[verweerster] verzoekt het hof in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking behoudens de door de kantonrechter per 1 september 2017 uitgesproken ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en daarbij:
A. te verklaren voor recht dat een dringende reden voor het op 24 april 2017 door Omega aan [verweerster] gegeven ontslag op staande voet ontbreekt en dat de kantonrechter dit ontslag op staande voet daarom terecht heeft vernietigd;
en om Omega te veroordelen tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van:
B. € 12.248,73 bruto als het loon over de periode van 24 april tot 1 september 2017, vermeerderd met 8% vakantiebijslag;
C. € 2.309,- bruto als 8% vakantiebijslag over de periode 1 juni 2016 tot 24 april 2017;
D. € 1.511,92 bruto als de eindejaarsuitkering over de periode van 1 januari 2017 tot 1 september 2017;
E. € 2.726,08 bruto als 114,27 niet opgenomen verlof-uren;
F. € 9.397,87 bruto als de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, gesteld op 50% van het hiervoor sub B. tot en met E. gevorderde;
G. € 9.766,20 bruto als de transitievergoeding;
H. € 5.000,- als billijke vergoeding;
I. de wettelijke rente over het gevorderde onder sub B. tot en met H. hiervoor vanaf de vervaldata tot aan de datum der voldoening;
J. € 823,- als proceskosten in eerste aanleg;
en om Omega te veroordelen tot betaling aan [verweerster] van:
K. de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep,
waarop Omega in mindering kan brengen het bedrag van € 18.332,49 netto dat zij aan [verweerster] heeft voldaan.