
4.2.5.
In artikel 25, dertiende tot en met vijftiende lid, van de Wet WIA zijn regels gegeven voor de beslissing van het Uwv op een zogenoemd bekortingsverzoek van de werkgever en voor de bepaling van resterende duur van de loonsanctie.
4.2.6.
In artikel 26, tweede lid, van de Wet WIA is bepaald:
“In afwijking van het eerste lid is artikel 25, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid, van overeenkomstige toepassing op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet ten aanzien van de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de eigenrisicodrager, bedoeld in de eerste zin, zonder deugdelijke grond de uit die zin voortvloeiende verplichtingen niet of niet volledig nakomt of onvoldoende
re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de persoon, bedoeld in de eerste zin recht op ziekengeld heeft op grond van artikel 29 van de Ziektewet, opdat de eigenrisicodrager zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging, bedoeld in de tweede zin, is ten hoogste 52 weken. Artikel 25, tiende tot en met zestiende lid, is van overeenkomstige toepassing.”
4.3
Wat appellante heeft aangevoerd kan niet tot aantasting van de aangevallen uitspraak leiden. Anders dan in de overige in het procesverloop genoemde, gevoegd behandelde, zaken, is in dit geding geen besluit tot het opleggen van een ziekengeldsanctie aan de orde. Het besluit tot opleggen van die sanctie was al op 20 oktober 2013 genomen en is door appellante niet aangevochten. Met dat besluit is een ziekengeldsanctie opgelegd tot 20 oktober 2014. Gelet op het samenstel van bepalingen, zoals hiervoor weergegeven in 4.2.1 tot en met 4.2.6 betekent dit, dat in het besluit van 20 oktober 2013 de wachttijd als bedoeld in artikel 23 van de Wet WIA reeds is bepaald, met inbegrip van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
4.4.
Zoals uit de uitspraak van de Raad van 11 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:810) kan worden afgeleid, behoort bij een niet aangevochten loonsanctiebesluit ervan te worden uitgegaan dat een zodanig besluit formele rechtskracht heeft gekregen. Niet valt in te zien dat daarover bij een ziekengeldsanctie anders moet worden geoordeeld. Daarbij komt, zoals de Raad eveneens eerder heeft geoordeeld in bijvoorbeeld de uitspraak van 23 februari 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP5702), dat artikel 25, negende lid, van de Wet WIA voorziet in het opleggen van een loonsanctie en de wetgever in artikel 25, twaalfde, dertiende en veertiende lid, heeft voorzien in een afzonderlijke regeling voor de bekorting van de loonsanctie. Het betreft hier twee te onderscheiden procedures. Dat geldt, gelet op het in 4.2.6 genoemde artikel 26, tweede lid, van de Wet WIA, eveneens voor een ziekengeldsanctie en een verzoek om bekorting daarvan als hier aan de orde.
4.5.
Het bestreden besluit heeft uitsluitend als onderwerp of de opgelegde sanctie kan worden bekort. Nu in hoger beroep slechts de juistheid van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag aan de orde is gesteld en geen andere gronden tegen de weigering om de sanctie te bekorten zijn aangevoerd, volgt uit wat in 4.2.1 tot en met 4.4 is overwogen dat het hoger beroep niet tot aantasting van de aangevallen uitspraak kan leiden. Overige, met de betwisting van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van werkneemster samenhangende, aspecten behoeven in deze zaak geen verdere bespreking. Gelet hierop behoeft ook de aangevallen uitspraak geen verdere bespreking en zal deze, met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen, worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2017.
(getekend) J.W.L. van der Loo