Arrest d.d. 22 september 2009
Zaaknummer 107.001.506
HET GERECHTSHOF TE ARNHEM
Nevenzittingsplaats Leeuwarden
Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellante] ,
wonende te [woonplaats],
appellante,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: [appellante],
procesadvocaat: mr. A.F. van Dam, kantoorhoudende te Arnhem,
tegen
Defam Financieringen BV,
gevestigd te [plaats],
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna te noemen: Defam,
advocaat: mr. W.R.H. Jager, kantoorhoudende te Ede.
De inhoud van het tussenarrest d.d. 28 oktober 2008 wordt hier overgenomen.
Het verdere procesverloop
[appellante] heeft een akte uitlating na interlocutoir arrest genomen.
Vervolgens heeft het hof bij arrest van 6 januari 2009 [naam deskundige] tot deskundige benoemd (hierna: de deskundige).
De deskundige heeft op 3 april 2009 rapport uitgebracht van haar bevindingen.
Beide partijen hebben een memorie na deskundigenbericht genomen.
Ten slotte heeft [appellante] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De verdere beoordeling
1. Het hof heeft de volgende vragen ter beantwoording voorgelegd aan de deskundige:
1. Is de handtekening onder de onderhavige overeenkomst van 18 november 1998 door [appellante] geplaatst?
2. Geeft het onderzoek nog aanleiding tot het maken van opmerkingen, die in verband met de beslissing van het geschil van belang zouden kunnen zijn?
2. De deskundige is op basis van haar onderzoek tot de volgende conclusie gekomen:
Op grond van deze bevindingen kan worden geconcludeerd dat de betwiste handtekening, kredietnemer sub B2, onder de doorlopende kredietovereenkomst [1] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet is vervaardigd door [appellante] zelf.
Inzake vraag 2
Gelet op de algehele uitvoering, de verschillen alsmede de sporen van overeenkomst tussen betwist en vergelijking is in het onderhavige geval sprake van nabootsing. Bij de nabootsing moet een voorbeeldhandtekening van [appellante] ter beschikking hebben gestaan.
Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat [appellante] de betwiste handtekening eventueel zelf op een ongebruikelijke manier gezet zou kunnen hebben.
3. Defam heeft zich wat de uitslag van het deskundigenbericht betreft gerefereerd aan het oordeel van het hof.
4. Het hof is van oordeel dat de bevindingen van de deskundige deugdelijk zijn gemotiveerd en onderbouwd en maakt deze tot de zijne.
5. Defam heeft zich nog op het standpunt dat het tussenarrest van het hof van 28 oktober 2008 een misslag bevat waar het hof heeft overwogen Schuldhulpverlening kan alleen dan slagen als alle schulden van het gezin gemeld worden.
Defam heeft benadrukt dat schuldhulpverlening ook mogelijk is aan één van twee gezinsleden en dat een inventarisatie van alle schulden in een gezin daarvoor niet noodzakelijk is.
6. Defam gaat naar 's hofs oordeel aldus voorbij aan de context waarbinnen het voorgaande is overwogen. Defam had zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat uit de omstandigheid dat de schuld aan Defam was vermeld op het aanvraagformulier voor de schuldhulpverlening voortvloeide dat [appellante] deze schuld als eigen schuld had erkend. Ten onrechte. [appellante] had zich indertijd tezamen met [persoonsnaam] tot de schuldhulpverlening gewend. Binnen die setting was het voor het welslagen van de schuldhulpverlening noodzakelijk opgave te doen van alle schulden van de gezinsleden en geen schulden onvermeld te laten. Zoals het hof in zijn tussenarrest heeft overwogen, kan aan die vermelding evenwel niet de conclusie worden verbonden dat [appellante] daarmee erkende zelf (hoofdelijk) aansprakelijk te zijn voor die schuld.
De slotsom
7. Het vonnis van de kantonrechter van 24 oktober 2006 zal - voorzover dit is gewezen tussen Defam en [appellante] - worden vernietigd. Defam zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep die van het deskundigenbericht daaronder begrepen. Deze kosten zullen voorzover gevallen aan de zijde van [appellante] wat betreft het geliquideerde salaris van de gemachtige in eerste aanleg worden begroot op € 400,-- (2 punten à 200 euro) en wat betreft het geliquideerde salaris van de advocaat in hoger beroep op € 1.896,-- (3 punten, tarief I).
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart Defam niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het tussenvonnis van de kantonrechter te Zwolle-Lelystad van 29 augustus 2006;
vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Zwolle-Lelystad van 24 oktober 2006 voor zover dat is gewezen tussen Defam en [appellante];
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van Defam tegen [appellante] af;
veroordeelt Defam in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep die van het deskundigenbericht daaronder begrepen en begroot deze voorzover gevallen aan de zijde van [appellante] tot op heden in eerste aanleg op nihil aan verschotten en € 400,-- aan geliquideerd salaris voor de gemachtigde en
in hoger beroep op € 248,-- aan verschotten en € 1.896,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;
bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan
€ 124,-- aan verschotten en € 2.296,-- voor geliquideerd salaris voor de advocaat, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv;
verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mrs. Verschuur, voorzitter, Wind en Van de Veen, raden,
en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 22 september 2009 in bijzijn van de griffier.