GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 4 februari 2014
Zaaknummer: 200.126.853/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/13/504974/FA RK 11-9803 (db ml)
Beschikking van de meervoudige familiekamer in de zaak in hoger beroep van:
1
[…],
en
2. […],
beiden wonende te […],
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. G.Th. Offreins te Amsterdam,
[…],
wonende te […],
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. E. Scheepers-Adriaanse te Amstelveen.
1 Het geding in hoger beroep
1.1.
Appellanten sub 1 en sub 2 worden hierna afzonderlijk respectievelijk de man en [zoon a] genoemd. Geïntimeerde wordt hierna de vrouw genoemd.
1.2.
De man is op 10 mei 2013, mede namens [zoon a], in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 13 februari 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/504974/FA RK 11-9803 (db ml).
1.3.
De vrouw heeft op 9 juli 2013 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.4.
De man heeft op 4 september 2013, mede namens [zoon a], een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de vrouw ingediend.
1.5.
De vrouw heeft op 1 november 2013 nadere stukken ingediend.
1.6.
De man heeft op 7 november 2013, mede namens [zoon a], nadere stukken ingediend.
1.7.
De zaak is op 18 november 2013 ter terechtzitting behandeld.
1.8.
Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door mr. G.Th. Offreins;
- [zoon a], eveneens bijgestaan door mr. G.Th. Offreins;
- de vrouw, bijgestaan door mr. E. Scheepers-Adriaanse.
2 De feiten
2.1.
De man en de vrouw (hierna tezamen: de ouders) zijn [in] 1993 gehuwd. Het huwelijk is op 8 november 1999 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 september 1999 in de registers van de burgerlijke stand. Zij hebben twee zoons: […] (hierna [zoon a]), geboren op [dag en maand] 1994 en […] (hierna: [zoon b]), geboren [in] 1998.
2.2.
In de echtscheidingsbeschikking van 22 september 1999 van de rechtbank Amsterdam is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van fl. 500,- netto per kind per maand, met inachtneming van hetgeen partijen in het echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen. Het convenant – dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking – bepaalt voor zover hier van belang:
1. Co-ouderschap
1.1.
De man en de vrouw wensen het gezamenlijk gezag over hun kinderen te handhaven.
1.2.
De man en de vrouw zullen in gelijke mate de verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. De kinderen verblijven 50% van de tijd bij de man en 50% van de tijd bij de vrouw. Hiertoe stellen de man en de vrouw maandelijks een rooster op.
(…)
1.6.
De man en de vrouw brengen ieder jaar evenveel tijd met de kinderen door gedurende de vakanties.
In onderling overleg maken de man en de vrouw hierover afspraken met elkaar, met de 50%-50% verdeling op jaarbasis als uitgangspunt.
2. Duur van het co-ouderschap
De man en de vrouw hebben de nadrukkelijke intentie het gezamenlijke gezag over hun kinderen en het co-ouderschap te handhaven tot de meerderjarigheid van beide kinderen.
(…)
4. De kosten voor verzorging en opvoeding van de kinderen
4.1.Het inkomen van de man en de vrouw per datum echtscheiding vormt de basis voor onderstaande afspraak en is aan ieder van hen genoegzaam bekend. (…) Tot de kinderen meerderjarig zijn betaalt de man alle kosten voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. Hierbij zijn inbegrepen de kosten die uitsluitend ten huize van de vrouw worden gemaakt, zoals oppaskosten en de kosten voor het dagelijks levensonderhoud van de kinderen tijdens en voortvloeiende uit het verblijf bij hun moeder.
Deze kosten zijn bepaald op ƒ 1.000,- netto per maand. (…) Op dit bedrag is de jaarlijkse indexering kinderalimentatie van toepassing. De kinderbijslag voor beide kinderen zal de vrouw ontvangen.
Indien de omstandigheden dusdanig wijzigen, dat de man of de vrouw het redelijk acht om artikel 4.1 te herzien en indien de man en de vrouw hierover in onderling overleg geen overeenstemming kunnen bereiken, zullen zij bemiddeling inroepen (…).
2.3.
De man is [in] 2002 hertrouwd met […] (hierna [y]). [y] heeft een dochter, [dochter], uit een eerdere relatie. De man en [y] hebben samen twee kinderen gekregen: […], geboren [in] 2001 (hierna: [kind a]), en […], geboren [in] 2004 (hierna: [kind b]). Dit huwelijk is op 27 maart 2008 door echtscheiding ontbonden.
2.4.
De vrouw is [in] 2003 hertrouwd met […] (hierna [x]) .
2.5.
Op 28 februari 2005 heeft de man een verzoek ingediend om met ingang van 1 januari 2005 de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon a] en [zoon b] op nihil te stellen. Hij beriep zich op de wijziging van omstandigheden dat de vrouw eind 2004 was gaan samenwonen met [x]. De vrouw heeft verzocht de bijdrage ingaande 28 september 2005 te verhogen met de kosten van muzieklessen (€ 145,- per kind per maand). Bij beschikking van 14 juni 2006 heeft de rechtbank Amsterdam, met wijziging in zoverre van de beschikking van 22 september 1999, bepaald dat de man met ingang van 14 juni 2006 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon a] en [zoon b] van € 404,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen.
2.6.
De man heeft hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van dit hof van 24 mei 2007 is - na vernietiging van de beschikking van de rechtbank van 14 juni 2006 - met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank van 22 september 1999 en het tussen partijen overeengekomen convenant bepaald dat de man met ingang van 14 juni 2006 een bijdrage van € 355,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen. Het hof heeft voorts bepaald dat voor zover de man vanaf 14 juni 2006 meer heeft betaald aan verblijfskosten en extra kosten de bijdrage tot 24 mei 2007 wordt bepaald op hetgeen hij tot die datum daadwerkelijk heeft betaald. Het hof heeft de verblijfskosten bepaald op € 545,- per kind per maand (waarvan € 272,50 voor het verblijf bij de vrouw en € 272,50 voor het verblijf bij de man) en de extra kosten in verband met o.a. muzieklessen, sport, schoolactiviteiten en ziektekosten op een bedrag van € 220,35 per kind per maand, in totaal een bedrag van € 765,35 per kind per maand (prijspeil 2006). Hierbij is het hof ervan uitgegaan dat de extra kosten met ingang van 14 juni 2006 feitelijk door de vrouw worden betaald.
2.7.
In augustus 2007 heeft de man een kort geding aangespannen tegen de vrouw en gevorderd dat zij wordt veroordeeld tot vergoeding aan hem van een bedrag van € 3.860,63 aan door hem vanaf 14 juni 2006 betaalde extra kosten en voorts dat de vrouw aan hem verantwoording dient af te leggen over door haar vanaf die datum betaalde extra kosten. Bij vonnis van 13 september 2007 heeft de voorzieningenrechter deze vorderingen afgewezen.
2.8.
De man heeft op 30 november 2009 een verzoek ingediend tot wijziging van beschikking van het hof van 24 mei 2007 aldus dat de kinderbijdrage met ingang van 5 mei 2008 wordt verlaagd tot een bedrag van € 56,06 per kind per maand. Hij heeft daartoe gesteld dat de beschikking van het hof niet aan de wettelijke maatstaven voldeed aangezien daarin ten onrechte geen rekening was gehouden met de onderhoudsplicht van [x] als stiefvader van [zoon a] en [zoon b] en evenmin met zijn eigen onderhoudsplicht voor [kind a] en [kind b]. Daarnaast stelde de man een wijziging van omstandigheden nu zijn huwelijk met [y] was ontbonden. De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 15 december 2010 toegewezen en met wijziging in zoverre van de beschikking van dit hof van 24 mei 2007, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon a] en [zoon b] met ingang van 30 november 2009 bepaald op € 56,06 per kind per maand.
2.9.
Op 28 november 2011 heeft de man verzocht, met wijziging in zoverre van de beschikkingen van de rechtbank van 14 juni 2006, van het hof van 24 mei 2007 en van de rechtbank van 15 december 2010, te bepalen dat de man is gerechtigd een bijdrage in de kosten van verzorging van [zoon a] en [zoon b] van de vrouw te ontvangen van € 600,- per kind per maand ingaande 2 augustus 2003 dan wel 25 februari 2005 dan wel een in goede justitie te bepalen datum, alsmede de vrouw te veroordelen hetgeen zij van af die datum teveel aan kinderbijdragen heeft ontvangen aan de man terug te betalen. De man heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank en het hof in de genoemde beschikkingen van onjuiste en onvolledige gegevens zijn uitgegaan en dat daardoor deze beschikkingen van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven hebben voldaan (artikel 1:401 lid 4 Burgerlijk Wetboek, hierna BW). Daarnaast heeft de man verzocht te bepalen dat de vrouw aan hem met ingang van mei 2011 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon a] dient te betalen op grond van de wijziging in de omstandigheid dat de co‑ouderschapsregeling voor [zoon a] is geëindigd en dat [zoon a] vanaf die datum (volledig) bij hem woont.
2.10.
Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.
Hij is geboren [in] 1961. Hij is sedert 27 maart 2008 – na de echtscheiding van [y] - alleenstaand. Sinds mei 2011 woont [zoon a] (definitief) bij hem. Per die datum is ook het co-ouderschap met betrekking tot [zoon b] geëindigd.
Tot en met 2005 was de man in Nederland werkzaam als orkestmusicus (contrabassist) in het […] ([orkest]). Deze arbeidsovereenkomst is met ingang van 31 december 2005 ontbonden. De man heeft een ontslagvergoeding ontvangen.
Hij is in elk geval vanaf 2010 werkzaam bij [werkgever 1] (Duitsland), en thans ook bij [werkgever 2] in Finland en [werkgever 3] in Frankrijk. In de IB-aanslagen 2010, 2011 en 2012 (voorlopige aanslag) is voor deze werkzaamheden rekening gehouden met een wereldinkomen van € 94.693 in 2010, € 94.700 in 2011 en € 97.416 in 2012.
Daarnaast heeft hij inkomsten uit werkzaamheden in Nederland, in 2010 € 3.186, in 2011 € 4.186 en in 2012 € 2.828.
In verband met een hypothecaire lening gevestigd op de eigen woning van de man ([adres a]) betaalde hij de volgende bedragen aan rente en overige financieringskosten, in 2010 € 33.374 per jaar, in 2011 € 37.135 per jaar en in 2012 € 30.845 per jaar. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde van de eigen woning is vastgesteld op € 568.500 in 2010, € 514.500 in 2011 en op € 501.000 in 2012.
Aan premie voor een zorgverzekering betaalde hij in 2012 € 128,- per maand.
Aan premie voor een lijfrente betaalde hij € 2.137 per jaar in 2010, € 2.137 per jaar in 2011 en € 2.408 per jaar in 2012.
Aan premie voor een beroepsaansprakelijkheidsverzekering betaalde hij in 2012 € 127,- per jaar .
Hij heeft kosten in verband met de co-ouderschapsregelingen voor [zoon a] en [zoon b] (tot mei 2011), alsmede voor [kind a] en [kind b]. Hij betaalt een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind a] en [kind b] van € 100,- per maand. Hij benut de fiscale aftrekpost in verband met uitgaven voor levensonderhoud van [kind a], [kind b], [zoon a] en [zoon b] van € 5.920 per jaar in 2010, € 6.080 per jaar in 2011 en € 6.160 in 2012. Uit de Bezügemitteilung 07/2012 (onderdeel van Bijlage 10 bij reactie van de man op verweerschrift van de vrouw in eerste aanleg) blijkt dat de man in Duitsland aanspraak heeft op Kindergeld/Familienzuschlag voor [kind a], [kind b], [zoon a] en [zoon b].
2.11.
Ten aanzien van [y] is het volgende gebleken.
Zij was tijdens het huwelijk met de man als violiste werkzaam bij het [orkest]. Financiële gegevens over de periode augustus 2003 tot april 2008 ontbreken. Na de scheiding is een co‑ouderschapsregeling getroffen voor [kind a] en [kind b].
2.12.
Ten aanzien van [zoon a] is het volgende gebleken.
Hij woonde tot mei 2011 in het gezin van de vrouw en woont vanaf mei 2011 (definitief) bij de man. Hij ontving tot en met augustus 2013 een tegemoetkoming van DUO van € 88,- per maand. Op 1 september 2013 is hij begonnen met een HBO-opleiding aan de Hogeschool van Amsterdam en ontvangt hij € 98,- per maand aan studiefinanciering voor een thuiswonende student.
In 2013 bedroeg zijn premie zorgverzekering € 110,- per maand en ontving hij een zorgtoeslag van € 88,- per maand.
2.13.
Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.
Zij is geboren [in] 1973. Zij vormt samen met [x] en [zoon b] (en tot mei 2011 [zoon a]) een gezin.
Zij is sedert 1996 werkzaam in loondienst bij het [muziekcentrum] met een vaste aanstelling van 75%. Zij verricht incidenteel nevenwerkzaamheden. In 2007 bedroeg haar fiscaal jaarloon uit dienstbetrekking € 32.625 en uit overige werkzaamheden € 582, in 2009 € 35.800 respectievelijk € 814, in 2010 € 36.869 respectievelijk € 2.756. Vanaf 2011 is zij tijdelijk voor 100% aangesteld bij het [muziekcentrum]. Haar fiscaal jaarloon bedroeg in 2011 € 42.573 en uit nevenwerkzaamheden genoot zij een fiscaal loon van € 3.270. In 2012 genoot zij (in elk geval tot en met september) een loon van € 3.480,78 bruto per maand (€ 42.573 bruto per jaar).
In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de vrouw en [x] bewoonde woning betaalden zij aan rente en financieringskosten € 23.399 in 2007, € 25.934 in 2009, € 24.421 in 2010 en € 25.614 in 2011. Zij hebben de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde van de eigen woning was € 563.500 in 2007 en € 664.500 in 2009 ([adres b]) respectievelijk € 533.000 in 2009, € 520.000 in 2010 en € 509.000 in 2011 ([adres c]).
Aan premie voor een zorgverzekering voor haar en [zoon b] betaalde zij in 2012 € 192,- per maand.
2.14.
Ten aanzien van [x] is het volgende gebleken.
Hij is geboren [in] 1957. Hij heeft twee oudere dochters uit een eerder huwelijk en betaalt partneralimentatie aan zijn ex-vrouw, [z], in 2007 € 6.024,- in 2009 € 6.024,-, in 2010 € 6.024,-, in 2011 € 6.144,-.
Hij is als hoboïst werkzaam in een orkest en als docent verbonden aan een conservatorium.
Uit de door de man (aangifte IB 2007) respectievelijk vrouw (aangiften IB 2009, 2010 en 2011) overgelegde aangiften van de vrouw blijkt een fiscaal verzamelinkomen van [x] van € 133.823 in 2007, € 146.585 in 2009, € 147.892 in 2010, € 153.972 in 2011.
2.15.
Het hof heeft bedragen telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
3 Het geschil in hoger beroep
3.1.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de man niet-ontvankelijk verklaard voor wat betreft zijn wijzigingsverzoeken op grond van artikel 1:401 lid 4 BW, is de door de man voor [zoon a] te betalen bijdrage ingaande 25 november 2011 op nihil gesteld en is bepaald dat de vrouw aan de man over de periode van 25 november 2011 tot 12 oktober 2012 (hof lees: [dag en maand] 2012) een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon a] zal voldoen van € 307,50 per maand.
3.2.
De man verzoekt thans, met wijziging van zijn inleidende verzoeken, de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen
(i) dat hij ontvankelijk is in zijn wijzigingsverzoek op grond van art. 1:401 lid 4 BW,
(ii) dat de vrouw met terugwerkende kracht vanaf augustus 2003 een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [zoon a] en [zoon b] van € 770,- per kind per maand aan de man dient te betalen,
(iii) dat de vrouw de bijdragen die de man vanaf augustus 2003 aan de vrouw heeft betaald aan de man dient terug te betalen en
(iv) namens [zoon a] dat de vrouw met ingang van [dag en maand] 2012 aan [zoon a] een bedrag van € 770,- althans minimaal € 454,- per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie dient te betalen en met ingang van 1 september 2013 een bedrag van minimaal € 614,- per maand.
3.3.
De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep hetgeen door de man en [zoon a] is verzocht af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de vrouw – zo begrijpt het hof - in de periode van 25 november 2011 tot [dag en maand] 2012, geen bijdrage verschuldigd is aan de man althans dat de behoefte van [zoon a] in de periode van 25 november 2011 tot [dag en maand] 2012 € 304,59 bedroeg en dat de vrouw in deze periode een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon a] aan de man verschuldigd is van € 152,29 per maand.
3.4.
De man verzoekt in incidenteel hoger beroep hetgeen door de vrouw is verzocht af te wijzen.
4 Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep
4.1.
[zoon a] is gedurende de procedure in eerste aanleg meerderjarig geworden. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij door [zoon a] is gemachtigd namens hem het hoger beroep in te stellen en heeft mr. G.Th. Offreins verklaard dat hij zowel voor de man optreedt (voor de periode tot [dag en maand] 2012) als voor [zoon a] (voor de periode vanaf die datum). [zoon a] heeft ter zitting bevestigd dat hij de man heeft gemachtigd namens hem hoger beroep in te stellen en er bevindt zich nog een volmacht van [zoon a] aan de man in het dossier.
4.2.
De grieven stellen de volgende geschilpunten aan de orde:
- het wijzigingsverzoek op grond van artikel 1:401 lid 4 BW over de perioden van 2 augustus 2003 tot mei 2011 en aldus de vaststelling van de verdeling van de kosten van opvoeding en verzorging van [zoon a] en [zoon b] vanaf 2 augustus 2003, rekening houdende met draagkracht, ook van de stiefouders, en behoefte;
- het wijzigingsverzoek ex art. 1:401 lid 1 BW ten aanzien van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon a] en [zoon b] vanaf mei 2011 en de behoefte van [zoon a] (grief 4 man; grief III vrouw);
- de ingangsdatum van de wijziging(en) en terugwerkende kracht (grief I vrouw);
- het verzoek van [zoon a] een bijdrage te ontvangen van de vrouw in de kosten van zijn levensonderhoud en studie vanaf [dag en maand] 2012 en de behoefte van [zoon a] daaraan (grief 3 man namens [zoon a]).
Met grief II verzoekt de vrouw een kennelijke schrijffout in de bestreden beschikking te herstellen. De man heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt. Het hof zal het dictum van de beschikking van de rechtbank van 13 februari 2013 aldus lezen dat daarbij (onder andere) aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon a] is opgelegd van € 307,50 per maand over de periode van 25 november 2011 tot [dag en maand] 2012.
Wijzigingsverzoek art. 1:401 lid 4 BW
4.3.
De man stelt dat de eerdere wijzigingsbeschikkingen van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven hebben voldaan doordat bij deze uitspraken van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In de uitspraak van het hof van 24 mei 2007 is geen rekening gehouden met de draagkracht van de beide stiefouders, [x] en [y]. In de uitspraak van de rechtbank van 15 december 2010 is uitgegaan van onvolledige gegevens over de draagkracht van [x] aangezien de vrouw weigerde voldoende inzicht te verschaffen over de financiële situatie van [x]. Inmiddels zijn meer gegevens beschikbaar gekomen over het verzamelinkomen van [x] en op grond daarvan is aannemelijk dat de bepaalde onderhoudsbijdragen niet aan de wettelijke maatstaven voldeden, aldus de man. Volgens de vrouw kan aan een nieuwe beoordeling niet meer worden toegekomen nu de rechtbank bij de beschikking van 15 december 2010 met terugwerkende kracht een onherroepelijke beslissing heeft genomen over de onderhoudsbijdragen, rekening houdende met de draagkracht van [x].
4.4.
Het hof stelt voorop dat art. 1:401 lid 4 BW aan de rechter een ruime bevoegdheid verleent een eerdere uitspraak betreffende levensonderhoud te wijzigen ingeval deze uitspraak van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Voor de beschikking van het hof van 24 mei 2007 is dit evident het geval. Noch de draagkracht van [x] noch die van [y] zijn door het hof onderzocht. Voor de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon a] en [zoon b] is uitsluitend gekeken naar de draagkracht van de man en de vrouw en niet naar de draagkracht van de beide stiefouders.
Voor wat betreft de beschikking van 15 december 2010 van de rechtbank overweegt het hof dat de rechtbank de draagkracht van [x] (de draagkracht van [y] speelt vanaf april 2008 geen rol meer) heeft willen beoordelen en – met toepassing van art. 22 Rv – het verzoek van de man de onderhoudsbijdrage te verlagen tot € 56,06 per kind per maand heeft toegewezen, waarmee de beoordeling van de draagkracht van [x] achterwege is gebleven doordat de gevraagde gegevens door de vrouw niet aan de rechtbank zijn overgelegd. Naar het oordeel van het hof is thans op grond van artikel 401 lid 4 BW een nieuwe beoordeling mogelijk te meer nu de man in de huidige procedure een beroep heeft gedaan op meer concrete gegevens omtrent het (fiscale) verzamelinkomen van [x] in 2007, 2009, 2010 en 2011. Het valt niet uit te sluiten dat bij [x] een zodanige draagkracht bestond dat een andere verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen tussen partijen passend was. De omstandigheid dat de rechtbank in de beschikking van 15 december 2010 de terugwerkende kracht van de wijziging heeft beperkt en de ingangsdatum van de verlaging van de onderhoudsbijdragen op 30 november 2009 heeft bepaald, staat hieraan niet in de weg. Artikel 1:402 BW schrijft voor dat de rechter die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud wijzigt een ingangsdatum voor die wijziging bepaalt. Bij een nieuwe vaststelling op grond van een nieuwe beoordeling, als door de man thans verzocht, zal de rechter in beginsel ook de ingangsdatum opnieuw dienen te bezien.
Het hof is van oordeel, dat de man in zijn inleidend verzoek ontvankelijk moet worden verklaard. De twee eerste grieven van de man slagen in zoverre.
4.5.
Het hof zal de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon a] en [zoon b] tussen partijen opnieuw dienen te beoordelen, rekening houdende met de draagkracht van [x] en (tot en met maart 2008 ) met de draagkracht van [y]. Het hof zal het onderzoek beperken tot de periode vanaf 28 februari 2005, aangezien de man per die datum voor het eerst om wijziging van de in het convenant en de echtscheidingsbeschikking vastgestelde onderhoudsbijdragen heeft verzocht op grond van het feit dat de vrouw eind 2004 met [x] is gaan samenleven, zich daarbij beroepend op wijziging van omstandigheden. Dezelfde omstandigheid vormt thans de grond van het inleidend verzoek van de man gegrond op artikel 1: 401 lid 4 BW. Het hof zal derhalve vanaf 28 februari 2005 rekening houden met een onderhoudsplicht van [x] ten opzichte van [zoon a] en [zoon b] uit hoofde van art. 1:395 BW. Niet in geschil is dat vanaf 28 februari 2005 tot en met maart 2008 de toenmalige echtgenote van de man, [y], eveneens onderhoudsplichtig ten opzichte van [zoon a] en [zoon b] was, aangezien zij op grond van de overeengekomen zorgregeling in gelijke mate tot het door de man met [y] gevormde nieuwe gezin en tot het gezin van de vrouw behoorden.
Behoefte van [zoon a] en [zoon b]
4.6.
Omtrent de behoefte van [zoon a] en [zoon b] is in de beschikking van het hof van 24 mei 2007 een beslissing genomen. Voor de hoogte van de verblijfskosten werd in die beschikking aangeknoopt bij de vaststelling in het convenant van de verblijfskosten bij de vrouw (uitgaande van een 50-50 zorgregeling) op NLG 500 per kind per maand, na indexering tot het prijspeil 2006 een bedrag van € 272,50 per kind per maand. Aan het verblijf bij de man gedurende de andere helft van de tijd werd eenzelfde bedrag toegerekend, waarmee de verblijfskosten uitkwamen op € 545 per kind per maand in 2006. De extra kosten voor muziek-, sport- en schoolactiviteiten en voor ziektekosten zijn in die beschikking vastgesteld op € 220,35 per maand. Het hof constateert dat de man in zijn beroepschrift (onder 31) hierbij aansluit en na indexering de verblijfskosten stelt op tweemaal € 314 zijnde € 628 per kind per maand in 2013 en de extra kosten handhaaft op (gemiddeld) € 220,35 per kind per maand over de gehele periode, zonder daarop indexering toe te passen. Op het punt van de behoefte verzoekt de man derhalve geen wijziging van deze beschikking. Ook in hetgeen de vrouw aanvoert ziet het hof onvoldoende aanleiding deze beschikking te wijzigen.
4.7.
In de beschikking van 15 december 2010 is de behoefte niet opnieuw vastgesteld. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank in de bestreden beschikking de behoefte van [zoon a] ten onrechte anders vastgesteld door enerzijds slechts rekening te houden met eenmaal de verblijfskosten van € 304,59 (prijspeil 2011) en anderzijds de extra kosten opnieuw te berekenen op een hoger bedrag dan € 220,35 per maand. Met haar incidentele grief III komt de vrouw op tegen de herberekening van de extra kosten. Het hof stelt de behoefte in aansluiting op zijn beslissing van 24 mei 2007 vast op (telkens afgerond) € 765 per kind per maand in 2006, hetgeen overeenkomst met € 830 per kind per maand in 2011, € 837 per kind per maand in 2012 en € 847 per kind per maand in 2013, waarbij in navolging van het standpunt van de man de extra kosten van € 220,35 per maand niet zijn geïndexeerd.
Grief 4 van de man en grief III van de vrouw slagen in zoverre.
Het hof zal partijen hierna bevelen de relevante financiële gegevens steeds per jaar en wel vanaf 2005 (waaronder van jaar tot jaar op te stellen draagkrachtberekeningen) over te leggen teneinde de verdeling van de kosten van opvoeding en verzorging van [zoon a] en [zoon b] tot mei 2011 vast te kunnen stellen.
4.8.
De derde grief van de man en [zoon a] en de eerste en derde grief van de vrouw zien op de beslissing van de rechtbank dat de vrouw vanaf 28 november 2011 tot [dag en maand] 2012, de datum waarop [zoon a] meerderjarig werd, een bijdrage voor [zoon a] moet betalen en vanaf [dag en maand] 2012 geen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie verschuldigd meer zou zijn.
Het hof overweegt, dat de vrouw in beginsel even zeer als de man onderhoudsplichtig is ten opzichte van [zoon a], ook na het bereiken van zijn meerderjarigheid. Nu zowel [zoon a] als de vrouw in hoger beroep zijn gekomen dient zowel de hoogte van de bijdrage als de einddatum [dag en maand] 2012 opnieuw te worden beoordeeld.
4.9.
Tussen partijen bestaat geschil wie de extra kosten van (gemiddeld) € 220,35 per maand feitelijk voor zijn/haar rekening heeft genomen. Het hof heeft in zijn beschikking van 24 mei 2007 bij de vaststelling van de bijdrage van de man tot uitgangspunt genomen dat de vrouw vanaf 14 juni 2006 de extra kosten voor haar rekening zou nemen en heeft bepaald dat voor zover de man tussen 14 juni 2006 en 24 mei 2007 extra kosten heeft betaald het (naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid) onaanvaardbaar zou zijn als de vrouw deze kosten achteraf alsnog aan de man zou dienen te vergoeden (rechtsoverwegingen 4.6 en 4.7). De man stelt dat hij tot 24 mei 2007 de extra kosten (hiervoor vastgesteld op gemiddeld € 220,35 per maand) is blijven betalen, aangezien – zo begrijpt het hof - in de door de rechtbank in de beschikking van 14 juni 2006 bepaalde bijdrage van € 404 per kind per maand dit bedrag van € 220,35 was opgenomen en dat hij daarnaast nog andere kosten heeft betaald. Dit geschilpunt zal in het kader van onderhavige wijzigingsprocedure onderzocht kunnen worden met dien verstande dat het hof (zoals hiervoor onder 4.6 is overwogen) zal uitgaan van een gemiddeld bedrag aan extra kosten over de gehele periode van € 220,35 per kind per maand.
Wijzigingsverzoek art. 1:401, lid 1 BW: periode van mei 2011 tot [dag en maand] 2012
4.10.
Vanaf mei 2011 tot op heden woont [zoon a] (uitsluitend) in gezinsverband met de man en [zoon b] (uitsluitend) in gezinsverband met de vrouw. Beide partijen geven aan dat dit een definitieve situatie is. De behoefte van [zoon a] en [zoon b] is hiervoor vastgesteld op € 830 per kind per maand in 2011. Hiervan betreft een bedrag van (afgerond) € 220 de extra kosten en een bedrag van € 610 de verblijfskosten. Het hof gaat er vooralsnog van uit dat met ingang van mei 2011 partijen de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon a] respectievelijk [zoon b] volledig hebben gesplitst, aldus dat de man alle kosten (verblijfskosten en extra kosten) van [zoon a] betaalt en de vrouw alle kosten van [zoon b]. Aan de zijde van de man zal rekening worden gehouden met de door [zoon a] van DUO ontvangen tegemoetkoming van € 88 per maand alsmede met door hem voor [zoon b] en [zoon a] in Duitsland ontvangen Kindergeld. Aan de zijde van de vrouw zal geen rekening meer worden gehouden met het inkomen van [x], nu ervan uitgegaan dient te worden dat [zoon a] vanaf mei 2011 duurzaam niet meer tot het gezin van de vrouw en [x] behoort. Het hof zal partijen hierna bevelen de relevante financiële gegevens vanaf 2011 (waaronder van jaar tot jaar op te stellen draagkrachtberekeningen) over te leggen teneinde vast te kunnen stellen hoe de kosten van [zoon b] en [zoon a] over deze periode tussen partijen behoren te worden verdeeld. Grieven 3 en 4 van de man slagen in zoverre, en grief I van de vrouw faalt in zoverre.
Kosten van levensonderhoud en studie van [zoon a]: periode vanaf [dag en maand] 2012
4.11.
[zoon a] komt op tegen de beslissing van de rechtbank dat een bijdrage van de vrouw in zijn kosten van levensonderhoud en studie geen onderdeel van het geschil uitmaakte. Het hof zal het verzoek van [zoon a] in behandeling nemen. Voor zijn behoefte tot 1 september 2013 zal worden uitgegaan van de hiervoor vastgesteld behoefte van € 837 per maand in 2012, aangezien [zoon a] nog op de middelbare school zat en zijn behoefte tot die datum ongewijzigd is gebleven. Het standpunt van de vrouw dat vanaf [dag en maand] 2012 kan worden aangeknoopt bij de normen van de Wet studiefinanciering wordt niet gevolgd, waarbij komt dat ook de vrouw onderschrijft dat een hogere bijdrage in de rede kan liggen.
Het standpunt van [zoon a] dat [x], op grond van artikel 1:395a lid 2 BW, dient bij te dragen in zijn kosten van levensonderhoud en studie vanaf [dag en maand] 2012 wordt verworpen. [zoon a] heeft in mei 2011 definitief het gezin van de vrouw verlaten en is bij de man gaan wonen. Hierdoor is de onderhoudsplicht van [x] jegens hem geëindigd.
Met ingang van 1 september 2013 is [zoon a] gaan studeren. Voor zijn behoefte vanaf die datum wordt wel aangeknoopt bij de normen van de Wet studiefinanciering. Uitgegaan zal worden van de beurs voor een uitwonende student van € 522 vermeerderd met collegegeld van € 153, in totaal € 675 onder aftrek van de door hem te ontvangen beurs voor een thuiswonende student van € 98 per maand, derhalve van € 577 per maand.
Het hof zal partijen hierna bevelen de relevante financiële gegevens vanaf 2012 (waaronder van jaar tot jaar op te stellen draagkrachtberekeningen) over te leggen teneinde naar rato van de draagkracht van partijen de aan [zoon a] te betalen bijdrage van de vrouw over de perioden vanaf [dag en maand] 2012 vast te kunnen stellen. Grief 3 van de man slaagt in zoverre.
4.12.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
5 Beslissing
beveelt de man de volgende stukken in het geding te brengen:
- -
jaaropgaven over de jaren 2005 tot en met 2013 van zijn respectieve werkgever(s);
- -
aangiften IB en definitieve aanslagen IB over de jaren 2005 tot en met 2012 en indien al voorhanden de aangifte IB 2013;
- -
bewijsstukken over een van [orkest] (omstreeks 2005 dan wel 2006) ontvangen ontbindingsvergoeding;
- -
bewijsstukken over het jaarlijkse in Duitsland ontvangen Kindergeld vanaf 2005 tot en met heden;
- -
een verklaring van een fiscaal adviseur aangaande de fiscale afwikkeling in Nederland en in Duitsland op grond van het toepasselijke belastingverdrag, in het bijzonder met het oog op de fiscale behandeling van de door de man in Nederland verschuldigde hypotheekrente in verband met zijn woning en in Duitsland eventueel te ontvangen belastingvoordelen;
- -
bewijsstukken aangaande zijn woonlasten van 2005 tot en met 2013;
- -
bewijsstukken aangaande zijn overige (voor de draagkrachtberekening relevante) kosten en lasten van 2005 tot en met 2013;
- -
van jaar tot jaar op te stellen draagkrachtberekeningen over de jaren 2005 tot en met 2013, waarin de inkomsten en kosten zijn verwerkt;
- -
jaaropgaven over de jaren 2005 tot en met 2008 van haar werkgever(s);
- -
aangiften IB en definitieve aanslagen IB over de jaren 2005 tot en met 2008;
- -
bewijsstukken aangaande van de man vanaf april 2008 tot heden ontvangen onderhoudsbijdragen voor [kind a] en [kind b];
- -
bewijsstukken aangaande haar woonlasten van 2005 tot en met maart 2008;
- -
bewijsstukken aangaande de overige voor de draagkracht berekening relevante kosten en lasten (inclusief kosten van [dochter], [kind a] en [kind b]) van 2005 tot en met maart 2008;
- -
van jaar tot jaar op te stellen draagkrachtberekeningen over de jaren 2005 tot en met 2008, waarin de inkomsten en kosten zijn verwerkt;
beveelt de vrouw de volgende stukken in het geding te brengen:
ten aanzien van haarzelf:
- -
jaaropgaven over de jaren 2005 tot en met 2013 van haar werkgever(s);
- -
aangiften IB en definitieve aanslagen IB over de jaren 2005 tot en met 2012 en zo mogelijk de aangifte IB 2013;
- -
bewijsstukken aangaande de woonlasten van 2005 tot en met 2013;
- -
bewijsstukken aangaande de overige kosten en lasten vanaf 2005 tot en met 2013;
- -
van jaar tot jaar op te stellen draagkrachtberekeningen over de jaren 2005 tot en met 2013, waarin de inkomsten en kosten zijn verwerkt;
- -
jaaropgaven over de jaren 2005 tot en met 2011 van zijn werkgever(s);
- -
aangiften IB en definitieve aanslagen IB over de jaren 2005 tot en met 2011;
- -
bewijsstukken aangaande de aan [z] vanaf 2005 betaalde partneralimentatie en onderhoudsbijdragen voor hun twee dochters;
- -
bewijsstukken aangaande zijn overige kosten en lasten van 2005 tot en met april 2011;
- -
van jaar tot jaar op te stellen draagkrachtberekening over de jaren 2005 tot en met april 2011, waarin de inkomsten en kosten zijn verwerkt.
bepaalt dat ieder van partijen deze stukken in viervoud, in vier afzonderlijke mappen, voorzien van tabbladen, waarbij de bewijsstukken en draagkrachtberekeningen per jaar en per onderhoudsplichtige zijn geordend en genummerd, en voorzien van een inventaris, vóór 1 mei 2014 bij brief aan de griffie van dit hof zal toezenden, met afschrift daarvan aan de wederpartij;
bepaalt dat partijen vervolgens vóór 1 juni 2014 schriftelijk op de door de andere partij overgelegde stukken kunnen reageren;
houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot 1 juni 2014 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen-Gunst, A.N van de Beek en W.J. van den Bergh, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2014.