1.3.
Bij besluit van 13 december 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 mei 2012 (bestreden besluit), heeft de korpschef aan appellant bericht in te stemmen met dit verzoek, met dien verstande dat hij maximaal 152 (4 x 38) vakantie-uren mag meenemen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit
- voor zover hier van belang - ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de korpschef gebruik heeft gemaakt van zijn, ingevolge artikel 23, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) gegeven bevoegdheid om, in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 20 januari 2009 in de zaak Schultz-Hoff e.a., C-350/06 en C 520/06, NJ 2009, 252, af te wijken van artikel 23, eerste lid, van het Barp. Het overhevelen van 152 vakantie-uren naar 2012 acht de rechtbank niet in strijd met artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (Richtlijn 2003/88/EG). Uit de door appellant aangehaalde arresten van het Hof kan niet worden afgeleid dat de korpschef de verplichting heeft om meer dan 152 uren over te hevelen. In het feit dat het voorafgaande jaar een saldo van 123,03 uren is overgeheveld, ziet de rechtbank geen verplichting om deze uren ook nog over te hevelen. De rechtbank stelt in dit verband vast dat de korpschef ten voordele van appellant de reeds opgenomen vakantiedagen - op 6 januari 2011 en van 21 februari 2011 tot en met 8 maart 2011 - niet op de 152 uren in mindering heeft gebracht. De rechtbank komt tot de conclusie dat de korpschef in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om 152 vakantie-uren naar 2012 over te hevelen.
3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht komt de Raad tot de volgende beoordeling.
3.1.
Ingevolge artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de buitengrens van de omvang van het geding bepaald door de inhoud van het bestreden besluit. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden betreffende de vakantie-uren van appellant over de jaren 2006 tot 2010 buiten de omvang van dit geding vallen. In hoger beroep ligt daarom uitsluitend de vraag voor of de korpschef het aantal in 2011 niet opgenomen vakantie-uren dat wordt overgeheveld naar 2012 tot 152 heeft mogen beperken.
3.2.
Evenals de rechtbank, beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. Hij onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en maakt de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. Hieraan wordt nog het volgende toegevoegd.
3.3.
De korpschef heeft met toepassing van artikel 23, tweede lid, van het Barp meer
vakantie-uren overgeheveld dan waarop appellant op grond van het eerste lid aanspraak maakte. Dat de korpschef 152 uur heeft overgeheveld, houdt verband met artikel 7 van Richtlijn 2003/88/EG. Appellant heeft geen wettelijke bepaling aangewezen op grond waarvan hij aanspraak maakt op overheveling van meer dan 152 uur.
3.4.
Appellant wordt evenmin gevolgd in zijn betoog dat de besluitvorming onzorgvuldig is, omdat de korpschef geen onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen voor appellant van zijn langdurige ziekteperiode en de mogelijkheid om vakantie op te nemen. Nu de korpschef toepassing heeft gegeven aan artikel 23, tweede lid, van het Barp en in overeenstemming met Richtlijn 2003/88/EG heeft gehandeld, kan niet worden gezegd dat met deze gevolgen in onvoldoende mate rekening is gehouden.
3.5.
Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Hiervoor is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging is gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt
dat aan hem een dergelijke toezegging over het overhevelen van meer dan 152 vakantie-uren is gedaan.