Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2018/42 V-N 2018/13.1.1 Belastingadvies 2018/7.7 NLF 2018/0159 met annotatie van NLF 2018/0159 met annotatie van NTFR 2018/246 met annotatie van mr. J.D. Schouten
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 maart 2017, nummers AWB 16/4857 en 16/4859 tot en met 16/4864, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De Inspecteur heeft de verzoeken van belanghebbende om ambtshalve vermindering van de over de jaren 2010, 2011, 2012 en 2013 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de over de jaren 2010, 2011 en 2012 opgelegde aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw), en de daarbij bij beschikkingen berekende heffingsrente dan wel belastingrente afgewezen.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
2 Vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende woonde in 2010 tot en met 2013 in Nederland en heeft naast de Australische nationaliteit de Nederlandse nationaliteit. Belanghebbende heeft in de jaren 2010 tot en met 2013 een pensioen ontvangen uit Australië.
2.2.
Belanghebbende heeft een ontheffingsbeschikking van de Sociale verzekeringsbank ten aanzien van de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet. Belanghebbende beschikt niet over een ontheffingsbeschikking ten aanzien van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Zvw.
3 Geschil
3.1.
In geschil is het antwoord op de vraag of het door belanghebbende genoten Australische pensioen behoort tot het premie-inkomen voor de volksverzekeringen en tot het bijdrage-inkomen voor de berekening van de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslagen.
3.3.
De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4 Beoordeling van het geschil
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende, die in Nederland woont en derhalve ingezetene is, op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) als verzekerde voor de volksverzekeringen en op grond van artikel 16, eerste lid, van de Zvw als verzekerde voor de Zvw moet worden aangemerkt. Evenmin is in geschil dat de belastingheffing over het door belanghebbende genoten Australische pensioen op grond van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, zoals gewijzigd op 30 juni 1986 (hierna: het Belastingverdrag) is toegewezen aan Australië. Verder is niet in geschil dat op het door belanghebbende genoten Australische pensioen een bronheffing is ingehouden die enkel bestaat uit een belastingbedrag, dat Australië geen stelsel van premieheffing kent ten behoeve van de sociale zekerheid of de medische verzorging en dat de totale belastingopbrengsten in Australië voor een zeer aanzienlijk gedeelte mede worden aangewend voor socialezekerheidsuitkeringen en medische voorzieningen. Voorts is niet in geschil dat belanghebbende in Nederland medische verzorging geniet die niet voor rekening komt van Australië.
4.2.
Belanghebbende is als verzekerde voor de volksverzekeringen en de Zvw op grond van artikel 7 van de Wfsv een premie over het premie-inkomen en op grond van artikel 41 van de Zvw een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd. De artikelen 7 en 8 van de Wfsv in combinatie met hoofdstuk 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 43 van de Zvw bepalen dat het Australische pensioen wordt gerekend tot het premie-inkomen voor de volksverzekeringen en tot het bijdrage-inkomen voor de berekening van de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.
4.3.
Belanghebbende stelt dat ter voorkoming van dubbele belasting op grond van het Belastingverdrag bij de berekening van het premie-inkomen voor de volksverzekeringen en het bijdrage-inkomen voor de berekening van de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage Zvw het Australische pensioen buiten beschouwing moet worden gelaten. Belanghebbende is in Australië, door de onderworpenheid van zijn pensioen aan de Australische belastingheffing, onderworpen aan een belastingheffing voor sociale zekerheid en medische verzorging. De uitgaven daarvoor worden in Australië, anders dan in Nederland, uit de algemene belastingmiddelen voldaan. Daarnaast is belanghebbende - indien wordt uitgegaan van een materiële uitleg van het premiebegrip - ook in Nederland onderworpen aan belastingheffing voor sociale zekerheid en medische zorg.
4.4.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende als inwoner van Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen en de Zvw. Het door belanghebbende genoten Australische pensioen is blijkens de Wfsv en de Zvw terecht tot het premie-inkomen respectievelijk het bijdrage-inkomen gerekend. De heffing van premie volksverzekeringen en Zvw is niet aan te merken als belastingheffing, zodat geen sprake is van dubbele belastingheffing en het Belastingverdrag tussen Nederland en Australië is daarom bij de beoordeling van het geschil niet relevant, aldus de Inspecteur.
4.5.
Het Hof is van oordeel dat het Belastingverdrag Nederland-Australië betrekking heeft op belastingheffing, zodat dat verdrag niet van toepassing is op de heffing in Nederland van premies voor de sociale verzekeringswetten. Anders dan belanghebbende bepleit, is het Hof van oordeel dat de heffing van premies voor de volksverzekeringen en de Zvw niet kan worden aangemerkt als belastingheffing. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de wetgever met het begrip premie, zoals neergelegd in de Wfsv en de Zvw tevens het oog heeft gehad op heffing van belastingen (vergelijk Hoge Raad van 22 april 2016, 15/03689, ECLI:NL:HR:2016:704). Van een dubbele belastingheffing is derhalve geen sprake.
4.6.
Het Hof is voorts van oordeel dat het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Australië inzake sociale zekerheid niet van toepassing is op de heffing van premies voor de volksverzekeringen en de Zvw, omdat in artikel 2, zevende lid, van dit verdrag is bepaald dat het niet van toepassing is op regelingen inzake sociale en medische bijstand.
4.7.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente en belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5 Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6 Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is op 19 december 2017 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (A.E. Keulemans)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 21 december 2017
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH DEN HAAG.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: