De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] , gelet op de verklaringen van [promotor] en [programmadirecteur] , vrij was haar werkzaamheden in te richten op de wijze die zij in overleg met haar studenten zelf bepaalde. Dat dit werk aan bepaalde kwaliteitseisen van [geïntimeerde] moet voldoen, doet aan dat oordeel geen afbreuk, aldus de kantonrechter.
In de toelichting op de hiertegen gerichte grieven 5 en 6 voert [appellant] aan dat dit voor alle scriptiebegeleiders geldt, ook als zij in loondienst van [geïntimeerde] zijn. [programmadirecteur] heeft haar voorts op eigen initiatief in het begin begeleid bij haar werkzaamheden voor studenten van zijn afdeling en [leidinggevende bachelorafdeling] , indertijd leidinggevende van de bachelorafdeling Accountancy, begeleidde haar ook bij twee scripties van die afdeling. [geïntimeerde] stuurde haar aan. Dat volgt ook uit de door het secretariaat geplande docententrainingen en -bijeenkomsten die zij diende bij te wonen.
Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter terecht het standpunt van [appellant] verworpen dat de geboden begeleiding in het begin een uiting is van de instructiebevoegdheid van een werkgever en voorts overwogen dat niet valt in te zien dat zulks niet zou passen bij een andere verhouding dan een arbeidsovereenkomst. Het hof voegt daaraan nog toe dat [appellant] niet heeft gesteld en onderbouwd dat zij deze hulp (die ook gezien kan worden als een uiting van collegialiteit) niet had mogen weigeren, als zij daaraan geen behoefte zou hebben gehad.
Met betrekking tot de docententrainingen en -bijeenkomsten heeft [geïntimeerde] er, onder verwijzing naar producties waar dat uit blijkt, op gewezen dat aan [appellant] tevoren is gevraagd of zij beschikbaar was voor begeleiding in het bewuste semester en op de voor de cursus uitgetrokken dagen. Pas na haar bevestiging is zij bij een groep ingedeeld. Uit de verklaringen van [promotor] en [programmadirecteur] kan voorts worden afgeleid dat [appellant] - voor zover het haar begeleidingswerkzaamheden betreft - niet aan een rooster was gebonden. Dat voor studenten een rooster gold, is dan ook niet van belang. Voor de gebondenheid van [appellant] aan een rooster zijn evenmin aanwijzingen te vinden in de docentenhandleiding.
Het hof overweegt voorts dat [appellant] weliswaar stelt dat scriptiebegeleiders in loondienst dezelfde vrijheid hebben als zij voor wat betreft de indeling van de scriptiewerkzaamheden, maar zij heeft niet gesteld en onderbouwd dat collega's in loondienst uitsluitend werkzaamheden als scriptiebegeleider verrichten en dat in hun geval ook overigens geen sprake was van instructiebevoegdheid van [geïntimeerde] als werkgever.
De grieven 5 en 6 falen.