1.2.
In verband met een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant op 7 maart 2016 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk, maar dat hij wel belastbaar is voor arbeid met inachtneming van de beperkingen die zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 maart 2016. De verzekeringsarts heeft appellant in verband met de combinatie van zijn klachten, te weten hartklachten, suikerziekte, duizeligheidsklachten en psychische klachten, geschikt geacht voor stressbeperkte en fysiek lichte werkzaamheden voor zes uur per dag, zonder nachtdienst. Een arbeidsdeskundige heeft voorbeeldfuncties geselecteerd en heeft op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 56,24% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Bij besluit van 24 maart 2016 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 25 april 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 14 februari 2017 (bestreden besluit) gegrond verklaard met betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid en deze vastgesteld op 57,2%. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De door laatstgenoemde – na aanpassing van het maatmaninkomen – vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 57,2% heeft geen consequenties gehad voor de WIA‑uitkering.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit is gebaseerd op een deugdelijke medische grondslag en een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundige onderzoek. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in reactie op de door appellant overgelegde medische informatie gemotiveerd uiteengezet heeft dat deze geen aanleiding ziet de belastbaarheid op de datum in geding anders in te schatten. Dat appellant zowel lijdt aan hartklachten als aan suikerziekte is onderkend en ook vanwege psychische klachten is appellant volgens de verzekeringsarts beperkt belastbaar. Door de niet optimaal gereguleerde suikerziekte is hij beperkt voor forse fysieke belasting en is regelmaat van belang. Ook is een urenbeperking vastgesteld. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Wat betreft de geschiktheid van de voorbeeldfunctie textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel), SBC-code 111160 (medewerker gordijnen) en de in die functie wekelijks voorkomende deadlines in verband met spoedleveringen aan klanten, heeft het Uwv toegelicht dat het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) signaleert als deadlines of productiepieken ten minste eenmaal per week optreden, maar dat het aan de arbeidsdeskundige is om te beoordelen of dit een probleem voor de verzekerde is. Ondanks de wekelijkse deadlines heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd dat deze functie passend is voor appellant. Dat deze functie fysiek zwaar is, heeft appellant niet onderbouwd en van overschrijdingen van de belastbaarheid ten aanzien van bijvoorbeeld tillen en dragen is niet gebleken. Voor de berekening van het dagloon heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de Raad van 23 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4335. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat bij de berekening van het dagloon voor de Wet WIA zowel voor als na 1 juli 2015 op grond van artikel 18 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) rekening wordt gehouden met starters en herintreders en dat de wetgever daarmee rekening heeft gehouden met de belangen van werknemers die niet de gehele referteperiode hebben gewerkt, ook al leidt dat voor appellant niet tot het door hem gewenste resultaat. Het Uwv heeft het dagloon volgens de rechtbank op een juiste wijze berekend.
4.1.
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op grond van de Wet WIA terecht met ingang van 25 april 2016 heeft vastgesteld op 57,2% en of het dagloon op een juiste wijze is berekend.
4.2.1.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medische onderzoek door de betrokken verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Wat appellant in de hoger beroep aan klachten heeft vermeld, stemt overeen met de klachten die de verzekeringsartsen van het Uwv kenbaar in de afweging hebben betrokken en is in essentie een herhaling van wat eerder in bezwaar en beroep naar voren is gebracht. Uit de brief van de huisarts van 29 juli 2019 blijkt niet van nieuwe medische informatie die ziet op de datum in geding.
4.2.2.
Het Uwv heeft deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd dat door de verzekeringsarts in de FML voldoende beperkingen zijn vastgesteld, waaronder een urenbeperking van 30 uur per week en zes uur per dag, waarbij appellant geschikt is geacht voor fysiek en mentaal licht werk. Verwezen wordt naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 september 2017. Daarin is afdoende gemotiveerd dat voldoende rekening is gehouden met de informatie van de cardioloog van 12 juli 2016 en de informatie van de KNO-arts die appellant op 23 september 2015 heeft onderzocht in verband met draaiduizeligheid. Er is dan ook geen grond om te oordelen dat de beperkingen van appellant niet op een juiste wijze zijn vertaald in de FML.
Geschiktheid voorbeeldfuncties
4.3.1.
De rechtbank wordt niet gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. De motivering van de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij de kenmerkende belasting en signalering op de resultaat functiebeoordeling bij de functie van medewerker gordijnen is niet toereikend. In de FML is een beperking aangenomen op het aspect 1.9.7, te weten dat appellant is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines en productiepieken. In de functie medewerker gordijnen komen volgens een toelichting van de arbeidskundig analist wekelijks deadlines voor in verband met spoedleveringen aan klanten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 7 februari 2017 daarover opgemerkt dat spoedleveringen voor enige tijdsdruk kunnen zorgen maar geen al te hoge intensivering van de werkzaamheden met zich meebrengen. Deze motivering is te weinig concreet en onvoldoende gebaseerd op draagkrachtige feitelijke gegevens om te concluderen dat de belasting van deze functie op het aspect 1.9.7. binnen de medische mogelijkheden van appellant blijft. Verwezen wordt ook naar de uitspraak van de Raad van 11 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:400, waarin ook de vraag aan de orde was of, gelet op de toelichting in de “Basisinformatie CBBS” bij het aspect 1.9.7., door het Uwv voldoende inzicht was verschaft waarom die functie binnen de medische mogelijkheden van betrokkene bleef.
4.3.2.
De functie medewerker gordijnen had dan ook niet geselecteerd mogen worden. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat deze functie door het Uwv ten grondslag kon worden gelegd aan de arbeidskundige beoordeling en het bestreden besluit. De kenmerkende belasting en signaleringen op de resultaat functiebelasting van de overige drie geselecteerde functies is wel toereikend gemotiveerd. Omdat de functie van medewerker gordijnen (de mediaan) vervalt, moet voor de onderhavige einde wachttijdbeoordeling een nieuwe arbeidskundige beoordeling uitwijzen wat de mate van arbeidsongeschiktheid is en of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Het Uwv wordt opgedragen deze beoordeling te verrichten.
4.4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de berekening van het dagloon van appellant terecht heeft plaatsgevonden op grond van het Dagloonbesluit zoals dat luidde op de datum in geding, 25 april 2016. Ook is niet in geschil dat de referteperiode voor het WIA-dagloon loopt van 21 april 2013 tot en met 20 april 2014 en dat appellant in die periode vanaf de aanvang tot en met 12 mei 2013 een ZW-uitkering heeft ontvangen.
4.4.2.
Op grond van artikel 16 van het Dagloonbesluit is het uitgangspunt voor de berekening van het dagloon voor de Wet WIA het in de referteperiode genoten loon. Op grond van artikel 14 van het Dagloonbesluit wordt in dit verband onder loon verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv.
4.4.3.
Artikel 16 van de Wfsv luidt als volgt:
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.
2. Tot het loon behoren niet:
a. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten met uitzondering van uitkeringen op grond van een werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de Werkloosheidswet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat en met uitzondering van toeslagen op grond van de Toeslagenwet;
b. eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964;
c. een tegemoetkoming als bedoeld in de artikelen 63a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en 65l van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
4.4.4.
Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wlb behoren niet tot het loon aanspraken ingevolge de ZW, de Wet arbeid en zorg, de WIA, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de WW.
4.4.5.
De toelichting van het Dagloonbesluit op artikel 14, eerste lid, voor zover van belang, luidt als volgt (Stb. 2013, 185, blz. 35):
“Anders dan in het vorige hoofdstuk gaat het bij het vaststellen van het dagloon voor de Wet WIA en de WAO om al het loon ontvangen in het refertejaar (dus niet louter om het loon uit de laatste dienstbetrekking). Bij de berekening van het dagloon voor de Wet WIA en de WAO vormt het loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv het uitgangspunt. Een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen of de Wazo die de werknemer ontvangt valt ook onder het SV-loon en wordt niet uitgezonderd voor het dagloon. Daarbij maakt het geen verschil of die wordt betaald aan de werkgever ter doorbetaling aan de werknemer of rechtstreeks aan de werknemer. In het refertejaar kunnen perioden liggen waarin betrokkene in plaats van loon uit arbeid een uitkering genoot. (…)”.
4.4.6.
Op grond van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt het dagloon van de werknemer die vanaf de aanvang van de referteperiode tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon als bedoeld in artikel 14 of 15 heeft genoten, vastgesteld door bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, 261 te vervangen door: het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.
4.4.7.
De toelichting op artikel 18, eerste lid van het Dagloonbesluit, voor zover van belang, luidt als volgt (Stb. 2013, 185, blz. 39):
“(…) De regeling geeft een gunstig dagloon voor degene die nog niet vanaf de aanvang van het refertejaar een dienstbetrekking heeft gehad. De duur van de loongerelateerde uitkering op grond van de Wet WIA is wel afhankelijk van het arbeidsverleden; voor degene zonder voldoende arbeidsverleden is de duur drie maanden. Degene die in het eerste tijdvak van het refertejaar wel loon genoten heeft, waaronder ook begrepen inkomsten die als loon worden aangemerkt, kan geen beroep doen op deze regeling. Zijn dagloon wordt volgens de normale regel vastgesteld”.
4.4.8.
Op grond van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wfsv, behoort niet tot loon hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wlb wordt genoten met uitzondering van uitkeringen op grond van een werknemersverzekering. Op grond van de tekst van dit artikel gaat het daarbij om elke uitkering op grond van een werknemersverzekering. Daarmee is gegeven dat de ZW-uitkering bij de toepassing van het Dagloonbesluit moet worden aangemerkt als loon. Reeds hierom heeft artikel 11, eerste lid, onder e, van de Wlb bij de toepassing van het Dagloonbesluit geen betekenis. Bovendien ziet artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wlb niet op uitkeringen op grond van onder meer de ZW, maar op een aanspraak daarop. Daarvan is in deze zaak geen sprake.
4.4.9.
Ook uit de nota van toelichting van het Dagloonbesluit en de vaste rechtspraak blijkt dat een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen meetelt bij de toepassing van artikel 18, eerste lid van het Dagloonbesluit. Degene die in het eerste tijdvak van het refertejaar wel loon genoten heeft, waaronder ook begrepen inkomsten die als loon worden aangemerkt, kan geen beroep doen op deze regeling. Verwezen wordt naar onder andere de uitspraken van de Raad van 22 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2710, van 13 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4363 en van 13 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:806.
4.4.10.
Appellant heeft gedurende het eerste volledige aangiftetijdvak van de referteperiode een ZW-uitkering genoten die moet worden aangemerkt als loon. De beroepsgrond van appellant over het dagloon kan daarom niet slagen.
5. Uit 4.3.2 volgt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Om te komen tot een definitieve beslechting van het geschil, waarbij zal worden bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.