Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.E.H.M. van Dongen, bijgestaan door mr. Wouterse. Werknemer is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1.1.
Werknemer was bij betrokkene werkzaam als chauffeur voor gemiddeld 42,34 uur per week. Hij is op 5 maart 2010 uitgevallen wegens ziekte. Vanaf eind 2010 heeft werknemer zijn werkzaamheden gedeeltelijk hervat en uitgebreid. Op zijn aanvraag om hem in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant bij besluit van 12 januari 2012 afwijzend beslist op de grond dat werknemer na afloop van de wettelijke wachttijd van 104 weken op
2 maart 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Werknemer was op dat moment vier dagen per week werkzaam en op woensdagen vrij.
1.2.
Met een op 13 oktober 2014 door appellant ontvangen formulier heeft werknemer melding gemaakt van een sinds 16 januari 2014 bestaande volledige arbeidsongeschiktheid en heeft hij opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd. Een verzekeringsarts van appellant heeft werknemer op 6 november 2014 op het spreekuur gezien en geconcludeerd dat er vanaf
16 januari 2014 sprake was van geen benutbare mogelijkheden als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak. Bij besluit van 18 november 2014 heeft appellant vastgesteld dat werknemer met ingang van 16 januari 2014 in aanmerking komt voor een loongerelateerde
WGA-uitkering. Daarbij is het maandelijks aan uitkering te betalen bedrag, na aftrek van het door werknemer ontvangen maandinkomen, gesteld op € 403,62 bruto.
1.3.
Betrokkene heeft tegen het besluit van 18 november 2014 bezwaar gemaakt. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het maandloon niet met de WIA-uitkering mag worden verrekend, omdat werknemer na zijn eerdere arbeidsongeschiktheidsperiode van 104 weken in dezelfde functie is blijven werken waardoor geen sprake is van nieuw bedongen arbeid. Bij besluit van 30 april 2015 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Volgens appellant is voor betrokkene op 16 januari 2014 een nieuwe loondoorbetalingsverplichting ontstaan op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW), omdat werknemer na zijn vorige uitval in andere arbeid of voor minder uren in zijn eigen arbeid is blijven werken.
2. Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 18 november 2014 herroepen en bepaald dat de loonaanspraak van werknemer niet in mindering wordt gebracht op de toegekende WIA-uitkering. De rechtbank heeft haar uitspraak in de plaats gesteld van het vernietigde bestreden besluit, het verzoek om schadevergoeding toegewezen en bepalingen gegeven inzake proceskostenvergoeding en griffierecht. Met verwijzing naar uitspraken van de Raad van 19 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:880) en 21 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1747) heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene op 16 januari 2014 niet opnieuw de verplichting heeft om gedurende 104 weken loon door te betalen, omdat uit het geheel van feiten en omstandigheden niet volgt dat sprake is van wijziging van de bedongen arbeid.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep opnieuw betoogd dat de bedongen arbeid van werknemer wel is gewijzigd.
3.2.
Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 61, eerste lid, van de Wet WIA is geregeld op welke wijze en met medeneming van welke factoren de loongerelateerde WGA-uitkering per kalendermaand moet worden berekend. Onderdeel van die berekening is het inkomen van een werknemer per kalendermaand (B-factor). Niet in geschil is dat werknemer vanaf 16 januari 2014 een bedrag van € 2.087,07 per maand aan loon heeft ontvangen. Ook niet in geschil is dat het
WIA-maandloon € 2.668,29 bedraagt. Dit leidt tot een uitkering van € 403,62 bruto per maand.
4.2.
De vraag die partijen verdeeld houdt, is of appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene op grond van artikel 7:629 van het BW na de hernieuwde uitval in 2014 tot loonbetaling aan werknemer gehouden was.
4.3.
Op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op loondoorbetaling, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van (onder meer) ziekte daartoe verhinderd was. Op grond van artikel 7:629, vijfde lid, van het BW wordt het loon verminderd met het bedrag van de uitkering die de werknemer toekomt krachtens een verzekering of uit een fonds, voor zover die uitkering betrekking heeft op de bedongen arbeid waaruit het loon wordt genoten.
4.4.
In zijn uitspraak van 21 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1757) heeft de Raad onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2011 (Kummeling/Oskam, ECLI:NL:HR:2011:BQ8134) overwogen dat in een geval als dat van betrokkene, waarin sprake is van re-integratie van een werknemer in het bedrijf van de werkgever, voor het ontstaan van een nieuwe loondoorbetalingsplicht van de werkgever bepalend is of de (passende) werkzaamheden die de werknemer als gevolg van de re-integratie is gaan verrichten, moeten worden aangemerkt als nieuw bedongen arbeid. Of met re-integratieafspraken tussen de werkgever en de werknemer over de te verrichten (passende) werkzaamheden, betrekking hebbend op aard, inhoud of duur ervan, de bedongen arbeid is gewijzigd, moet worden bepaald met de maatstaf die volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 13 maart 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4158) en 5 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY8101) ongeacht of die afspraken mondeling of schriftelijk zijn gemaakt.
4.5.
Uit de uitspraak van 9 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:58) blijkt dat uit het arrest Kummeling/Oskam eveneens volgt dat voor de werkgever bij de nieuwe uitval van de werknemer geen nieuwe loondoorbetalingsplicht ontstaat als de werknemer na afloop van de wachttijd passende werkzaamheden is blijven verrichten en na afloop van de wachttijd in de eigen arbeid niet volledig is hervat. In de situatie die in de uitspraak van 9 januari 2017 is beoordeeld, heeft de Raad overwogen dat bij het einde van de wachttijd aan de periode van re-integratie een einde was gekomen en de werknemer hersteld was gemeld. Geoordeeld is dat uit artikel 7:629 van het BW in het geval van ziekte van de werknemer in verband met het tiende lid van dat artikel na een periode van hervatting van meer dan vier weken dan een nieuwe loondoorbetalingsperiode van 104 weken voortvloeit.
4.6.
Appellant heeft in zijn hogerberoepschrift het volgende naar voren gebracht:
“Weliswaar ontbreekt in het dossier een gewijzigde schriftelijke overeenkomst, maar zoals uw Raad in voornoemde uitspraak (lees: van 21 mei 2014) heeft overwogen kunnen er ook mondelinge afspraken worden gemaakt om de bedongen arbeid te wijzigen. Zoals uit het dossier blijkt, is werknemer al gedurende 3 jaar 4 dagen per week à 9 uren per dag werkzaam waarbij de woensdag als “rustdag” werd aangehouden. Over een dergelijke wijziging in arbeidstijden en arbeidsomvang zullen ongetwijfeld afspraken zijn gemaakt tussen werkgeefster en werknemer. Deze wijziging zal ongetwijfeld ook een gezamenlijke keuze van werkgeefster en werknemer zijn geweest en ook blijkt dat zij zich overeenkomstig de gewijzigde situatie bestendig hebben gedragen. Daarnaast moet werknemer hebben geweten dat aan deze wijziging rechtspositionele consequenties waren verbonden. Hierop is hij door de arbeidsdeskundige gewezen (zie de rapportage van 11 januari 2012, gedingstuk 8, pagina 5 onder “Huidige situatie”). Voor zover werknemer zich niet door werkgeefster heeft laten voorlichten, kan dit het Uwv niet worden verweten, maar komt dit voor rekening en risico van werknemer. Op grond van vorenstaande zijn wij van mening dat er wel sprake is van een weloverwogen, gezamenlijke keuze van werkgeefster en werknemer tot wijziging van de bedongen arbeid.”
4.7.
Appellant wordt niet in zijn standpunt gevolgd. Zoals uit het citaat blijkt, heeft appellant slechts volstaan met de veronderstelling dat betrokkene en werknemer afspraken hebben gemaakt over de arbeidstijd en arbeidsomvang en deze afspraken op een gezamenlijke keuze van beide partijen berusten. Behoudens de genoemde aannames in het weergegeven citaat uit het hoger beroepschrift heeft appellant niet met concrete gegevens onderbouwd dat partijen zich overeenkomstig de gewijzigde situatie bestendig hebben gedragen en daarom aangenomen moet worden dat de bedongen arbeid is gewijzigd. In het door appellant genoemde arbeidskundige rapport van 11 januari 2012 staat op pagina 5 onder het kopje Huidige situatie:
“Hij werkt vanaf 01-03-2011 gedurende 4 dagen per week in eigen werk; dit op wisselende dagen per week. Vanaf 01-03-2011 is hij voor 80% beter gemeld. Afhankelijk hoe het hem gaat zal hij dit proberen uit te breiden; hij realiseert zich dat sprake zal kunnen zijn van loonachteruitgang indien hij 4 dagen per week blijft werken. Hij zal dit verder bespreken met werkgever.”
Daargelaten wordt de vraag welke betekenis zou moeten worden toegekend aan het wijzen door een arbeidsdeskundige op rechtspositionele consequenties voor de vaststelling van een gezamenlijke keuze van werkgever en werknemer. Uit het rapport van 11 januari 2012 volgt dat het onderzoek naar de bedongen arbeid beperkt is gebleven tot een gesprek dat de arbeidsdeskundige met werknemer heeft gehad en dat vanaf 1 maart 2011 de werkzaamheden nog als passende werkzaamheden werden beschouwd. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting erkend dat het aan hem is de ingenomen stelling dat deze passende werkzaamheden per 2 maart 2012 als gewijzigde bedongen arbeid kunnen worden beschouwd van onderbouwing te voorzien. Geoordeeld wordt dat met wat de arbeidsdeskundige in zijn rapport heeft neergelegd geen inzicht is verkregen in de afspraken die betrokkene en werknemer expliciet, dan wel meer impliciet, hebben gemaakt over een nadere invulling van hun arbeidsrelatie.
5. Uit wat in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van wijziging van de bedongen arbeid. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Er is aanleiding appellant te veroordelen in de door betrokkene in hoger beroep wegens rechtsbijstand gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.002,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1002,-;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 497,-.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2018.