2.2.
Bij besluit van 25 november 2013 heeft het Uwv aan appellant met ingang van
31 oktober 2013 een zogeheten IVA-uitkering toegekend vanwege volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Op grond van artikel 94, derde lid, van het Barp kan een ontslag op grond van
artikel 94, eerste lid, aanhef en onder e, van het Barp slechts plaatsvinden als (a) sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar, (b) herstel van die ziekte niet binnen een periode van zes maanden na voornoemde termijn van twee jaar is te verwachten en (c) na een zorgvuldig onderzoek is gebleken dat binnen het gezagsbereik van het bevoegd gezag of bij een andere werkgever geen passende arbeid voorhanden is.
4.1.2.
Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 3 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1936) moet de beoordeling door het bevoegd gezag van de mogelijkheid van duurzame re-integratie bezien worden vanuit de situatie kort voor of ten tijde van de ontslagverlening en zien op een redelijke termijn daarna.
4.1.3.
Ingevolge artikel 94, negende en tiende lid, van het Barp wordt bij de beoordeling van het in 4.1.1 onder a en b gestelde de besluitvorming op grond van de Wet WIA betrokken.
4.1.4.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat de korpschef ten onrechte is uitgegaan van 3 augustus 2006 als eerste ziektedag. Dit betoog slaagt niet. De Raad onderschrijft wat de rechtbank in dit verband heeft overwogen. In het bijzonder heeft de rechtbank terecht betekenis gehecht aan het gegeven dat appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het in 1.3 genoemde besluit van het Uwv van 29 januari 2010, in welk besluit expliciet is uitgegaan van 3 augustus 2006 als eerste ziektedag. Appellant heeft nog naar voren gebracht dat het feit dat hij op 3 augustus 2006 niet meer werkzaam was als hondengeleider niet te maken had met zijn ziekte maar met het overlijden van zijn hond. De korpschef heeft dit uitdrukkelijk betwist onder verwijzing naar de door het Uwv vastgestelde eerste ziektedag en de daaraan ten grondslag liggende stukken. Nu appellant zijn stelling niet nader heeft onderbouwd en de gedingstukken hiervoor evenmin aanknopingspunten bieden, is er geen grond om aan te nemen dat de korpschef bij de besluitvorming inzake het ontslag van onjuiste feiten is uitgegaan.
4.1.5.
Uit 4.1.4 vloeit voort dat is voldaan aan het in artikel 94, derde lid, aanhef en onder a, van het Barp neergelegde vereiste dat sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar.
4.1.6.
Vervolgens is de vraag aan de orde of bij appellant herstel van zijn ziekte viel te verwachten binnen een periode van zes maanden.
4.1.7.
Bij het in 1.4 genoemde besluit van het Uwv is aan appellant - na een periode van verlengde loondoorbetaling - per datum einde wachttijd, met ingang van 30 juli 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
35 tot 80%. Bij een herbeoordeling op 13 maart 2011 heeft het Uwv appellant op medische gronden 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht in verband met een ziekenhuisopname. Bij een herbeoordeling op 17 januari 2012 heeft het Uwv appellant - onveranderd - op medische gronden volledig arbeidsongeschikt geacht in verband met “status na operatie”. Bij brief van
7 augustus 2012 heeft de bedrijfsarts verklaard dat appellant nog steeds op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is en dat het opstarten van de re-integratie zowel binnen de organisatie als bij een andere werkgever op dit moment nutteloos is. Gelet op de voorhanden zijnde informatie ten tijde van het ontslag, de omstandigheid dat appellant op dat moment meer dan zes jaar onafgebroken arbeidsongeschikt was voor het verrichten van zijn functie en appellant bovendien vanaf 13 maart 2011 volledig arbeidsongeschikt was, acht de Raad voldoende grond aanwezig voor het oordeel dat op de datum van het ontslag geen zicht was op herstel van de ziekte binnen een periode van zes maanden en hoefde de korpschef, anders dan appellant heeft aangevoerd, geen nader deskundigenoordeel te vragen. Overigens komt ook uit de nadien opgemaakte rapportages van het Uwv geen ander beeld naar voren. In de rapportages van 7 november 2013 en 20 november 2013, die ten grondslag lagen aan de toekenning van de IVA-uitkering aan appellant per 31 oktober 2013, heeft de verzekeringsarts in het kader van de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen zijn inschatting gegeven dat verbetering van de belastbaarheid van appellant in het komende jaar niet of nauwelijks is te verwachten en heeft hij de verwachting uitgesproken dat ook na 2014 de kans op verbetering van de belastbaarheid van appellant gering zal zijn.
4.1.8.
Rest de vraag of is voldaan aan het derde, in 4.1.1 beschreven vereiste. De korpschef heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat serieus is getracht om appellant te
re-integreren in een passende functie, maar dat dit, mede door de toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant vanaf 13 maart 2011, onmogelijk is gebleken. De gedingstukken laten zien dat de korpschef binnen de eigen organisatie heeft gezocht naar mogelijkheden om passend werk voor appellant te vinden, waarbij onder meer een (inkijk)stage en proefplaatsingen zijn beproefd en een mensfunctie is gecreëerd. Ten tijde van het ontslag was appellant reeds geruime tijd volledig arbeidsongeschikt. De Raad ziet geen reden om de herplaatsingsinspanningen van de korpschef als onvoldoende aan te merken en onderschrijft de conclusie van de korpschef dat geen passende herplaatsingsmogelijkheden aanwezig waren.
4.1.9.
Uit 4.1.4 tot en met 4.1.8 volgt dat ten tijde van de ontslagdatum aan de onder 4.1.1 omschreven vereisten was voldaan. Wat appellant heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot het oordeel gebracht dat de korpschef niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid.
4.2.1.
Wat betreft de verlofuren heeft appellant verwezen naar wat hij heeft aangevoerd in zijn hoger beroep in de zaak 13/3196 AW.
4.2.2.
In zijn uitspraak van heden in de zaak 13/3196 AW heeft de Raad geoordeeld dat de door appellant aangevoerde beroepsgronden op dit punt niet slagen. De Raad volstaat hier met een verwijzing naar die uitspraak.
De afwijzing van aansprakelijkheid
4.3.1.
Blijkens het verzoek van appellant van 17 oktober 2012 had hij het oog op andere schade dan die waarop de rechtspositionele voorschriften zien. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 22 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3475) betekent dit dat de korpschef niet gehouden was in het kader van dit verzoek mogelijke rechtspositionele aanspraken te beoordelen.
4.3.2.
Uit het verzoek van appellant blijkt verder dat hij met zijn verzoek uitsluitend het oog had op de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het hem op 8 mei 1995 overkomen dienstongeval. Dit leidt ertoe dat de door appellant - beweerdelijk - geleden schade als gevolg van andere incidenten buiten de omvang van het geding valt.
4.3.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2675) zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar. Zowel bij aanspraken op grond van een rechtspositioneel voorschrift als bij een aansprakelijkstelling voor geleden schade begint deze verjaringstermijn op het moment waarop de ambtenaar met betrekking tot de desbetreffende rechtspositionele aanspraak dan wel zijn schade in actie had kunnen komen.
4.3.4.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraken van 9 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1129 en ECLI:NL:CRVB:2015:1139) bestaat aanleiding om bij de beoordeling van de vraag wanneer de ambtenaar in actie had kunnen komen uit een oogpunt van eenvormige rechtstoepassing aansluiting te zoeken bij de verjaringsbepalingen in het BW en de uitleg die de Hoge Raad daaraan geeft. Bij een aansprakelijkstelling voor geleden schade gaat het dan in het bijzonder om artikel 3:310 van het BW dat betrekking heeft op rechtsvorderingen tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad.
4.3.5.
Ingevolge artikel 3:310, eerste lid, van het BW, voor zover van belang, verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op de datum waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon of instantie bekend is geworden. De woorden “bekend is geworden” in voormeld artikel moeten worden verstaan in de betekenis van: daadwerkelijke bekendheid met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat.
4.3.6.
Het betoog van appellant dat zijn aanspraak niet is verjaard, slaagt niet. Appellant heeft aangevoerd dat de schade waarvoor hij de korpschef aansprakelijk stelt, ontstaan is als gevolg van een ongeval op 8 mei 1995. Dit ongeval is aangemerkt als dienstongeval. Uit 1.2 volgt dat appellant in april 2000 reeds bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke instantie. Toen appellant bij brief van 17 oktober 2012 de korpschef - opnieuw - aansprakelijk stelde, was de termijn van vijf jaar al geruime tijd verstreken. Dit betekent dat de financiële aanspraak van appellant is verjaard.
4.3.7.
Appellant heeft nog betoogd dat een deel van de schade pas later is opgekomen, zodat zijn aanspraak op deze schade niet is verjaard. Dit betoog slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2438) is voor het gaan lopen van de verjaringstermijn niet vereist dat de ambtenaar bekend is met alle componenten van of de gehele omvang van zijn schade als gevolg van het tekortschietend of foutief handelen van het bestuursorgaan. Voldoende is dat de ambtenaar bekend is geworden met schade die hij heeft geleden als gevolg van dat handelen. Die bekendheid stelt hem immers in staat het bestuursorgaan aansprakelijk te stellen.