4 De beoordeling
4.1
[appellant] heeft zeven bezwaren ("grieven") aangevoerd tegen het door de kantonrechter gewezen vonnis. Die grieven betreffen de volgende onderwerpen:
a. kan [appellant] in deze procedure schade vorderen (grief 1)?
b. is sprake van schending van de verplichting zich als goed werkgever te gedragen of een onrechtmatige daad van Hamilton Bright (grieven 2, 3 en 4)?
c. is sprake van schade (grieven 5, 6 en 7)?
4.2
De grieven worden hierna op basis van deze rubricering (en dus deels gezamenlijk) behandeld.
ad a. kan [appellant] in deze procedure schade vorderen (grief 1)?
Kantonrechter
4.3
Hamilton Bright heeft in eerste aanleg het verweer gevoerd dat [appellant] de schade die hij in deze procedure vordert bij wijze van billijke vergoeding in de verzoekschriftprocedure had kunnen en dienen te vorderen. Door Hamilton Bright is om die reden betoogd dat [appellant] niet-ontvankelijk verklaard diende te worden in zijn vordering.
4.4
In het kader van de beoordeling van dit verweer is de kantonrechter (ook) ingegaan op het door [appellant] ter verwerping van dat verweer aangedragen argument dat hij destijds nog geen schade kon vorderen omdat onduidelijk was of [appellant] wel kon terugkeren naar zijn plaats van tewerkstelling, te weten bij Philips Lighting. Volgens de kantonrechter was dat echter wel duidelijk. Zij overwoog:
"Op dat moment was immers naar het oordeel van de kantonrechter al duidelijk dat [appellant] niet terug zou kunnen keren naar Philips omdat daar inmiddels een andere werknemer van Hamilton Bright was tewerkgesteld."
Dat nam echter niet weg dat de kantonrechter het ontvankelijkheidsverweer verwierp en de zaak vervolgens is gaan beoordelen op de door [appellant] daarvoor aangevoerde grondslagen van artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap) en 6:162 BW (onrechtmatige daad).
4.5
komt tegen de zojuist geciteerde passage uit de overwegingen van de kantonrechter op. Hij betoogt ook in hoger beroep dat het destijds, na de ontslagverlening, onduidelijk was of hij zou kunnen terugkeren naar Philips Lighting. In de toelichting op zijn grief staat hij ook nog stil bij andere aspecten van de zaak, zoals de overweging van de kantonrechter dat het ontslag destijds door Hamilton Bright uit proceseconomische overwegingen is ingetrokken. Dat is volgens [appellant] niet waar. Ook merkt hij op dat destijds niet te voorzien was dat het zo lang zou duren (tot 1 maart 2019) voordat hij weer aan het werk kon komen.
4.6
Wat de kantonrechter heeft overwogen gold als onderbouwing van het oordeel dat het ontvankelijkheidsverweer van Hamilton Bright werd verworpen. De grief van [appellant] richt zich niet tegen die verwerping. In zoverre heeft [appellant] geen belang bij beoordeling van zijn grief. Hamilton Bright heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de verwerping van haar ontvankelijkheidsverweer. Ook in zoverre is er dus geen belang. Uit het vervolg van dit arrest zal echter blijken dat de grieven van [appellant] (deels) slagen. Dat betekent dat het hof het nu besproken, in eerste aanleg gevoerde, ontvankelijkheidsverweer (dat door Hamilton Bright niet is ingetrokken of prijsgegeven) wel zal moeten beoordelen. Dat wordt wel genoemd de "devolutieve werking" van het hoger beroep.
4.7
[appellant] heeft er destijds voor gekozen te berusten in de intrekking van het ontslag. Dat stond hem vrij. In de door hem aanhangig gemaakte verzoekschriftprocedure was (op de voet van artikel 7:681 BW) primair vernietiging van het ontslag en subsidiair een billijke vergoeding gevorderd. Door de berusting in de intrekking van het ontslag kon de rechter niet meer toekomen aan beoordeling van deze vorderingen. Waar van een ontslag dus, na de (berusting in de) intrekking daarvan, geen sprake meer was kon [appellant] evenmin anderszins nog een op de gevolgen van dat ontslag gebaseerde billijke vergoeding vorderen. Hij kon echter nog wel het handelen van de werkgever aanmerken als strijdig met haar verplichting zich als goed werkgever te gedragen en/of onrechtmatig handelen en op die basis een vordering indienen die gebaseerd was op het ontstaan van een aanspraak tijdens (en niet: na of als gevolg van de beëindiging van) het dienstverband. Voor het indienen daarvan bestaat geen vervaltermijn, maar gelden de normale verjaringsregels. Op verjaring is geen beroep gedaan. In de nu ingestelde vorderingen is [appellant] dan ook ontvankelijk.
b. is sprake van schending van de verplichting zich als goed werkgever te gedragen of een onrechtmatige daad van Hamilton Bright (grieven 2, 3 en 4)?
Kantonrechter
4.8
De kantonrechter heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat Hamilton Bright toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [appellant] dan wel haar verplichting zich als goed werkgever te gedragen niet is nagekomen. Zij heeft in dat verband geen betekenis toegekend aan de overweging van de kantonrechter in diens beschikking 27 juli 2016 dat Hamilton Bright zich niet als goed werkgever heeft gedragen omdat het in die zaak ging om een andere vordering, namelijk die tot tewerkstelling bij Philips Lighting. Het enkele feit dat het ontslag op staande voet is ingetrokken duidt, aldus de kantonrechter, evenmin op slecht werkgeverschap omdat het is ingetrokken uit proceseconomische overwegingen. Voor het
ontslag op staande voet had Hamilton Bright, zo overweegt de kantonrechter tenslotte,
serieuze verdenkingen.
4.9
In zijn grieven 2 tot en met 4 komt [appellant] op tegen dit oordeel. Hij voert, samengevat, het volgende aan. Het oordeel van de kantonrechter in de beschikking van 27 juli 2016 over de kwaliteit van het werkgeverschap van Hamilton Bright was een zelfstandig, los van de kwestie van de tewerkstelling, gegeven oordeel. Het ontslag is bovendien niet ingetrokken uit proceseconomische overwegingen (ook al zegt Hamilton Bright dat) maar omdat Hamilton Bright inzag dat het ten onrechte was gegeven. Gronden voor het ontslag op staande voet waren er niet. [appellant] mocht privékilometers maken met de hem ter beschikking gestelde leaseauto. Kilometers boven de 10.000 per jaar mocht de werkgever aan hem in rekening brengen. Meer tanken dan mogelijk was is niet gebeurd. De tank van zijn auto kon gemakkelijk meer dan 45 liter hebben. Op 22 december 2015 is 61,2 liter getankt en daarmee is, anders dan de kantonrechter stelt, niet 20 kilometer gereden, maar 850. In de week daarna heeft hij bovendien niet 3.550 kilometer gereden (zoals de kantonrechter tot uitgangspunt neemt) maar 2.450 kilometer. Dat aantal kilometers spoort met de getankte hoeveelheid brandstof en de genoteerde kilometerstanden.
4.10
Het oordeel van de kantonrechter in diens beschikking van 27 juli 2016 over de kwaliteit van het werkgeverschap van Hamilton Bright bond de kantonrechter in deze zaak niet en bindt (dus) ook het hof niet. Dat oordeel is gegeven in een zaak met andere inzet en dus ander geschilpunt, namelijk de vraag of Hamilton Bright verplicht was [appellant] , na intrekking van het ontslag op staande voet opnieuw te plaatsen bij Philips Lighting. De kantonrechter heeft met zijn oordeel in de beschikking van 27 juli 2016 dus geen beslissing gegeven in de rechtsbetrekking die hier in geschil is. Voor zover [appellant] heeft willen betogen dat het hof aan dat oordeel is gebonden wordt hij daarin dus niet gevolgd (vgl. art. 236 Rv). Voor het overige geldt dat het hof zich in deze zaak een zelfstandig oordeel zal hebben te vormen over de vraag of Hamilton Bright als goed werkgever heeft gehandeld.
4.11
Indien een dringende reden voor het ontslag op staande voet ontbrak werd door Hamilton Bright gehandeld in strijd met haar verplichting zich als goed werkgever te gedragen door dat ontslag niettemin te geven. De latere intrekking van het ontslag - welke reden daaraan ook ten grondslag lag - kon de onzorgvuldigheid van het verlenen ervan niet meer wegnemen. Hooguit werden de directe gevolgen van het ontslag verzacht: het dienstverband bleef in stand en [appellant] ontving salaris.
4.12
Om te kunnen beoordelen of Hamilton Bright zich niet als goed werkgever heeft gedragen zal dus onderzocht moeten worden of sprake was van een dringende reden voor ontslag. De bewijslast daarbij rust op Hamilton Bright.
4.13
In de ontslagbrief van 3 juni 2016 worden als redenen voor het ontslag op staande voet opgegeven:
a. verduistering/diefstal van brandstof of gelden door herhaaldelijk meer brandstof te tanken, voor rekening van Hamilton Bright, dan mogelijk was en voor de uitoefening van de functie nodig was, althans wegnemen van goederen van Hamilton Bright, althans oneigenlijk gebruik maken van tankpas en leaseauto;
b. valse of onjuiste opgave van kilometerstanden aan de leasemaatschappij;
c. oneigenlijk gebruik van de zakelijk ter beschikking gestelde laptop;
d. hardnekkig weigeren uitvoering te geven aan het reglement en/of instructies van Hamilton Bright.
4.14
Bij de beoordeling van deze redenen staat, zoals ook het geval zou zijn indien het een ontslagzaak betrof, voorop dat het ontslag op staande voet een uiterste middel is. Bij de beantwoording van de vraag of de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde redenen daadwerkelijk als dringend in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW hebben te gelden en de inzet van het uiterste middel van ontslag op staande voet rechtvaardigen, dienen alle omstandigheden van het geval, bezien in onderling verband en samenhang, te worden afgewogen. Daarbij dient niet alleen te worden gelet op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, in de afweging worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem zal hebben. Ook indien deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en ernst van de dringende reden overigens tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4436 en HR 20 april 2012,
ECLI NL:HR:2012:BV9532).
4.15
Blijkens de opgegeven ontslagredenen en de daarop in de ontslagbrief gegeven toelichting was voor Hamilton Bright steen des aanstoots het grote aantal kilometers dat [appellant] bleek te rijden met de hem ter beschikking gestelde leaseauto. Hamilton Bright heeft in dat verband gesteld:
- [appellant] heeft meer dan 100.000 kilometer gereden in tien maanden tijd;
- Op jaarbasis bezien zou dat neerkomen op 120.000 kilometer;
- Voor iemand in de functie van [appellant] was 60.000 à 70.000 kilometer per jaar gebruikelijk;
- ingevolge het geldende reglement mocht [appellant] 10.000 privékilometers per jaar maken;
- de overschrijding van dat aantal privékilometers was dus fors "tot wel 500%";
- aldus is ernstig oneigenlijk gebruik gemaakt van de leaseauto;
- als dat niet zo is geldt dat kennelijk bewust een valse althans onjuiste kilometerregistratie is bijgehouden door [appellant] en/of dat [appellant] getankte brandstof heeft verduisterd.
4.16
[appellant] heeft erkend dat hij meer privékilometers heeft gemaakt dan volgens het geldende autoreglement toegestaan (10.000). Niet in geschil is dat het om fors meer privékilometers ging. Het autoreglement voorzag ook in de gevolgen van de overschrijding van het toegestane aantal privékilometers. Het bepaalde namelijk dat Hamilton Bright het aantal gereden privékilometers boven de 10.000 aan [appellant] in rekening mocht brengen. Bij deze stand van zaken had Hamilton Bright, toen zij constateerde dat [appellant] wel erg veel privékilometers maakte, ervoor kunnen en moeten kiezen met [appellant] nadere, scherpere, afspraken te maken over het aantal toegestane privékilometers en de sanctie op overschrijding van dat aantal. Voor het uiterste middel van het ontslag op staande voet, zonder enige waarschuwing vooraf, als sanctie op een teveel aantal privékilometers was het te vroeg.
4.17
De door Hamilton Bright nog gestelde valse of onjuiste opgave van gereden kilometers door [appellant] is onvoldoende onderbouwd. Ook in zoverre was het ontslag op staande voet dus niet terecht.
4.18
Dan de tankbeurten. Door Hamilton Bright is een overzicht overgelegd van tankbeurten. Daaruit blijkt dat 41 maal een hoeveelheid brandstof is getankt van meer dan
45 liter, waarvan 19 maal meer dan 50 liter, 12 maal meer dan 55 liter en 3 maal meer dan
60 liter. De leaseauto van [appellant] was een Volkswagen Polo 1,4 TDI. Fabrieksopgave van de tankinhoud is 45 liter. Mede op grond van de in de auto aangetroffen jerrycan verdenkt Hamilton Bright [appellant] van "diefstal of verduistering" van brandstof. Naar normaal taalgebruik betekent dit dat [appellant] telkens meer getankt heeft dan nodig was om de brandstoftank van zijn leaseauto te vullen en dat meerdere zich dus heeft toegeëigend, kennelijk voor andere doeleinden dan het gebruik van die brandstof in de ter beschikking gestelde leaseauto.
4.19
[appellant] heeft ter weerlegging van het verwijt een filmpje gemaakt. Daarop is te zien dat hij tankt met een VW Polo 1,2 TDI. Door de tank een paar keer te ontluchten en deze tot de rand van de vulopening toe te vullen kwam hij zelfs tot een tankbeurt van 57,57 liter. Nu leek het op die manier tanken wel geforceerd, maar voldoende aannemelijk is in ieder geval geworden dat met relatief gemak meer dan 50 of zelfs 55 liter getankt kan worden. Suggesties van de kant van Hamilton Bright dat [appellant] de tank tussentijds nog wel leeg heeft kunnen laten lopen zijn niet meer dan speculatie. Van belang is nog dat de "testauto" een VW Polo 1,2 TDI was, waar zijn leaseauto een VW Polo 1,4 TDI was en die laatste volgens [appellant] , onweersproken, nog een net iets grotere tankinhoud heeft dan de eerste. Hamilton Bright heeft, naar aanleiding van het verweer van [appellant] , wel overwogen een onderzoek te doen naar de tankinhoud van de leaseauto, maar daarvan afgezien. Dat dient voor haar rekening te worden gelaten. Onderbouwd is voorts onvoldoende dat de, in totaal, getankte brandstof veel meer was dan nodig om de met de auto gereden kilometers te verklaren. Hamilton Bright heeft nog wel gewezen op de aanwezigheid in de auto van een jerrycan, maar niet toegelicht in welk opzicht die aanwezigheid de gestelde diefstal/verduistering van brandstof onderbouwt.
4.20
Dat de tankbeurten en het hoge aantal privékilometers vragen opriepen is nog wel begrijpelijk, maar deze aspecten vormden al met al een te wankele basis om, zonder nader onderzoek, tot de stevige conclusie van diefstal of verduistering te kunnen komen. Ook in zoverre bestond dus geen grond voor de inzet van het uiterste middel van ontslag op staande voet.
4.21
Voor het privégebruik van de laptop geldt dat onvoldoende onderbouwd is dat en hoe aan dat privégebruik grenzen gesteld waren en dat van overmatig privégebruik sprake was. Ook op dit punt was dus geen sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Hetzelfde geldt voor het wel zeer algemeen geformuleerde verwijt dat reglementen en instructies zijn overschreden.
4.22
Aangezien de verwijten individueel alle ongegrond zijn geoordeeld, kan ook het onderling verband ertussen geen dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren.
4.23
Door [appellant] op staande voet te ontslaan zonder dat daarvoor een dringende reden aanwezig was heeft Hamilton Bright gehandeld in strijd met haar wettelijke verplichting
(artikel 7:611 BW) zich als goed werkgever te gedragen. De nu besproken grieven 2, 3 en 4 slagen.
c. is sprake van schade (grieven 5, 6 en 7).
Kantonrechter
4.24
De kantonrechter heeft geoordeeld dat onvoldoende onderbouwd is dat [appellant] , als hij niet op staande voet ontslagen was, aansluitend aan het einde van zijn dienstverband in dienst had kunnen treden bij Philips Lighting. Zijn schadevordering (materieel en immaterieel) is vervolgens afgewezen.
4.25
[appellant] komt met zijn grieven 5, 6 en 7 op tegen dit oordeel. Hij voert aan dat alles erop wees dat hij bij Philips Lighting in dienst had kunnen komen. In de periode dat hij
(via Hamilton Bright) bij dat bedrijf werkte presteerde hij goed en werd hij zeer gewaardeerd. Dat kwam tot uiting in contractverlenging, extra taken, salarisverhoging en complimenten. Gesproken werd ook over een mogelijke aanstelling. Het ontslag heeft verhinderd dat [appellant] daadwerkelijk bij Philips Lighting in dienst kwam. In ieder geval is het zo dat het ontslag tot gevolg had dat zijn plaats bij Philips Lighting meteen door een ander werd ingenomen en voor hem dus een kans verloren is gegaan om bij dat bedrijf in dienst te komen.
4.26
[appellant] was in dienst van Hamilton Bright. Feitelijk was hij werkzaam bij en voor Philips Lighting. Het contract met Hamilton Bright zou aflopen op 12 september 2016. Zijn leidinggevende bij Philips Lighting was de heer [C] . Deze bevestigt in zijn e-mail aan [appellant] van 26 juli 2016 (zie hiervoor onder 3.10) dat met hem gesproken is over een dienstverband bij Philips Lighting en dat daarover in juli 2016 een knoop zou worden doorgehakt. Van een toen gedaan onvoorwaardelijk aanbod om daadwerkelijk in dienst te komen was echter geen sprake. Ook eerder of later is een dergelijk aanbod niet gedaan. [C] zelf heeft aan [appellant] (30 juni 2016 en 27 maart 2017, zie hiervoor onder 3.7 en 3.12) en aan [D] , field manager bij Hamilton Bright (12 juli 2016, zie hiervoor onder 3.8), laten weten nooit een dergelijk aanbod te hebben gedaan. Hij zou - zie de verklaring van [D] (hiervoor onder 3.13) - zelfs de nodige reserves hebben gehad voor het in dienst nemen van [appellant] . De vorige leidinggevende van [appellant] , de heer [B] (zie hiervoor onder 3.14) bevestigt dat in 2015 wel in algemene zin is gesproken over een mogelijke toekomst bij Philips, maar verklaart ook toen te hebben aangegeven dat de persoonlijke ontwikkeling van [appellant] daarvoor van groot belang was. Al met al onderbouwen de nu besproken stukken onvoldoende dat [appellant] bij Philips Lighting in dienst kon komen, of dat dit verhinderd is door het onterecht gegeven ontslag op staande voet. Ook overigens is van voldoende onderbouwing geen sprake.
4.27
Ook de stelling van [appellant] dat voor hem een kans op een dienstverband bij Philips Lighting verloren is gegaan door het ontslag haalt het niet. Uitgangspunt bij beoordeling is dat, om de leer van de kansschade te kunnen toepassen, eerst beoordeeld moet worden of een conditio-sine-qua-non-verband aanwezig is tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis (het onterechte ontslag op staande voet) en het verlies van de kans op succes. Als dat er is wordt toegekomen aan de vaststelling van de schade aan de hand van een schatting
van de goede en kwade kansen die [appellant] zou hebben gehad op een dienstverband bij Philips Lighting (vergelijk: HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7491).
4.28
Het gevolg van het onterecht verleende ontslag op staande voet is niet geweest dat [appellant] geen kans meer had op een vast dienstverband bij Philips Lighting. Dat ontslag stond er immers niet aan in de weg dat hij zijn geluk bij Philips Lighting probeerde. Of hij vervolgens zou worden aangenomen is een andere kwestie. Het ontslag ontnam hem niet per definitie die kans. [appellant] heeft niets overgelegd waaruit kan blijken dat vanwege het (ingetrokken) ontslag op staande voet Philips Lightning hem niet meer in aanmerking wilde laten komen voor een functie bij haar. Oorzakelijk verband tussen het ontslag op staande voet en het gestelde verloren gaan van een kans op een dienstverband met Philips kan dan niet worden aangenomen. Dat betekent dat aan de weging van de goede en kwade kansen op een dergelijk dienstverband niet wordt toegekomen.
4.29
De tussenconclusie is dat de aanwezigheid van materiële schade onvoldoende onderbouwd is.
4.30
[appellant] heeft in eerste aanleg ook immateriële schade gesteld en vergoeding daarvan gevorderd. Nu de grieven 2, 3 en 4 slagen zal het hof alsnog ook dat deel van zijn vordering hebben te beoordelen ("devolutieve werking van het hoger beroep"). [appellant] heeft wel verklaard depressief te zijn en in dat kader geciteerd uit een verklaring van zijn psycholoog, maar de verklaring van die psycholoog is niet overgelegd. Wat daarvan zij, zonder deugdelijke onderbouwing worden beschuldigd van diefstal of verduistering en op die grond op staande voet ontslagen worden maakt voldoende aannemelijk dat [appellant] zich in zijn persoon en eer en goede naam aangetast voelt. Dat [appellant] zich te weer stelde tegen zijn ontslag bracht vervolgens weer, als voor hem belastend effect, mee dat hij in een procedure met zijn werkgever verzeild raakte waarin de beschuldigingen aan zijn adres herhaald bleven worden zonder dat daarvoor voldoende onderbouwing was. [appellant] heeft zijn schade gesteld op € 5.000,-. Dat bedrag is als billijkheidsvergoeding toewijsbaar. De grondslag daarvoor kan worden gevonden in een naar maatstaven van billijkheid te begroten schadevergoeding op grond van artikel 7:611 BW wegens het onterecht geven en vervolgens weer intrekken van ontslag op staande voet. Ook kan die grondslag gevonden worden in de combinatie van dat artikel met artikel 6:74 BW (tekortkoming die tot schadevergoeding verplicht) en artikel 6:106 lid 1 sub b BW (begroting immateriële schade). De grieven 5, 6 en 7 slagen dus deels.