Arrest van 20 juni 2018
in het incident tot voeging ex art. 217 Rv opgeworpen door
de vennootschap naar vreemd recht
BOSTON SCIENTIFIC SCIMED INC.,
gevestigd te Maple Grove, Minnesota, Verenigde Staten van Amerika,
hierna te noemen: Boston Scientific,
eiseres in het incident tot voeging,
advocaat: mr. R.E. Ebbink te Amsterdam,
1. de vennootschap naar vreemd recht
ONO PHARMACEUTICAL CO. LIMITED,
gevestigd te Osaka, Japan,
hierna te noemen: Ono,
2. [appellant sub 2] ,
wonende te Kyoto, Japan,
hierna te noemen: [appellant sub 2] ,
appellanten,
verweerders in het incident tot voeging,
hierna gezamenlijk te noemen: Ono c.s.,
advocaat: mr. J.D. Drok te Amsterdam,
PFIZER INC.,
gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,
hierna te noemen: Pfizer,
geïntimeerde,
verweerster in het incident tot voeging,
advocaat: mr. J.A. Dullaert te Naaldwijk.
Het verloop van het geding
1. Bij exploot van 27 maart 2018 is Ono c.s. in hoger beroep gekomen (spoedappel) van het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag, afdeling civiel recht, van 27 februari 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:2284), gewezen tussen Ono c.s. als eiseres en Pfizer als gedaagde. Bij dat exploot heeft Ono c.s, onder overlegging van een productie, vijf grieven tegen genoemd vonnis aangevoerd.
2. Bij memorie van antwoord heeft Pfizer deze grieven bestreden en heeft zij tevens (deels voorwaardelijk) incidenteel appel ingesteld onder aanvoering van drie grieven.
3. Bij incidentele memorie houdende vordering tot voeging (met producties) heeft Boston Scientific op grond van art. 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) toelating als gevoegde partij aan de zijde van Ono c.s. gevorderd, met veroordeling van Pfizer in de kosten van het incident.
4. Bij conclusie van antwoord in het incident tot voeging heeft Ono c.s. laten weten geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van de vordering van Boston Scientific tot voeging, kosten rechtens.
5. Pfizer heeft bij conclusie van antwoord in het incident tot voeging geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van Boston Scientific tot voeging, met veroordeling van Boston Scientific in de kosten aan de zijde van Pfizer in het incident.
6. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en is arrest in het incident gevraagd.
Beoordeling van het incident tot voeging
7. Ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan ingevolge art. 217 Rv vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert.1
8. Ter onderbouwing van haar belang bij voeging stelt Boston Scientific dat zij op 23 februari 20172 de Amerikaanse onderneming Edwards Lifesciences Corporation (hierna: Edwards) in kort geding heeft gedagvaard voor de voorzieningenrechter te Den Haag. Die zaak vertoont grote gelijkenissen met de onderhavige zaak: de vorderingen in beide zaken kennen grote overeenstemming, en in beide zaken ligt dezelfde bevoegdheidsvraag voor over art. 6 sub e en art. 13 Rv. In beide zaken heeft de voorzieningenrechter zich internationaal onbevoegd verklaard, aldus Boston Scientific.3
9. Het hof merkt hierbij op dat het in de zaak Boston Scientific/Edwards gaat om andere partijen en andere octrooiaanvragen op andere technische gebieden – Boston Scientific heeft ook niet anders gesteld. In de zaak Boston Scientific/Edwards gaat het om Boston Scientific’s octrooiaanvrage EP 2 985 006, getiteld ‘Repositionable heart valve’; in de onderhavige zaak Ono/Pfizer gaat het om de octrooiaanvrage van Ono c.s. EP 2 206 517, getiteld ‘Immunopetentiating compositions comprosing anti-PD-L1 antibodies’.
10. Boston Scientific stelt dat haar belang bij voeging is (i) te voorkomen dat een voor Ono c.s. negatieve uitkomst van het onderhavige hoger beroep over de bevoegdheidsvraag haar weerslag heeft op het (spoed)appel van Boston Scientific in de zaak Boston Scientific/Edwards, waardoor de rechtspositie van Boston Scientific wordt aangetast; (ii) zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen over haar rechtspositie, die voortdurend door Edwards wordt aangetast.4
11. Pfizer betwist dat Boston Scientific een belang bij voeging heeft.
12. Naar het oordeel van het hof heeft Boston Scientific geen voldoende belang bij voeging als bedoeld in art. 217 Rv.
Gesteld belang (i) komt er op neer dat Boston Scientific een negatief precedent wil voorkomen. In mogelijke precedentwerking is echter niet een voldoende belang voor voeging gelegen, ook niet indien sprake is van sterk op elkaar gelijkende vorderingen of feitencomplexen tussen deels dezelfde partijen.5
Gesteld belang (ii) vormt evenmin voldoende belang bij voeging. Duidelijkheid over haar rechtspositie vis-à-vis Edwards kan Boston Scientific op korte termijn krijgen in het door haar aangekondigde spoedappel in haar zaak tegen Edwards.
Hetgeen Boston Scientific in paragraaf 49 van haar incidentele memorie aanvoert, doet aan het voorgaande niet af.
13. Boston Scientific’s vordering tot voeging zal worden afgewezen. Boston Scientific zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van Pfizer in dit incident. De proceskosten in het incident tot voeging zullen worden begroot aan de hand van het liquidatietarief (1 punt, tarief II). De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals door Pfizer gevorderd. Ook Ono c.s. heeft een kostenveroordeling gevorderd (‘kosten rechtens’), die eveneens op basis van het liquidatietarief zal worden toegewezen.
14. De hoofdzaak zal naar de rol van 26 juni 2018 worden verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord in het incidenteel appel door Ono c.s.