9.2
In artikel 17 lid 1 van de maatschapsovereenkomst is bepaald dat bij opzegging door een maat de overblijvende maten verplicht zijn aan de vertrekkende maat het in artikel l6 lid 2 sub a genoemde bedrag uit te keren, te weten: diens saldo van de kapitaalrekening in de eindbalans als bedoeld in artikel 11 lid 2 in samenhang met artikel 12 lid 1 van de maatschapsovereenkomst.
9.2.1
In artikel 12 van de maatschapsovereenkomst wordt de vaststelling van de jaarstukken overgelaten aan de maatschapsvergadering waarin aan de hand van, door de accountant gereed gemaakte, jaarstukken, de maten onder meer de daarin opgenomen hoogte van de kapitaalrekening moeten vaststellen. Bij die vaststelling te hanteren vertrekpunten en regels ontbreken in de schriftelijk vastgelegde maatschapsovereenkomst.
9.2.2
GCC heeft gesteld dat tussen de maten afspraken zijn gemaakt over de te volgen systematiek voor het opstellen van de jaarrekening. Meer in het bijzonder heeft GCC gesteld dat is afgesproken dat tot de omzet van een bepaald jaar wordt gerekend de door het ziekenhuis gerapporteerde omzet betreffende verrichtingen in dat jaar, zoals die omzet uiterlijk in de eindafrekening in februari van het opvolgende jaar is vermeld. Alle daarna vastgestelde omzet, ook als die betrekking heeft op verrichtingen in het voorafgaande jaar, wordt niet verwerkt in de jaarstukken van dat jaar maar in die van het opvolgend jaar. [geïntimeerde] heeft weersproken dat tussen de maten op dit punt een bindende afspraak is gemaakt. GCC erkent dat de door haar gestelde afspraak niet schriftelijk is vastgelegd in notulen of anderszins maar zij wijst erop dat sprake is van een reeds jaren bestaand gebruik: de eindafrekening door het ziekenhuis in de maand februari van (in dit geval) 2009 is beslissend voor de omvang van de in de jaarstukken van (in dit geval) 2008 te verantwoorden omzet.
9.2.3
Het hof is van oordeel dat het enkele langjarig bestaan van het door GCC gestelde gebruik weliswaar van belang kan zijn maar dat dit op zich niet doorslaggevend is om aan te nemen dat de maten jegens elkaar zijn gebonden op voorhand in te stemmen met de door GCC beschreven wijze van het verwerken van de omzet in de kapitaalrekening van enig jaar. Zoals overeenstemt met het karakter van de jaarlijkse vaststelling van jaarstukken, dienen de vennoten jaarlijks te beslissen of zij wel of niet instemmen met de door de accountant voorbereide jaarstukken. Die in de maatschapsovereenkomst verankerde regeling veronderstelt in beginsel een keuzevrijheid, waarbij afhankelijk van de omstandigheden ieder jaar andere argumenten een rol kunnen spelen ook ten aanzien van de wijze waarop omzet en winst dienen te worden toegerekend aan het lopende dan wel voorafgaande boekjaren.
9.2.4
Daarbij komt het aan op hetgeen de maten, wier onderlinge rechtsverhouding wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid, over en weer van elkaar mogen verwachten. Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien (artikel 6:248 lid 1 BW). De betrokken maten dienen daarbij rekening te houden met hun wederzijdse belangen en het belang van de maatschap als gezamenlijkheid. Bij de vaststelling van hetgeen de redelijkheid en billijkheid in de gegeven situatie eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken (artikel 3:12 BW). Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden van het gegeven geval te worden betrokken. In dat verband overweegt het hof het volgende.
9.2.5
In de eerste plaats gaat het in het onderhavige geval om de jaarstukken van een maatschap. Voor dergelijke jaarstukken geldt geen publicatieverplichting. Zij zijn vooral bedoeld voor de periodieke (jaarlijkse) onderlinge rekening en verantwoording van de vennoten en voor de jaarlijkse verantwoording van de individuele vennoten jegens de fiscus. In de overeenkomst komt dit tot uitdrukking in artikel 11 lid 5 en in het vereiste dat in beginsel ieder der vennoten dient in te stemmen met de jaarstukken. In die zin moet sprake zijn van een getrouw beeld van de toestand van het gezamenlijke vermogen.
9.2.6
In de tweede plaats kan het van belang zijn dat het in deze zaak gaat om een eindbalans als bedoeld in artikel 16 lid 2 in samenhang met artikel 11 lid 2 en artikel 12 lid 1 van de overeenkomst. Anders dan bij reguliere jaarstukken het geval is, dient de eindbalans er vooral toe een zuiver beeld te geven van de omvang van het recht van een vertrekkende maat jegens de maten die maatschap voortzetten. Het gaat om de vaststelling van de omvang van het gezamenlijke vermogen waarop ieder van hen recht heeft. Anders dan bij de reguliere jaarstukken zal daarbij in beginsel het gehele vermogen zichtbaar dienen te worden gemaakt, ook als reeds bestaande onderdelen daarvan normaal gesproken pas zichtbaar zouden worden gemaakt in een volgend jaar, zoals bijvoorbeeld stille reserves en onderhanden werk. In het geval van een eindbalans vloeit indien de overeenkomst daarover zwijgt, het activeren van deze “stille” delen van het vermogen voort uit de eisen van redelijkheid en billijkheid. Zij vertegenwoordigen immers een reële economische waarde waarin ook de vertrekkende maat deelgerechtigd is.
9.2.7
In de derde plaats komt betekenis toe aan de omstandigheid dat het systeem van ziekenhuisfinanciering in 2008 ingrijpend is gewijzigd. Sinds 1995 werd de omvang van het honorarium van de medisch specialisten, kort gezegd, bepaald door een functiegerichte wijze van financiering waarbij een lumpsum per medisch specialisme werd uitbetaald. Na afloop van een (kalender)jaar werd bepaald of een nabetaling diende plaats te vinden.
Per 1 januari 2005 werd de wijze van financiering gewijzigd door de invoering van zogenoemde DBC’s (Diagnosebehandelcombinaties), waarbij aan de hand van zorgcodes een vergoeding wordt bepaald voor een zorgtraject (de activiteiten en verrichtingen die een patient doorloopt in het kader van een bepaalde diagnose en de daarop volgende behandeling). De definitieve vergoeding voor een DBC wordt achteraf vastgesteld bij het “afsluiten” van de DBC.
9.2.8
De periode van 1 januari 2005 tot 1 januari 2008 is gebruikt als een overgangsperiode waarin al wel werd gewerkt met DBC’s maar waarin de vergoedingen nog werden vastgesteld aan de hand van zogenoemde Functie Budgetparameters. Per 1 januari 2008 is de lumpsumregeling afgeschaft en werden ook de vergoedingen aan de hand van de DBC’s vastgesteld. Per 1 januari 2008 waren er daardoor lopende DBC’s waarin al werk was verricht maar waarvoor nog geen vergoeding was vastgesteld omdat de DBC’s nog niet waren afgesloten. Per die datum was daarmee een waardering van het onderhanden werk vereist. De maten mochten op grond van de redelijkheid en billijkheid in hun onderlinge verhouding van elkaar verwachten dat deze wijzigingen een verandering van de presentatie van de resultaten en het vermogen in de jaarstukken tot gevolg zou hebben. Ook de werkzaamheden die in een bepaald jaar (in dit geval het jaar 2008) al zijn verricht maar nog niet in het omzetoverzicht van het ziekenhuis zichtbaar zijn gemaakt, worden tot het zichtbaar te maken onderhanden werk van dat jaar gerekend.
9.2.9
Tussen partijen is in discussie of met betrekking tot het onderhanden werk alleen de mutatie of de totale waarde daarvan zichtbaar moet worden gemaakt in de jaarstukken. Het hof overweegt dienaangaande dat weliswaar de mutatie van het onderhanden werk in een bepaald jaar zichtbaar maakt in hoeverre sprake is van een wijziging in de omvang van al verrichte maar nog niet gefactureerde werkzaamheden. Die mutatie op zich laat echter niet zien wat de totale omvang van het onderhanden werk is, terwijl het bij de vaststelling van de omvang van het te verdelen vermogen juist gaat om die totale omvang. Ook als GCC voor de reguliere jaarstukken een afspraak zou hebben gemaakt dat zij in de balans het daarin op te nemen onderhanden werk baseert op de mutatie daarvan, dan biedt dat op de hiervoor gegeven gronden voor het maken van een eindbalans onvoldoende reden voor het toepassen van die berekeningswijze.
9.2.10
In de vierde plaats en in het verlengde van het vorenstaande dient rekening te worden gehouden met het volgende. De definitieve omvang van het honorarium kan vanwege de complexiteit van het financieringssysteem pas achteraf worden vastgesteld. Het ziekenhuis en in haar verlengde de maatschap zijn daarbij afhankelijk van administratieve systemen en de overheid. Op zich wijst GCC er terecht op dat het daarom voor de hand ligt bij de berekening van de kapitaalrekening voor een bepaald jaar vast te houden aan de gekozen werkwijze waarbij het overzicht, dat het ziekenhuis in februari van het opvolgend jaar verstrekt, bepalend is. De maatschap heeft daarbij een redelijk belang vanwege de boekhoudkundige aansluiting op voorgaande jaren en vergelijking van de resultaten van de maatschap met die van voorafgaande jaren. Dit argument gaat er, zoals hiervoor reeds is overwogen, echter aan voorbij dat het bij de omstreden balans gaat om een eindbalans en dat nu juist in 2008 de ziekenhuisfinanciering ingrijpend is gewijzigd waardoor aansluiting op voorgaande jaren niet optimaal mogelijk is. Het “verschuiven” van delen van het vermogen (in dit geval het onderhanden werk) is dan niet in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid omdat een (substantieel) deel, waarvan de omvang kan variëren naar gelang er sneller of trager wordt gefactureerd, buiten het bereik van een deelgerechtigde (de uittredende vennoot) wordt gebracht. Daarmee verliest het door het ziekenhuis gebezigde en door de rechtbank (ten dele) overgenomen argument van een op de voorgaande jaren gebaseerde wijze van berekening en een afspraak met het ziekenhuis, gemaakt met het oog op de reguliere jaarverslaglegging, aan betekenis.
9.2.11
Het vorenstaande komt er op neer dat op het moment dat [geïntimeerde] uit de maatschap trad de door hem gevorderde posten onderdeel uitmaakten van het gezamenlijk vermogen. Nu bijzondere afspraken of regelingen tussen partijen ontbreken om die onderdelen bij een verdeling wegens uittreden buiten beschouwing te laten, mag [geïntimeerde] van GCC verwachten dat de gevorderde posten in de verdeling zullen worden betrokken en worden verwerkt in de kapitaalrekening. In zoverre falen de grieven.
9.2.12
Dat [geïntimeerde] van de door de maatschap bepleite rekenwijze heeft geprofiteerd bij zijn intrede in de maatschap en bij het vertrek van maten in de jaren vóór 2008, alsmede dat die maten wellicht nadeel hebben gehad van de door maatschap voorgestane rekenwijze, is wellicht juist maar dat voordeel komt ook de overige (thans zittende) maten toe en het zijn slechts hun belangen en niet die van reeds vertrokken vennoten die hier gewicht in de schaal leggen.
9.2.13
Het vorenstaande geldt voor alle hierna onder a) tot en met e) genoemde onderdelen van de vordering van [geïntimeerde] . Het te verdelen vermogen omvat daarmee de volgende posten:
a) nabetalingen betreffende 2008 vastgesteld na februari 2009;
b) onderhandenwerk;
c) aandeel in de affiliatiegelden 2007 en 2008;
d) aandeel in restitutie btw over 3e kwartaal 2007 t/m 3e kwartaal 2008;
e) aandeel over 2007/2008 vergoeding regiegroep 2007 - 2009;
9.2.14
De grieven 5 tot en met 9 in het principaal hoger beroep falen. De omvang van de posten a, c, d, en e is door GCC onvoldoende weersproken.
9.3
Ten aanzien van de incidentele grief overweegt het hof dat ook het onderhanden werk voor zover dat is te herleiden tot werkzaamheden gedurende de periode dat [geïntimeerde] nog lid was van de maatschap, op bovenstaande gronden, dient te worden betrokken in de berekening van het te verdelen vermogen. In zoverre slaagt de grief.
9.3.1
Voor de omvang van het onderhanden werk waarmee rekening moet worden gehouden, geldt het volgende. GCC heeft de door [geïntimeerde] gevolgde rekenwijze (toerekening van de helft van het in 2009 vastgestelde onderhanden werk aan werkzaamheden in 2008) gemotiveerd weersproken.
9.3.2
Het hof is met GCC van oordeel dat de door [geïntimeerde] gestelde berekening van de omvang van het onderhanden werk, het risico in zich draagt van dubbeltelling. Daarbij is van belang dat er in 2008 een wisseling van financieringssysteem, zoals hiervoor omschreven, heeft plaatsgevonden waarbij de lumpsumregeling is afgeschaft en is begonnen met het relateren van de omzet aan DBC’s. Voor de vaststelling van de omvang van het onderhanden werk is onderzoek door deskundigen nodig, mogelijk op dossierniveau. Daarbij is mogelijk een deskundige met expertise op het gebied van accountancy niet toereikend en is niet uitgesloten dat tevens een chirurg benoemd moet worden. Een dergelijk onderzoek zal langdurig en kostbaar zijn. Het hof kan zich voorstellen dat partijen met de in dit arrest genomen beslissingen in staat zijn om thans tot een oplossing te komen zonder dat ook op dat laatste punt het hof de knoop door dient te hakken.
9.3.3
Alvorens definitief op de incidentele grief te beslissen zal het hof om die reden hierna een comparitie van partijen bevelen om te bezien of een schikking haalbaar is en als dat niet het geval is om overleg te hebben met partijen over het aantal en de personen van de deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen.