18 3540 AW, 18/3609 AW, 18/3861 AW
Datum uitspraak: 2 mei 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
18 mei 2018, 17/3941 en 17/6879 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade.
Namens de staatssecretaris heeft mr. M.C. Nijholt een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft nadere stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2019. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Nijholt.
OVERWEGINGEN
1.1.
Appellant was sinds 2001 werkzaam bij de Belastingdienst, laatstelijk in de functie van [functie] bij het segment [segment] op het kantoor [gemeente] . Appellant heeft zich op 24 augustus 2016 vanwege burn-out klachten ziek gemeld.
1.2.
Op 7 oktober 2016 heeft appellant de definitieve vaststellingsovereenkomst getekend waarin hij heeft gekozen voor vrijwillig ontslag met ingang van 1 augustus 2018 met gebruikmaking van een stimuleringspremie ter hoogte van € 36.840,80 bruto.
1.3.
Op 23 september 2016 is appellant door de bedrijfsarts gezien, waarna deze appellant onder meer heeft geadviseerd regelmatig contact met zijn werkgever te houden om zo de terugkeerdrempel laag te houden. Naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts van 8 november 2016 heeft de staatssecretaris appellant per brief uitgenodigd voor een gesprek op 28 november 2016 met de re-integratiemanager en zijn toenmalige leidinggevende. Appellant heeft bij e-mail van 26 november 2016 laten weten niet te kunnen komen naar het gesprek vanwege zijn ziekte. Bij e-mail van 2 december 2016 is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 12 december 2016 om 9:00 uur, is hij gewezen op zijn verplichtingen in het kader van de re-integratie en is het ziekteverzuimprotocol als bijlage toegezonden. Op
11 december 2016 heeft appellant om 16:24 uur laten weten niet naar het gesprek van 12 december 2016 te kunnen komen vanwege zijn ziekte. Bij e-mail van 12 december 2016 om 7:12 uur is appellant opgeroepen voor de afspraak op 12 december 2016 om 9:00 uur. Appellant is zonder tegenbericht niet verschenen. Later op die dag is appellant door de
re-integratiemanager per e-mail opgeroepen voor een gesprek met de bedrijfsarts op 13 december 2016, alwaar appellant is verschenen. Volgens de bedrijfsarts waren er geen medische beperkingen om op 12 december 2016 op gesprek te komen. Op 6 februari 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en zijn nieuwe leidinggevende, waarin ook afspraken zijn gemaakt. Uit het rapport van de bedrijfsarts van 17 maart 2017 volgt dat appellant in staat is om met zijn leidinggevende in gesprek te gaan, dat er arbeidsmogelijkheden zijn en dat is geadviseerd een expertiseonderzoek in te stellen. Bij e-mail van 20 maart 2017 is appellant uitgenodigd voor een gesprek over zijn re-integratie op 23 maart 2017 en is hij gewezen op zijn re-integratieverplichtingen. Appellant is niet verschenen op 23 maart 2017 en was op die dag ook niet telefonisch bereikbaar.
1.4.
Aan appellant is bij besluit van 23 maart 2017 (dienstopdracht 1) de dienstopdracht gegeven om op 27 maart 2017 een gesprek te voeren met zijn leidinggevende en de
re-integratiemanager over zijn re-integratie. Hij is hierbij geïnformeerd over de gevolgen indien hij nalaat gehoor te geven aan deze dienstopdracht. Appellant is zonder tegenbericht niet op het gesprek van 27 maart 2017 verschenen.
1.5.
Bij brief van 28 maart 2017 is appellant in kennis gesteld van het vermoeden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat daarom een disciplinair onderzoek wordt gestart.
1.6.
Bij besluit van 28 maart 2017 is de bezoldiging van appellant met ingang van
27 maart 2017 vervallen verklaard tijdens ziekte op grond van artikel 40a, eerste lid, aanhef en onder q, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). De vervallen aanspraken herleven met ingang waarop appellant alsnog gevolg geeft aan zijn
re-integratieverplichtingen. Gelet daarop is appellant opgeroepen contact op te nemen met de re-integratiemanager.
1.7.
Bij besluit van 21 april 2017 (dienstopdracht 2) is aan appellant de opdracht gegeven om op 1 mei 2017 een gesprek te voeren met de plaatsvervangend directeur en HR-adviseur. Daarnaast is hij gewaarschuwd over het voornemen hem ontslag te verlenen indien hij nalaat gehoor te geven aan deze dienstopdracht, in welk geval de in 1.2 genoemde overeengekomen stimuleringspremie komt te vervallen. Appellant heeft geweigerd dienstopdracht 2, die aangetekend is verstuurd, in ontvangst te nemen en is niet verschenen op het geplande gesprek van 1 mei 2017.
1.8.
Bij besluit van 30 mei 2017 (bestreden besluit 1) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2017 ongegrond verklaard.
1.9.
Bij brief van 4 juli 2017 heeft de staatssecretaris aan appellant zijn voornemen over te gaan tot de disciplinaire straf van ontslag kenbaar gemaakt. Gelet op dit voornemen heeft de staatssecretaris appellant bij besluit van 4 juli 2017 (schorsingsbesluit) met ingang van
6 juli 2017 geschorst op grond van artikel 91, eerste lid, aanhef onder b, van het ARAR en op grond van artikel 92, eerste lid, van het ARAR bepaald dat ten minste gedurende zes weken één derde gedeelte van zijn bezoldiging wordt ingehouden. De inhouding van de bezoldiging is niet geëffectueerd omdat de bezoldiging van appellant reeds vervallen was verklaard bij besluit van 28 maart 2017. Bij afzonderlijke brief van 4 juli 2017 is het voornemen kenbaar gemaakt de bezoldiging volledig in te houden nadat de zes weken periode is verlopen.
1.10.
Bij besluit van 3 augustus 2017 (ontslagbesluit) heeft de staatssecretaris, appellant wegens ernstig plichtsverzuim primair de disciplinaire straf van ontslag opgelegd op grond van artikel 80 ARAR in verbinding met artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR. De staatssecretaris heeft de volgende gedragingen van appellant aangemerkt als plichtsverzuim:
-
stelselmatig niet telefonisch bereikbaar zijn tijdens arbeidsongeschiktheid;
-
het niet opvolgen van de adviezen van de bedrijfsarts;
-
onvoldoende meewerken aan zijn re-integratie;
-
herhaaldelijk geen gevolg geven aan dienstopdrachten.
Subsidiair heeft de staatssecretaris appellant ontslag verleend vanwege het zonder deugdelijke grond weigeren van zijn re-integratieverplichtingen op grond van artikel 98b, aanhef onder a, van het ARAR.
1.11.
Bij besluit van 26 oktober 2017 (bestreden besluit 2) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen de dienstopdrachten 1 en 2, het schorsingsbesluit en het ontslagbesluit ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond verklaard en vernietigd voor zover daarbij het gegeven disciplinair ontslag is gehandhaafd, het primaire besluit van 3 augustus 2017 is herroepen voor zover daarbij aan appellant disciplinair ontslag is gegeven en bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit 2.
3. Naar aanleiding van wat partijen in hun hoger beroepen naar voren hebben gebracht, komt de Raad tot de volgende beoordeling.
Hoger beroep van appellant
3.1.
Zowel aan het besluit tot het vervallen verklaren van zijn bezoldiging als aan het ontslagbesluit is ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft meegewerkt aan zijn
re-integratieverplichtingen door geen gehoor te geven aan dienstopdrachten om te verschijnen voor een gesprek met zijn leidinggevende over zijn re-integratie.
3.2.
Appellant betoogt dat hij gehoor heeft gegeven aan de adviezen van de bedrijfsarts door gesprekken met zijn leidinggevende te voeren. Een gesprek over zijn re-integratie en werkhervatting kan slechts plaatsvinden nadat de bedrijfsarts een probleemanalyse en een plan van aanpak heeft gemaakt. De bedrijfsarts had daarvoor te weinig informatie en heeft een expertise voorgesteld. De staatssecretaris heeft geen expertise laten uitvoeren en dus geen gevolg gegeven aan het advies van de bedrijfsarts. Omdat er geen expertise is uitgevoerd is niet bekend of en in welke mate appellant medisch beperkt is voor re-integratie. Gelet op deze omstandigheden bestond een deugdelijke grond om geen gehoor te geven aan de uitnodigingen en onredelijke dienstopdrachten.
3.3.
Dit betoog slaagt niet. Uit de rapportage van de bedrijfsarts van 17 maart 2017 volgt dat appellant medisch niet beperkt was om een gesprek te voeren met zijn leidinggevende. Appellant heeft geen (medische) stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij op medische gronden niet in staat was een gesprek te voeren met zijn leidinggevende. Appellant had geen deugdelijke grond om geen gehoor te geven aan de dienstopdrachten.
3.4.
Nu appellant twee keer zonder deugdelijke grond geen gehoor heeft gegeven aan dienstopdrachten, is komen vast te staan dat hij zich niet gehouden heeft aan de adviezen van de bedrijfsarts en ook niet aan de geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de re-integratie. Daarom heeft de staatssecretaris op goede gronden besloten de bezoldiging van appellant met toepassing van artikel 40a, eerste lid en onder q, van het ARAR, met ingang van 27 maart 2017 vervallen te verklaren.
3.5.
Het schorsingsbesluit kan, gelet op het in 3.3 en 3.4 weergegeven oordeel, onbesproken blijven. Het besluit is niet geëffectueerd doordat de bezoldiging van appellant immers al vervallen was verklaard en appellant nog niet gestart was met zijn werkhervatting.
3.6.
Gelet op het hierna gegeven oordeel over het incidenteel hoger beroep kan het subsidiair gegeven ontslag, op grond van artikel 98b, eerste lid, aanhef en onder a, van het ARAR, onbesproken blijven.
3.7.
Uit 3.1 tot en met 3.6 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt.
3.8.
De staatssecretaris heeft in het incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat hij in de periode vanaf 23 september 2016 tot 8 november 2016 geen initiatief tot contact met appellant heeft genomen. Dit betoog slaagt. Uit de rapportage van de bedrijfsarts van 8 november 2016 blijkt dat het de staatssecretaris niet lukte om contact met appellant te krijgen. Hieruit volgt dat er wel initiatief is genomen door de staatssecretaris om contact te krijgen met appellant over zijn re-integratie. Daarmee heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft vastgesteld, gehoor gegeven aan het advies van de bedrijfsarts van 23 september 2016.
3.9.
Voorts heeft de staatssecretaris zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover het disciplinair ontslag is vernietigd. De staatssecretaris heeft, samengevat, aangevoerd dat appellant de verweten gedragingen als genoemd in 1.10 heeft begaan. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim. Het disciplinair ontslag staat in verhouding tot de aard en ernst van het plichtsverzuim.
3.10.
Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven, is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.
3.11.
Uit 3.3 en 3.4 volgt dat appellant herhaaldelijk geen gevolg heeft gegeven aan dienstopdrachten en daarmee heeft hij ook de adviezen van de bedrijfsarts niet opgevolgd. Aldus heeft hij onvoldoende medewerking verleend aan zijn re-integratie. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant op 23 en 27 maart 2017 niet aanwezig was op de geplande gesprekken en hij niet telefonisch bereikbaar was. Op basis van deze gegevens staat voldoende vast dat appellant stelselmatig niet telefonisch bereikbaar was tijdens zijn arbeidsongeschiktheid.
3.12.
Deze gedragingen zijn te kwalificeren als plichtsverzuim. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan het gedrag niet aan appellant kan worden toegerekend. De staatssecretaris was daarom bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.
3.13.
Ten slotte beantwoordt de Raad de vraag of het disciplinair ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het verweten plichtsverzuim, anders dan de rechtbank, bevestigend. Daarbij is in aanmerking genomen dat de staatssecretaris appellant uitdrukkelijk heeft gewezen op de gevolgen als hij niet op de gesprekken van 27 maart 2017 en 1 mei 2017 zou verschijnen en dat de staatssecretaris appellant ook eerder heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van het niet meewerken aan re-integratie. Appellant gold dus als een gewaarschuwd man en heeft niettemin doorgaand gedrag vertoond.
3.14.
Uit 3.7 tot en met 3.13 volgt dat het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover de rechtbank daarbij het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2017 gegrond heeft verklaard, het besluit van 3 augustus 2017 heeft herroepen, heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte en de staatssecretaris is veroordeeld in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2017 ongegrond verklaren.
4. Het verzoek van appellant tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen, omdat de bestreden besluiten rechtmatig zijn.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij het beroep tegen het
besluit van 26 oktober 2017 gegrond heeft verklaard, het besluit van 3 augustus 2017 heeft
herroepen, heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte en
de staatssecretaris is veroordeeld in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2017 ongegrond;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2019.
(getekend) A. Beuker-Tilstra