3.5.4
Partijen verschillen louter van mening over de vraag wanneer de verjaringstermijn is aangevangen. Ook voor die vraag is de beslissing in Cogeco van belang.
Het HvJEU heeft in dit arrest voor zover van belang overwogen:
“44 Derhalve mogen de procesregels voor de vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het recht van de Unie ontlenen, niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van 5 juni 2014, Kone e.a., C‑557/12, EU:C:2014:1317, punt 25). Deze regels moeten dienaangaande inzonderheid op het gebied van het mededingingsrecht de doeltreffende toepassing van artikel 102 VWEU onverlet laten (zie in die zin arrest van 5 juni 2014, Kone e.a., C‑557/12, EU:C:2014:1317, punt 26).
45 In deze context, waarin het bij de verjaringstermijnen gaat om regels voor de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van de schade die voortvloeit uit een inbreuk op het mededingingsrecht, moeten ten eerste, zoals de advocaat-generaal in punt 81 van haar conclusie stelt, de regels van het Portugese verjaringsstelsel als geheel in aanmerking worden genomen.
46 Ten tweede moet rekening worden gehouden met het specifieke karakter van mededingingszaken en meer in het bijzonder met de omstandigheid dat de instelling van schadevorderingen wegens inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie in beginsel een complexe feitelijke en economische analyse vereist.
47 In deze omstandigheden moet worden opgemerkt dat een nationale regeling waarin wordt vastgelegd vanaf welke datum de verjaringstermijn gaat lopen en hoe lang en onder welke voorwaarden de schorsing of stuiting ervan plaatsvindt, afgestemd moet zijn op het specifieke karakter van het mededingingsrecht en de doelstellingen die aan de uitvoering van dit recht door de betrokken personen zijn verbonden, teneinde de volle werking van artikel 102 VWEU niet teniet te doen.
48 Hieruit volgt dat de duur van de verjaringstermijn niet zo kort mag zijn dat het daardoor, in combinatie met de overige verjaringsregels in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt het recht op een vergoeding uit te oefenen.
49 Korte verjaringstermijnen, die gaan lopen voordat de door een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie benadeelde persoon ervan op de hoogte kan zijn wie deze inbreuk heeft gepleegd, kunnen het in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken om het recht op vergoeding uit te oefenen.
50 Om een schadevordering te kunnen indienen, is het immers noodzakelijk dat de benadeelde persoon weet wie verantwoordelijk is voor de inbreuk op het mededingingsrecht.
51 Hetzelfde geldt voor een korte verjaringstermijn, die gedurende procedures leidend tot een definitieve beslissing van de nationale mededingingsautoriteit of een beroepsinstantie niet kan worden geschorst of gestuit.
52 Gelet op het effectiviteitsbeginsel is een passende verjaringstermijn immers van bijzonder belang voor schadevorderingen, zowel wanneer die los van een definitieve beslissing van een nationale mededingingsautoriteit zijn ingesteld, als wanneer die naar aanleiding daarvan zijn ingesteld. Bij die laatste soort vorderingen is het niet uitgesloten dat deze verjaringstermijn verstrijkt nog vóór deze procedures zijn voltooid, indien de verjaringstermijn, die begint te lopen voordat de nationale mededingingsautoriteit of een beroepsinstantie de procedures hebben afgerond die leiden tot een definitieve beslissing, te kort is in vergelijking met de duur van deze procedures, en tijdens deze procedures niet kan worden geschorst of gestuit. In dit geval is het voor eenieder die schade heeft geleden onmogelijk om zich bij het instellen van vorderingen te baseren op een definitieve beslissing waarbij een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie wordt vastgesteld.
(…)
55 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag en het onderdeel van de vierde vraag dat betrekking heeft op de verenigbaarheid van een nationale regeling zoals artikel 498, lid 1, CC met het Unierecht, worden geantwoord dat artikel 102 VWEU en het doeltreffendheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling waarin ten eerste is bepaald dat de verjaringstermijn voor schadevorderingen drie jaar bedraagt en ingaat op de dag waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de aanspraak die hij geldend kan maken, ook al is niet bekend wie aansprakelijk is, en ten tweede niet is voorzien in een mogelijkheid deze termijn gedurende een procedure voor de mededingingsautoriteit te schorsen of te stuiten.”
Uit deze overwegingen blijkt, dat het effectiviteitsbeginsel gelet op het bijzondere karakter van mededingingsinbreuken, in het bijzonder in geval van follow-on vorderingen, meebrengt dat de benadeelde de definitieve beslissing van de mededingingsautoriteit (inclusief eventueel beroep) moet kunnen afwachten en daarna nog voldoende tijd moet hebben om zijn vordering tot schadevergoeding in te stellen, zonder dat een nationaal verjaringsregime, in zijn geheel beschouwd, daaraan in de weg mag staan. Hoewel het HvJEU rept van nationale mededingingsautoriteiten geldt die regel, gelet op de door het HvJEU toegelichte achtergrond, evenzeer voor de Commissie als Unierechtelijke autoriteit. In de zaak Cogeco was geen sprake van een Unierechtelijke autoriteit die oordeelde over het kartel, zodat er, bij het beantwoorden van de vragen, geen aanleiding bestond om daarop in te gaan.
3.5.6
Tegen die achtergrond en gelet op de visie van het HvJEU zoals die blijkt uit Cogeco moet er naar het oordeel van dit hof van uitgegaan worden dat een met het Unierecht overeenstemmende uitleg van het Spaanse recht inhoudt dat in het onderhavige geval ten minste de definitieve beslissing van de mededingingsautoriteiten, inclusief beroepsinstantie, moet kunnen worden afgewacht voordat de verjaringstermijn aanvangt. Daarbij is van belang dat het hier, anders dan in Cogeco waar misbruik van een monopolie aan de orde was, om een kartel gaat. Daarbij zijn verschillende deelnemers betrokken. Voor de schade ten gevolge van een kartel is van belang welke rechtspersonen zich in welke periode aan welke mededingingsinbreuk schuldig hebben gemaakt. Dat betekent dat die definitieve beslissing in dit geval niet reeds gegeven is met de beschikking van de Commissie en het niet instellen van beroep daarvan door Kemira maar pas met het oordeel van de Europese rechter bedoeld in 2.5, aldus op zijn vroegst op 17 mei 2011.
Daaraan doet niet af dat met het niet in beroep gaan tegen de beschikking van de Commissie door Kemira, naar Kemira op zichzelf terecht stelt, de mededingingsinbreuk van Kemira en de gehoudenheid van Kemira tot het betalen van de daarbij vastgestelde boete vast stond. Die boete regardeert immers de benadeelden niet en de enkele omstandigheid dat sprake was van een mededingingsinbreuk is naar Spaans recht niet voldoende om de verjaringstermijn te doen aanvangen. Daartoe moet enig inzicht in de schade bestaan in die zin dat daarvan althans enige berekening valt te maken. De schade is in hoge mate afhankelijk van de duur, aard en omvang van die inbreuk. Voor die omvang van de mededingingsinbreuk, en daarmee de schade waarvan de afnemers vergoeding konden vorderen, en voor de vaststelling van de daarvoor aansprakelijke partijen was de beslissing van de Europese rechter op het beroep van andere karteldeelnemers dan Kemira relevant. De afnemers kunnen immers, in elk geval in beginsel, alle karteldeelnemers aanspreken tot vergoeding van de gehele door hen geleden schade ten gevolge van de single and continuous infringement op de mededinging door die karteldeelnemers, zij het dat daarbij telkens de periode van deelname van elke karteldeelnemer in aanmerking moet worden genomen.
Daaraan doet evenmin af dat, zoals Kemira stelt en onderbouwt, naar Spaans recht niet zonder meer geldt dat alle karteldeelnemers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade, althans dat beperkingen gelden als slechts één van de karteldeelnemers wordt aangesproken. Dat aspect ziet op de inhoudelijke beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering die los staat van de aanvang van de verjaringstermijn.
3.5.7
Dat in 2009 enige afnemers al cessie-overeenkomsten hebben gesloten, kennelijk omdat deze afnemers daarover met CDC gesproken hebben naar aanleiding van een ander kartel, doet aan het vorenstaande niet af. Het staat afnemers die menen dat zij schade hebben geleden als gevolg van een kartel immers, zoals CDC benadrukt, vrij om, zodra zij zelf menen daarvoor over voldoende informatie te beschikken, een procedure tot schadevergoeding te beginnen. Zij mogen immers zelfs voordat enige mededingingsautoriteit zich over de kwestie heeft gebogen een procedure entameren. Dat is echter niet van belang voor de onderhavige vraag naar de aanvang van de verjaringstermijn naar Spaans recht en de mate van zekerheid over de feiten die daarvoor is vereist. Daarbij verdient opmerking dat de afnemers genoemd in 2.6 c respectievelijk d, de cessie-overeenkomst met CDC hebben getekend op 21 april 2011, zij het dat Kemira stelt dat zij over aanwijzingen beschikt dat Ceasa in oktober 2010 reeds in overleg was met CDC.