De tweede grief van [verzoekster] ziet op de hoogte van het door [verzoekster] te vergoeden bedrag en de door [verweerster] gemaakte kosten. [verzoekster] heeft betoogd dat op het schadebedrag een bedrag wegens een vergoeding voor bewindvoering en wegens gemaakte kosten in mindering gebracht moet worden. Nog los van het gegeven dat een (gedeelte van het) verzoek om een vergoeding verjaard is, had de kantonrechter [verzoekster] , zoals voorgeschreven in de LOVCK richtlijnen, vooraf toestemming moeten verlenen voor een vergoeding. Een verzoek om een vergoeding met terugwerkende kracht is hierbij niet aan de orde. De overige door [verzoekster] opgevoerde kosten van het bewindvoerderschap zijn door haar niet onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen.
Voor wat betreft de woonkosten van de zoon van [verzoekster] en de betrokkene oordeelt het hof als volgt. Aangezien er een huurovereenkomst was opgemaakt, kan van de zoon van [verzoekster] en de betrokkene verwacht worden dat hij de huur dan ook betaalt. Dat er kosten zijn gemaakt voor onderhoud van de woning wordt door [verzoekster] in zijn geheel niet onderbouwd.
Ter zitting heeft [verweerster] desgevraagd uitgelegd dat de post ‘boodschappen boven € 50,-’ op dit bedrag van € 50,- is gesteld omdat dit een gemiddeld bedrag aan weekgeld is in een situatie als die van de betrokkene. Uit coulance naar [verzoekster] is naar alle bedragen boven dit gemiddelde van € 50,- gekeken en niet naar de kleinere bedragen. Door [verzoekster] is daarnaast ook op dit punt onvoldoende onderbouwd dat (een deel van) de € 3.429,14 aan boodschappen, € 45.000,- aan geldopnames kantoor en € 12.530,- aan opnames met de bankpas aan de betrokkene zijn besteed. Dit is derhalve voor rekening en risico van [verzoekster] .
Over de geldopname van € 45.000,- oordeelt het hof als volgt. Daargelaten de vraag naar de aanvaardbaarheid van het verlagen van het vermogen van de betrokkene met slechts als doel de hoogte van de AWBZ-bijdrage te verlagen, stelt het hof vast dat een deel van dit bedrag
(€ 15.000,-) ten behoeve van de zoon is gebruikt voor de aanschaf van een caravan. Voor zover is gesteld dat de betrokkene hier akkoord voor heeft gegeven en kon geven verwijst het hof naar hetgeen hieromtrent onder 5.4 is aangegeven. Daarnaast is onduidelijk wat er met de rest van de € 45.000,- is gebeurd. Ook dit is voor rekening en risico van [verzoekster] . Ten slotte had het ook op de weg van [verzoekster] gelegen om te onderbouwen dat er rekening dient te worden gehouden met een teruggestort bedrag van € 10.000,-. Er zit weliswaar een rekeningoverzicht tussen de stukken waarop is te zien dat een bedrag van € 10.000,- op de rekening van de betrokkene is gestort door de garage [E] maar het blijft onduidelijk waar dit bedrag op ziet. [verzoekster] heeft ter zitting weliswaar gesteld dat dit bedrag ziet op de inruil van de auto van de zoon maar dit blijkt niet uit de stukken. Daarnaast zou dit betekenen dat deze auto dan in een half jaar € 9.000,- minder waard is geworden, dit acht het hof niet zonder meer aannemelijk. Ook deze grief slaagt derhalve niet.