Het hof zal er in dit geding veronderstellenderwijs vanuit gaan dat de bewijslast van het hebben van hoofdverblijf bij Eigen Haard berust. Dat brengt mee dat het in deze kortgedingprocedure erom gaat of Eigen Haard voldoende aannemelijk heeft gemaakt (en niet:
heeft bewezen) dat [appellant sub 1] heeft gehandeld in strijd met zijn verplichting om in de woning zijn hoofdverblijf te hebben en de woning niet aan derden onder te verhuren of in gebruik te geven.
[appellant sub 1] heeft niet (gemotiveerd) betwist dat Eigen Haard op 27 oktober 2014 van een van de buren een melding heeft gekregen dat [appellant sub 1] al een tijd niet meer is gezien en er andere bewoners in de woning woonachtig zijn, waarschijnlijk Oost-Europeanen. Dit geldt eveneens ten aanzien van het feit dat een andere buurman tijdens een onaangekondigd huisbezoek van Eigen Haard op 11 november 2014 heeft verklaard dat [appellant sub 1] volgens hem al heel lang weg is en er wel mensen in de woning zijn, Roemenen of Bulgaren. Beide verklaringen zijn naar het voorlopig oordeel van het hof niet onduidelijk of innerlijk tegenstrijdig en worden bevestigd door de eigen waarneming van twee medewerkers van Eigen Haard bij hun bezoek aan de woning op 18 november 2014 (zie 2.1.6). Daar komt bij dat volgens de advocaat van Eigen Haard bij haar bezoek aan het pand waarin de woning van [appellant sub 1] is gelegen daags voor de zitting bij de voorzieningenrechter – 5 februari 2015 – de directe buren tegenover haar hebben verklaard dat [appellant sub 1] nog steeds niet in de woning verblijft.
Tevens neemt het hof in aanmerking dat [appellant sub 1] geen verklaringen heeft overgelegd van personen uit zijn kennissen- en vriendenkring die kunnen bevestigen dat hij wel zijn hoofdverblijf in de woning heeft (gehad). De bij pleidooi overgelegde brief van [B], voorzitter van de Stichting Scholing, Werk & Uitvoering van 16 april 2015 is hiertoe onvoldoende nu deze daarin (slechts) verklaart [appellant sub 1] ongeveer een keer per week in het kader van dagbesteding ’s- morgens bij de woning op te halen en ’s- middags weer af te zetten, maar niet dat iemand van deze stichting in de woning is geweest of op enigerlei (andere) wijze heeft geconstateerd dat [appellant sub 1] daarin zijn hoofdverblijf heeft. Ook de verklaring van de bewindvoerder van 24 april 2015, hoe uitvoerig ook, biedt met betrekking tot het hebben van hoofdverblijf onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen weerleggen dat [appellant sub 1] geen hoofdverblijf in de woning heeft (gehad).
Uit de pinbetalingen van [appellant sub 1] kan niet worden afgeleid dat hij hoofdverblijf in de woning heeft (gehad). Weliswaar zijn enkele betalingen verricht in de directe omgeving van de woning, maar ook is aantal betalingen op geruime afstand van de woning gedaan. Zoals de advocaat van [appellant sub 1] bij pleidooi – naar ’s hofs oordeel terecht – heeft opgemerkt, kan aan de hand van de bankafschriften niet een volledig beeld worden gecreëerd van de locaties die [appellant sub 1] aandoet (zie p. 8, pleitaantekeningen).
Het feit dat [appellanten] enkele poststukken in het geding hebben gebracht, gericht aan het adres van de woning waar [appellant sub 1] staat ingeschreven, is evenmin voldoende zwaarwegend om te kunnen weerleggen dat [appellant sub 1] op dit adres geen hoofdverblijf houdt. Dit geldt eveneens voor de stelling van [appellant sub 1] dat recentelijk een cv- ketel in de woning is geïnstalleerd door installatiebedrijf Bonarius in opdracht van Eigen Haard, nu Eigen Haard deze stelling gemotiveerd heeft betwist. Ook de overige stellingen van [appellant sub 1] waarmee hij betwist dat hij in de woning geen hoofdverblijf heeft, zijn niet met stukken onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbijgaat.
Het hof komt, in navolging van de voorzieningenrechter, derhalve tot het voorlopig oordeel dat Eigen Haard voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant sub 1] in ieder geval in (de laatste maanden van) 2014 niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad.
De grief moet worden verworpen.