In productie 16 bij memorie van grieven heeft [appellant] een cijfermatige uiteenzetting gegeven van zijn loonvordering over de periode september 2018 tot en met april 2021. In de kolom waarin de door hem ontvangen bedragen staan, is uitgegaan van 173,33 uur en in de kolom daarna is uitgegaan van 184,58 uur. Volgens [appellant] heeft hij betaald gekregen op basis van 173,33 uur maar had hij het salaris moeten krijgen zoals vermeld onder 184,85 uur.
Het hof heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld bij akte toe te lichten en met bescheiden te onderbouwen waarom en op grond waarvan van die uren moet en kan worden uitgegaan bij de berekening van nog niet betaalde uren.
Volgens [appellant] bestaat tussen partijen overeenstemming over de urenomvang van het dienstverband over de periode oktober 2018 tot en met september 2019, namelijk
184,85 uur. Hij verwijst hiervoor naar de e-mail van de gemachtigde van SCS Koerier van
15 maart 2021 waarin de gemachtigde aan de advocaat schrijft:
‘Hierbij de berekening van het door cliënte (SCS Koerier, toevoeging hof) per 1 september 2020 te betalen maandloon van € 2.101,13 bruto. Gezien de door uw client gewerkte uren op zaterdag heb ik de maandelijkse uren verhoogd van 173,33 naar 184,58 uur per maand onder toepassing van het juiste uurloon’. Het gaat dan volgens [appellant] weliswaar over de periode ná zijn ziekmelding, maar voor de periode daarvoor (september 2018 tot september 2019) moet van dezelfde urenomvang worden uitgegaan. Dat ook SCS Koerier van deze urenomvang is uitgegaan blijkt volgens hem uit het feit dat SCS Koerier hem tijdens ziekte tot einde dienstverband op basis van een urenomvang van 184,58 heeft uitbetaald.