Ontslagverlening omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en/of als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking. Dit impliceert dat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit duidelijk moet zijn dat herplaatsing binnen de organisatie niet mogelijk is of dat van verdere inspanningen daartoe geen resultaat te verwachten is. Geen aanspraak op een compensatie (“plus”) bovenop de uitkering.
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
4 september 2017, 17/150 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van bestuur van de Universiteit Utrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.W. Wijers hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wijers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P. Vlugter, M. Mourits, P. Voogt en R. van Griensven.
OVERWEGINGEN
1.1.
Appellante is sinds 16 juni 2001 aangesteld bij de Universiteit Utrecht, laatstelijk
in de functie van [naam functie] (projectleider niveau 2) bij het [afdeling 1] ([A]). Op 1 februari 2013 is V de leidinggevende
van appellante geworden. Op 22 maart 2013 heeft appellante zich ziekgemeld. Op
30 september 2014 is zij weer in haar eigen functie aan het werk gegaan. In 2013 en 2014 hebben er gesprekken tussen appellante en V plaatsgevonden om te werken aan herstel van vertrouwen. Op 23 januari 2015 heeft appellante zich opnieuw ziek gemeld. Naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts van 28 januari 2015 hebben er mediationgesprekken plaatsgevonden tussen appellante en M, de directeur van het [A]. Als resultaat van deze gesprekken hebben partijen op 1 september 2015 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin is vastgelegd dat tussen partijen een verstoring in de arbeidsrelatie is ontstaan die zij willen oplossen door mediation. In de overeenkomst zijn afspraken vastgelegd over de
re-integratie op korte termijn door middel van tijdelijke werkzaamheden, over duurzame
re-integratie en over een loopbaantraject. Appellante heeft zich, in overleg met de bedrijfsarts, met ingang van 12 mei 2016 beter gemeld.
1.2.
Na een voornemen daartoe, waarop appellante haar zienswijze heeft gegeven, heeft
het college appellante bij besluit van 29 juni 2016 ontslag verleend op grond van artikel 8.4 van de Collectieve arbeidsovereenkomst Nederlandse Universiteiten (CAO NU) wegens
een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie. Het ontslag is verleend met ingang van
1 oktober 2016.
1.3.
Bij besluit van 5 december 2016 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van
29 juni 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de CAO NU kan de werkgever, tenzij er sprake is van een opzegverbod zoals genoemd in artikel 8.7, het dienstverband uitsluitend beëindigen indien er sprake is van een redelijke grond.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2947) kan de door het college gehanteerde ontslaggrond (“ontslag op een redelijke grond”) worden toegepast als voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd, omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en/of als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking. Dit impliceert dat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit duidelijk moet zijn dat herplaatsing binnen de organisatie niet mogelijk is of dat van verdere inspanningen daartoe geen resultaat te verwachten is.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat voorafgaande aan de mediation sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding en dat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit in ieder geval de arbeidsverhouding tussen appellante en V nog steeds verstoord was. Appellante heeft ter zitting bevestigd dat met de vaststellingsovereenkomst geen terugkeer in de eigen functie is beoogd, maar dat deze was gericht op re-integratie in een andere functie binnen of buiten de Universiteit Utrecht, mede gelet op de verstoorde arbeidsverhouding met V. Desgevraagd heeft het college toegelicht dat in de overeenkomst is opgenomen dat de inspanningsverplichting voortduurt tot het herstel van appellante dan wel het einde van de wachttijd, omdat tijdens de mediation tussen partijen geen overeenstemming is bereikt over
de duur van de inspanningen in het kader van duurzame re-integratie en het college het ongewenst achtte een regeling met een open einde te treffen.
4.4.
Appellante heeft aangevoerd dat er met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is vastgesteld dat er een voldoende basis bestond voor verdere samenwerking en dat reeds daarom ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit geen sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding, in ieder geval niet in zodanige mate dat van het college voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet langer kon worden gevergd. Dit betoog wordt niet gevolgd. Uit een e-mailbericht van 3 mei 2016 van de HR-adviseur blijkt dat in het laatste gesprek over de re-integratie van appellante is geconstateerd dat de relatie tussen M en appellante zodanig is dat deze niet een goede basis is voor het verdere traject en dat dit verstorend werkt in het proces van re-integratie. Om die reden is ervoor gekozen een externe casemanager te zoeken voor de verdere begeleiding van het re-integratietraject in plaats van M. Verder heeft appellante tijdens een sollicitatiegesprek op 15 juni 2016 voor een functie
bij [afdeling 2], dat deel uitmaakt van het [A], te kennen gegeven dat de werkgever de gemaakte afspraken niet nakomt, dat zij geen hiërarchische relatie wil hebben met V en dat zij niet door M wil worden beoordeeld. Ter zitting heeft appellante dit laatste genuanceerd. Naar haar zeggen heeft zij opgemerkt dat zij goed zou kunnen samenwerken met M, zolang M haar beoordeling van appellantes functioneren zou baseren op eigen ervaringen en niet op een ongefundeerde en negatieve beoordeling door V. De Raad leidt uit een en ander af dat appellante, wat ook de precieze door haar gebruikte bewoordingen zijn geweest, een nadrukkelijk voorbehoud heeft gemaakt wat betreft een eventuele samenwerking met M. Daarmee heeft zij blijk gegeven van een gebrek aan vertrouwen in M en in de werkgever. Naar het oordeel van de Raad mocht het college uit al het voorgaande afleiden dat het niet was gelukt het conflict op te lossen en dat nog steeds sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie.
4.5.
Het betoog van appellante dat herplaatsing elders binnen de organisatie nog mogelijk was en het college daartoe onvoldoende inspanningen heeft verricht, wordt evenmin gevolgd. Uit het door het college overgelegde overzicht blijkt dat zich vanaf 1 september 2015, afgezien van de functie waarop appellante vergeefs heeft gesolliciteerd, geen passende vacatures binnen de Universiteit Utrecht hebben voorgedaan. Verder heeft appellante een loopbaantraject naar keuze gevolgd en is appellante na haar hersteldmelding nog aangemeld bij het re-integratiecentrum van de Universiteit Utrecht, Work2Work.
4.6.
Gelet op wat in 4.4 en 4.5 is overwogen onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat in dit geval sprake is van een situatie als onder 4.2 bedoeld. Het college was daarom bevoegd om appellante met toepassing van artikel 8.4 van de CAO NU ontslag te verlenen.
4.7.
Tot slot heeft appellante aangevoerd dat zij aanspraak maakt op een compensatie (“plus”) bovenop de uitkering waarop zij in verband met haar ontslag recht heeft. Hiertoe heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het college onvoldoende inspanningen heeft verricht om tot herplaatsing te komen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraken van 28 februari 2013 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043) is voor een dergelijke compensatie in het algemeen slechts aanleiding als het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. Uit 4.5 volgt dat aan deze voorwaarde niet is voldaan.
4.8.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en K.J. Kraan en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2018.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) A.M. Pasmans
LO
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: