18 5453 WW
Datum uitspraak: 23 februari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2018, 17/6713 (aangevallen uitspraak)
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Namens appellante heeft mr. J.F. Cheung, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
1. Appellante was werkzaam als verzorgende in dienst van [werkgever] (werkgever) op basis van een min/max contract met een omvang van ten minste drie uur per week en ten hoogste 40 uur per week. Het dienstverband is op 8 maart 2017 beëindigd. Bij besluit van 12 mei 2017 heeft het Uwv appellante met ingang van 1 mei 2017 een uitkering toegekend op grond van de Werkloosheidswet. Het dagloon is vastgesteld op € 79,05. Bij besluit van 13 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 mei 2017 gegrond verklaard en is het dagloon vastgesteld op € 85,35.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, voor zover het Uwv de vastgestelde arbeidsomvang in zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank heeft het bezwaar op dit punt niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Het Uwv is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
2.2.
Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het door appellante genoten vakantieverlof en het hierdoor minder genoten loon niet kan worden aangemerkt als verlof in de zin van het Dagloonbesluit Werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). Voor het begrip verlof verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Raad van 7 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3328. Tussen appellante en haar werkgever was geen sprake van een overeenkomst dat zij gedurende een bepaald tijdvak voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd geen arbeid verricht. Daarvoor is niet voldoende dat een werknemer gedurende enige tijd niet heeft gewerkt en daarbij niet of tegen een lager salaris is doorbetaald. Het Uwv heeft daarom het door appellante genoten vakantieverlof bij de vaststelling van het dagloon terecht buiten beschouwing gelaten. De beroepsgrond dat het Uwv rekening had moeten houden met genoten loon in de vorm van vakantiedagen kan om deze reden ook niet slagen.
2.3.
Met betrekking tot de opgebouwde vakantietoeslag volgt de rechtbank de motivering van het Uwv dat appellante over de periode van 1 februari 2016 tot en met 22 mei 2016 geen vakantietoeslag heeft opgebouwd, nu hiervan niet blijkt uit de polisadministratie en evenmin uit de door appellante overgelegde loonstroken. Het Uwv heeft op basis van de polisadministratie terecht geconcludeerd dat het loon over de genoemde periode moet worden aangemerkt als all-in loon.
3.1.
Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de dagloonberekening, weergegeven onder 2.2 en 2.3. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij door vakantieverlof van 18 oktober 2016 tot en met 23 november 2016 minder loon betaald heeft gekregen dan in voorgaande periodes. Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Dagloonbesluit moet zij geacht worden in de aangiftetijdvakken van 10 oktober 2016 tot en met 4 december 2016 € 2.028,20 exclusief vakantietoeslag per maand te hebben verdiend, omdat zij dit loon ook heeft genoten in de maand voordat zij met verlof ging. Appellante heeft met haar werkgever wel een overeenkomst gesloten over het vakantieverlof. Dat blijkt uit het feit dat de werkgever goedkeuring heeft gegeven voor het opnemen van vakantie.
3.2.
De rechtbank heeft volgens appellante verder ten onrechte geoordeeld dat zij over de periode van 1 februari 2016 tot en met 22 mei 2016 geen vakantietoeslag heeft opgebouwd. De uitbetaling op 17 juni 2016 met de vermelding ‘vakantiegeldreservering’ is het bedrag dat in die periode is opgebouwd en in juni 2016 is uitbetaald.
3.3.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Dagloonbesluit, zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt onder ‘verlof’ verstaan: een tussen de werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen tijdvak, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht, met uitzondering van verlof als bedoeld in de artikelen 3:1 en 3:2 van de Wet arbeid en zorg.
4.1.2.
Artikel 6, eerste lid, van het Dagloonbesluit luidde ten tijd van belang als volgt:
Indien de werknemer in een aangiftetijdvak geen loon of minder loon heeft genoten in verband met verlof tijdens de dienstbetrekking, wordt bij de berekening van het dagloon, bedoeld in artikel 5, eerste lid, als loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen het loon, genoten in dezelfde dienstbetrekking in het laatste aan dat verlof voorafgaande en volledig in de referteperiode gelegen aangiftetijdvak, waarin die omstandigheid zich niet heeft voorgedaan en waarin de werknemer het volledige aangiftetijdvak in dienstbetrekking tot de desbetreffende werkgever stond.
4.2.
Uit de omschrijving van het begrip ‘verlof’, zoals weergegeven in 4.1.1, volgt dat daarvan slechts sprake kan zijn indien tussen werkgever en werknemer is overeengekomen dat de werknemer gedurende een bepaald tijdvak voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd geen arbeid verricht. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld was daarvan in dit geval sprake. Daartoe is allereerst van belang dat in de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de werknemer recht heeft op twintig vakantiedagen per jaar op basis van een fulltime dienstverband en dat de werkgever op tijdig verzoek van de werknemer de aaneengesloten vakantie vaststelt. Appellante heeft per email van 26 augustus 2016 aan de werkgever doorgegeven dat zij van 18 oktober tot 22 november 2016 op vakantie gaat, waarmee de werkgever bij email van dezelfde datum heeft ingestemd. Hiermee is het in de arbeidsovereenkomst neergelegde recht op vakantie nader bepaald tot deze periode en is aldus sprake van verlof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Dagloonbesluit. Deze situatie verschilt van die in de in 2.2 genoemde uitspraak van de Raad van 7 september 2016, waarin van een overeenkomst tussen werkgever en werknemer om verlof op te nemen geen sprake was.
4.3.
Niet in geschil is dat appellante in verband met het verlof in de aangiftetijdvakken van 10 oktober 2016 tot en met 4 december 2016 minder loon heeft genoten en dat zij in het aangiftetijdvak van 12 september 2016 tot en met 9 oktober 2016 een loon van € 2028,20 genoot. Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Dagloonbesluit moet daarom ook in de aangiftetijdvakken van 10 oktober 2016 tot en met 4 december 2016 van dit bedrag worden uitgegaan.
4.4.
Ook de hogerberoepsgrond tegen het oordeel van de rechtbank over de opgebouwde vakantietoeslag slaagt. In het aangiftetijdvak van 23 mei 2016 tot en met 19 juni 2016 is volgens de polisadministratie een bedrag van € 1.506,24 betaald aan vakantietoeslag. Blijkens de salarisspecificatie van 17 juni 2016 ziet dit bedrag op ‘uitbetaling vakantiegeldreservering’. Appellante heeft aannemelijk gemaakt dat dit bedrag betrekking heeft op de periode tot en met 22 mei 2016. Het bedrag is immers betaald na afloop van deze periode en is aangeduid als uitbetaling van de vakantiegeldreservering. Ook over de aangiftetijdvakken tot en met 22 mei 2016 was daarom sprake van loon bij een werkgever die vakantiegeld reserveerde. Het Uwv heeft het loon over deze aangiftetijdvakken, gelet op de formule in artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit, ten onrechte niet met de factor 108/100 vermenigvuldigd.
4.5.
Wat in 4.3 en 4.4 is overwogen leidt ertoe dat het loon in het refertejaar € 24.236,04 bedraagt en dat het dagloon moet worden vastgesteld op ((24.236,04 -/- € 1.506,24) x 1,08) / 261 = € 94,05.
4.6.
De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd, voor zover daarbij het dagloon is vastgesteld op € 85,35. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het dagloon vast te stellen op € 94,05.
5. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 534,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij
het dagloon is vastgesteld op € 85,35;
- bepaalt dat het dagloon wordt vastgesteld op € 94,05 en dat deze uitspraak in zoverre
in de plaats treedt van het bestreden besluit;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 534,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2021.
(getekend) A.L. Abdoellakhan