3.1
Het hof moet, voordat het de kwestie inhoudelijk mag beoordelen, eerst toetsen of [appellant] ten tijde van de uitspraak van het hof nog steeds een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Dat is zo, want het gaat om zijn dagelijkse werk en een groot deel van zijn maandelijkse inkomsten.
3.3
In de arbeidsovereenkomst, die de [in] 1956 geboren [appellant] in 1987 heeft gesloten met de rechtsvoorgangster van SML, staat dat hij is aangesteld als machinebediener voor 40 uur per week en dat de Cao voor het Metaalbewerkingsbedrijf van toepassing is. Ook staat onder letter s. van de afspraken in de arbeidsovereenkomst: “indien werknemer daartoe wordt aangewezen is hij gehouden, arbeid te verrichten in 2-, 3- of 5-ploegendienst.” Onder letter i. staat het percentage van de ploegentoeslag. Voor de dagdienst geldt geen toeslag.
3.4
[appellant] heeft vanaf zijn eerste werkdag in ploegendienst gewerkt. Hij kampt nu al enige jaren met gezondheidsproblemen. Toen in 2010 een nieuwe ploegenindeling gemaakt moest worden, hebben partijen samen vastgesteld dat [appellant] alleen nog op de afdeling Valve inzetbaar is. Op die afdeling zijn in 2017/2018 andere, complexere, machines gekomen en er is een organisatiewijziging doorgevoerd. Van de drie Valve-operators is er nog maar één nodig die als monteur storingen moet kunnen oplossen. Daarvoor is een collega omgeschoold. Een ploeg telt geen 12 man meer, maar 11 en van die 11 moeten er minimaal 9 aanwezig zijn wil het productieproces kunnen doorgaan. Bij afwezigheid van een van die 9 operators kan alleen de reserve-operator of de operator ED4 een gat opvullen. Een operator moet daarom op alle 9 vaste posities inzetbaar zijn. [appellant] werd, nadat zijn plaats als Valve-operator was vervallen, ingezet als ED4-operator.
3.5
SML heeft met een brief van 3 juli 2019 bevestigd dat zij [appellant] per
1 september 2019 in de dagdienst plaatst, in eerste instantie op de Valve-afdeling maar in overleg ook voor andere werkzaamheden. De redenen daarvoor zijn: vele jaren hoog ziekteverzuim zonder uitzicht op verbetering, daardoor geen vaste plek in een cel in ploegen, gezondheidsredenen en bedrijfseconomische redenen. [appellant] zal zijn salarisschaal behouden maar de toeslag wordt in 6 maanden afgebouwd.
SML is ondanks bezwaar van [appellant] om bedrijfseconomische redenen bij haar beslissing gebleven. Vanwege zijn hoge verzuim (tussen 2015 en 2019 gemiddeld 26,95%) kan zij niet op hem rekenen in de ploegendienst en dat werkt al langere tijd verstorend voor de voortgang van de productie. Volgens SML is [appellant] niet voldoende inzetbaar. Dat blijkt al uit wat in 2010 is besproken, maar is in het kader van de organisatiewijziging nog eens bekeken. Inzet van uitzendkrachten op de afdeling is duur. Daarom vindt SML dat zij [appellant] niet langdurig op een operatorplek in de ploegendienst kan plaatsen.
Zij denkt ook dat de rust en regelmaat van dagdienst beter is voor zijn gezondheid. In de dagdienst kan [appellant] boventallig worden ingezet.
3.9
Het hof leest de bepaling onder letter s. (“indien werknemer daartoe wordt aangewezen is hij gehouden, arbeid te verrichten in … ploegendienst”) zo, dat SML [appellant] kan verplichten zijn werk in ploegendienst uit te voeren. Maar de bepaling houdt niet in dat, als SML van die bevoegdheid gebruik maakt, zij daar later niet meer op kan terugkomen en geen dagdienst of andere ploegendienst meer van [appellant] kan verlangen.
Het enkele feit dat [appellant] al zo’n 32 jaar in ploegendienst werkt brengt, zonder nadere omstandigheden, niet mee dat SML geen beroep meer mag doen op haar aanwijzingsrecht. Nadere omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden, heeft [appellant] niet aangevoerd. Het hof is daarom voorshands van oordeel dat het werken in ploegendienst geen arbeidsvoorwaarde van [appellant] is geworden om de enkele reden dat SML de aanwijzing bijna 32 jaar ongewijzigd heeft gelaten. En het bepaalde onder letter s. is dan geen eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW, want daarbij moet het gaan om wijziging van tussen partijen geldende arbeidsvoorwaarden.
SML moet natuurlijk wel als goed werkgever handelen bij gebruik van haar bevoegdheid om een bestaande ploegenindeling te wijzigen.
3.10
[appellant] betoogt met grief 2 dat SML aan het bepaalde onder letter s. niet de bevoegdheid kan ontlenen om zijn arbeidsvoorwaarde van werken in ploegendienst te wijzigen. Dat standpunt vindt het hof, zoals blijkt uit wat onder 3.7 en 3.9 staat, onjuist. Grief 2 gaat niet op.
Mag SML [appellant] in dit geval in de dagdienst plaatsen?
3.11
Met grief 3 voert [appellant] aan dat de kantonrechter zijn belang bij behoud van de ploegendienst onvoldoende heeft afgewogen tegen de belangen van SML. Zijn belang bij het in ploegendienst blijven bestaat uit het behoud van de ploegentoeslag, die een aanzienlijk deel van zijn maandinkomen vormt. Verder kan hij dan overdag sporten.
Volgens hem is niet voldoende helder waarom het belang van SML bij continuïteit van het productieproces rechtvaardigt dat hij in dagdienst zou moeten. Hij wijst erop dat niet aannemelijk is dat zijn uitval verband houdt met het werken in ploegendienst.
Daarmee ziet [appellant] over het hoofd dat het bij de continuïteit van het productieproces gaat om het gegeven dàt hij vaak niet kan werken, niet waarom dat zo is. SML heeft gesteld dat zij [appellant] in de dagdienst makkelijker boventallig werk kan laten verrichten. [appellant] heeft dat niet weersproken. Het belang van SML daarbij is aannemelijk, gelet op het feit dat zij bij uitval van [appellant] dan geen extra kosten voor vervanging van [appellant] met ploegentoeslag verschuldigd is.
Het hof vindt dat SML daarmee een voldoende zwaarwegende reden heeft voor de plaatsing in de dagdienst. De belangen van [appellant] wegen daartegen, na zoveel uitval in de jaren vanaf 2015, niet voldoende op. Door die plaatsing handelt SML dus niet in strijd met haar verplichtingen als goed werkgever.
Grief 3 gaat daarom ook niet op.
Moet de afbouwperiode 24 maanden in plaats van 6 maanden duren?
3.12
[appellant] heeft met zijn grief 4 enkele argumenten aangevoerd tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij geen recht heeft op een periode van meer dan 6 maanden waarin de ploegentoeslag wordt afgebouwd.
- [appellant] is niet gebonden aan het Handboek, waarin de met de OR gemaakte afspraak over de afbouwperiode is vastgelegd.
Dit argument is juist, zo erkent ook SML. De arbeidsovereenkomst en de cao kennen echter geen afbouwperiode voor de ploegentoeslag, zodat [appellant] contractueel zelfs helemaal geen recht heeft op een afbouwperiode.
- Artikel 36 lid 4 van de cao dient naar analogie toegepast te worden: als werknemer van 55+ lijdt hij loonverlies door het verlies van de ploegentoeslag, waardoor hij naar analogie recht heeft op het verschil als toeslag.
Dit argument gaat niet op. [appellant] behoudt zijn overeengekomen functie en salaris en verliest alleen de toeslag voor het ongemak van ploegendienst. Een cao moet in beginsel ook naar de letter worden uitgelegd, zodat in dit kort geding een beroep op analogische toepassing niet toewijsbaar is. De, kennelijke, stelling van [appellant] dat dit ook volgt uit goed werkgeverschap, verwerpt het hof.
- Als SML vindt dat hij om medische redenen niet in ploegendienst kan werken, moet zij hem arbeidsongeschikt melden en door de arbo-arts laten onderzoeken.
De ziektegeschiedenis van [appellant] houdt wel verband met het besluit tot overplaatsing, maar het is niet zo dat [appellant] volgens SML door ziekte arbeidsongeschikt is voor zijn overeengekomen werkzaamheden als machinebediener. Die werkzaamheden kan hij met minder problemen voor SML overdag uitvoeren.
- Het is onjuist dat de herplaatsing als ED4-operator niet succesvol was.
Dit argument is al besproken onder 3.11: het gaat er niet om of [appellant] de vaardigheid mist om het werk te doen of al dan niet ziek wordt door het werk, maar om het gevolg dat zijn grote mate van afwezigheid heeft voor het bedrijf en de bedrijfsprocessen.
- De functiewijziging leidt tot substantiële en structurele vermindering van het salaris; de transitievergoeding zou gelijk staan aan ongeveer 20 maanden ploegentoeslag.
[appellant] wijst naar prejudiciële vragen die aan de Hoge Raad zijn gesteld over de transitievergoeding bij plaatsing in een lager betaalde functie zonder verlies van uren. Die vragen zijn inmiddels beantwoord in een voor [appellant] ongunstige zin.1 Overigens is ook geen sprake van een functiewijziging met een lager salaris, zoals hiervoor - bij het beroep op artikel 36 lid 4 van de cao - al is overwogen.