1.4.
De gemachtigde van verzoeker heeft op 15 mei 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 6 maart 2020.
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft zich bij de aangevallen uitspraak onbevoegd verklaard. De voorzieningenrechter heeft hiertoe, voor zover van belang, overwogen dat verzoeker heeft aangevoerd dat hij op 6 maart 2020 een aanvraag voor ondersteuning op grond van de Wmo 2015 heeft ingediend. ROGplus heeft echter gesteld dat geen aanvraag bekend is en de gemachtigde desgevraagd geen ontvangstbevestiging heeft verstrekt. ROGplus heeft zich op het standpunt gesteld dat op 6 maart 2020 geen e-mail is ontvangen van de gemachtigde van verzoeker. De voorzieningenrechter van de rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden het ervoor moet worden gehouden dat verzoeker op 6 maart 2020 geen aanvraag heeft ingediend. Dit betekent dat zich geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en dat ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb geen beroep kon worden ingesteld.
3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Hij heeft op 19 november 2020 een print toegestuurd van mailverkeer met ROGplus.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.1.2.
Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
4.3.
Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 4 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2013, volgt uit de systematiek van de Wmo 2015 dat een cliënt in eerste instantie bij het college een melding doet van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, waarna het college binnen zes weken een onderzoek uitvoert en aan de cliënt of diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt. Als het onderzoek is afgerond en het college daarin geen aanleiding heeft gezien om (ambtshalve) een maatwerkvoorziening te verstrekken, kan de cliënt een aanvraag om een maatwerkvoorziening indienen. Dit recht komt de cliënt ook toe als het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken, waarna hij een aanvraag kan indienen zonder de afronding van het onderzoek af te wachten. Zodra een aanvraag is gedaan moet het college, gelet op artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo 2015, binnen twee weken beslissen op de aanvraag.
4.4.
Verzoeker heeft in hoger beroep een print van mailverkeer overgelegd. Op grond hiervan is aannemelijk dat hij op 6 maart 2020 bij ROGplus zijn behoefte aan ondersteuning kenbaar heeft gemaakt. Niet is gebleken dat verzoeker na het verstrijken van de onder 4.3 bedoelde termijn van zes weken een aanvraag heeft ingediend bij ROGplus, eerder dan de onder 1.3 genoemde aanvraag van 7 mei 2020. Dit betekent dat verzoeker ROGplus op 1 mei 2020 ten onrechte in gebreke heeft gesteld. Met het oog hierop en het bepaalde in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kon verzoeker op 15 mei 2020 geen beroep instellen.
5. Met het oog op de overwegingen 4.3 en 4.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet, met verbetering van gronden, worden bevestigd. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.