42. Na deze nadere feitelijke vaststellingen kan worden teruggekeerd naar de vraag of de gebruiksvoorwaarden tussen partijen zijn overeengekomen, welke vraag nu als volgt kan worden gepreciseerd: zijn tussen Ryanair en PR Aviation, in de periode van 2004 tot en met 11 augustus 2010, de gebruiksvoorwaarden overeengekomen door browse-wrapping?
45. Volgens art. 8 EVO en art. 10 Rome I-Verordening worden het bestaan en de geldigheid van een overeenkomst of van een bepaling daarvan beheerst door het recht dat ingevolge het EVO respectievelijk de Rome I-Verordening toepasselijk zou zijn, indien de overeenkomst of de bepaling geldig zou zijn.
51. Hoewel de Nederlandstalige versie van punt 7 van de gebruiksvoorwaarden niet uitmunt in duidelijkheid, moet – zowel naar Iers als naar Nederlands recht – worden aangenomen dat de tweede alinea alleen betrekking heeft op internationale bevoegdheid, en niet (ook) op het toepasselijke recht. Dat spreekt voor zich voor wat betreft de tekst die vooraf gaat aan de laatste bijzin. De bijzin zelf (“hierbij zullen alle andere partijen zich onderwerpen aan de regelgeving dit rechtsgebied”) slaat vervolgens terug op de situatie van pluraliteit van gedaagden (“alle andere partijen”), welke situatie hier niet aan de orde is (reeds daarom gaat de stelling van PR Aviation niet op). Deze bijzin tracht tot uitdrukking te brengen dat men zich er niet tegen zal verzetten indien men wordt gedaagd voor de rechter van de woonplaats van een medegedaagde (vgl. art. 8 sub 1 Brussel I bis-Verordening).13 Daar komt bij dat het (overigens niet door PR Aviation aangevoerde) argument van Gleichlauf niet overtuigt nu in ieder geval duidelijk is dat geen rechtskeuze wordt gemaakt ingeval van procedures in het land waar de schending heeft plaatsgevonden of in het land waar de gedaagde woonachtig is.
52. Deze lezing vindt bevestiging in de (originele) Engelse tekst, zeker wanneer men de eerste alinea (rechtskeuze: “shall submit to the application of the law in that jurisdiction”) en de tweede alinea (“shall submit to that jurisdiction”) vergelijkt. Deze alinea’s luiden (productie 50; onderstreping toegevoegd):
53. Overigens zou toepassing van Nederlands recht tot hetzelfde resultaat leiden in de onderhavige zaak (zie hierna rov. 96).
1.2.
Toepassing Iers recht
60. Op grond van art. 25 Rv en art. 10:2 BW past de rechter het buitenlandse recht ambtshalve toe. Het hof zal dus ambtshalve Iers recht toepassen. Het hof passeert het getuigenbewijsaanbod van Ryanair betreffende het Ierse en Engelse recht (memorie na verwijzing en vermeerdering van eis, par. 13.1 onder e en f). De inhoud van buitenlands recht is niet te beschouwen als een feit als bedoeld in art. 163 Rv. Wel zal het hof, voor zover nodig, ingaan op de uitlatingen van partijen over Iers contractenrecht. Ryanair heeft in dat verband een legal opinion van 11 juli 2016 van haar Ierse advocaat, Mr M. Hayden SC, in het geding gebracht (productie 109). PR Aviation heeft een legal opinion van 14 oktober 2016 van Mr J. Newman SC overgelegd (productie 30). Op deze laatste opinie heeft Mr Hayden gereageerd in een supplemental legal opinion van 9 februari 2017 (productie 112).
61. Volgens Ryanair gaat een bezoeker van haar website die verder gaat dan de beginpagina, naar Iers recht een browse-wrapping overeenkomst aan met Ryanair in de vorm van de gebruiksvoorwaarden; ook PR Aviation is dus gebonden aan die gebruiksvoorwaarden, en – zo begrijpt het hof – dus ook aan de daarin opgenomen rechtskeuze. Volgens PR Aviation is onder Iers recht daarentegen om verschillende redenen geen overeenkomst tot stand gekomen, en dus – zo begrijpt het hof – ook niet wat betreft de daarin opgenomen rechtskeuze.
62. Ryanair beroept zich op een viertal uitspraken van de Ierse rechter. Zij heeft deze uitspraken niet in het geding gebracht, maar het hof heeft ze eigener beweging geraadpleegd op www.bailii.org. Mr Hayden stelt in zijn legal opinion dat uit deze uitspraken blijkt dat in Noord Amerika ontwikkelde “legal principles of ‘Click Wrap’ and ‘Browse Wrap’ (…) have now been adopted into Irish law”. Volgens PR Aviation is dat niet het geval, en zijn deze uitspraken om verschillende redenen niet van belang voor de onderhavige zaak.
63. Naar het oordeel van het hof zijn deze vier uitspraken niet van belang voor de beslechting van de onderhavige zaak, en hebben zij (dus) geen precedentwerking. Het hof overweegt daartoe als volgt.
64. De eerste uitspraak is de beslissing van het High Court (Mr Justice Hanna) in Ryanair Ltd. v. Billigfluege.de GmbH [2010] IEHC 47 (26 February 2010). Het ging in die zaak om een click-wrap overeenkomst. Hanna J constateert immers: “The inclusion by Ryanair of their website terms of use via a hyperlink that the website user is required to view and assent to results in the user entering into what is known as “a click-wrap agreement” with Ryanair.” In de thans voorliggende zaak gaat het echter om browse-wrapping. Dat betekent dat Ryanair Ltd. v. Billigfluege.de GmbH reeds om deze reden niet relevant is voor de onderhavige zaak.
65. Daarnaast is de uitspraak niet relevant omdat het in die zaak ging om de vraag of de forumkeuze voor de Ierse rechter in punt 7 van Ryanairs gebruiksvoorwaarden was overeengekomen tussen partijen, en niet om de vraag of de gebruiksvoorwaarden voor het overige c.q. wat betreft de rechtskeuze waren overeengekomen. Om die reden zag McGovern J in Ryanair Ltd. v. Club Travel Ltd. [2012] IEHC 165 (23 March 2012) geen precedent in Ryanair Ltd. v. Billigfluege.de GmbH :
“The plaintiff relies on the decision of Hanna J. in Ryanair Ltd. v. Billigfluege GmbH [2010] IEHC 47 as authority for the proposition that by its actions, the defendant is bound by the plaintiff's website Terms of Use. I do not accept that argument because it is clear that Hanna J. was only dealing with a jurisdiction issue in that judgment. He says at p. 2 of his judgment: "The only issue I have to determine at this juncture, therefore, is whether or not this Court has jurisdiction to hear these proceedings pursuant to the Brussels Regulation." He says that one of the issues which may ultimately fall to be determined by the Court if the plaintiff overcomes the initial hurdle of defeating the defendant's jurisdiction application is whether or not the plaintiff's website Terms of Use constitutes a valid and legally binding contract which was entered into by the defendant through its use of the website. This clearly suggests that he was postponing any decision on that issue. At p. 6 of his judgment, he holds that the jurisdiction clause is severable and distinct from the agreement in terms of validity and capable of surviving independently of it. On that basis he went on to consider the jurisdiction clause in the plaintiff's website's Terms of Use, notwithstanding the fact that the defendant in those proceedings disputed that document's validity.”
66. Bovendien biedt de uitspraak in Ryanair Ltd. v. Billigfluege.de GmbH ook overigens geen precedent wat betreft het Ierse contractenrecht inzake elektronisch contracteren. Het ging in die zaak, als gezegd, om de vraag of de forumkeuze voor de Ierse rechter in punt 7 van Ryanairs gebruiksvoorwaarden was overeengekomen tussen partijen. Hanna J overwoog: “The only issue I have to determine at this juncture therefore is whether or not this Court has jurisdiction to hear these proceedings pursuant to the Brussels Regulation.” De vraag of de gebruiksvoorwaarden voor het overige waren overeengekomen, lag niet ter tafel: “One of the issues which may ultimately fall to be determined by this Court if the plaintiff overcomes the initial hurdle of defeating the defendant’s jurisdiction application, is whether or not the plaintiff’s website’s Terms of Use constitute a valid and legally binding contract which was entered into by the defendant’s through their use of the said website.” Op de vraag of de forumkeuze was overeengekomen paste Hanna J vervolgens Iers contractenrecht toe. Dat vond in beroep bij het Supreme Court of Ireland geen genade: in Ryanair Ltd. v. Billigfluege.de GmbH & Ryanair Ltd. v. On the Beach Ltd. [2015] IESC 11 (19 February 2015) oordeelde het Supreme Court dat Hanna J ten onrechte Iers contractenrecht (“traditional contract principles of offer, acceptance and consideration”) had toegepast op de vraag of de forumkeuze in was overeengekomen; daarop had primair art. 23 van de Brussel I-Verordening moeten worden toegepast (“That emerges as the more correct approach”).15
Nu zou men zich in de onderhavige zaak kunnen afvragen – partijen hebben dat overigens niet gedaan – of de uitspraak van Hanna J niettemin een vorm van precedentwerking toekomt wat betreft het Ierse contractenrecht inzake elektronisch contracteren (dat Hanna J in die zaak ten onrechte had toegepast, maar in de onderhavige zaak wél moet worden toegepast). Naar het oordeel van het hof is dat echter niet het geval. Het Supreme Court kwam immers tot het oordeel dat deze forumkeuze was overeengekomen, maar dat de vraag of de gebruiksvoorwaarden voor het overige eveneens zijn overeengekomen, nog open ligt. In rov. 18 noteerde Charleton J immers: “It is not for the Court to now adjudicate on this matter, as essential to the rights asserted by Ryanair, and denied by the travel companies, are the rights and obligations under the contract, if any (…)”. En in rov. 45 overwoog het Supreme Court uitdrukkelijk: “In upholding that decision on this appeal, and in accordance with precedent, no decision is made that a binding contract was entered into, only that a clear choice of jurisdiction has been made by the parties.”
Al met al bieden uitspraken van het High Court en het Supreme Court in de zaak Ryanair Ltd. v. Billigfluege.de GmbH dus geen houvast (persuasive noch binding authority) voor de beslechting van de onderhavige zaak.
67. Een tweede uitspraak waarop Ryanair zich beroept, is de uitspraak van het High Court (Ms Justice Laffoy) in Ryanair Ltd. v. On the Beach [2013] IEHC 124 (22 March 2013). Ook in die zaak lag de vraag voor of de forumkeuze in punt 7 van Ryanairs gebruiksvoorwaarden was overeengekomen. Anders dan in Ryanair Ltd. v. Billigfluege.de GmbH lijkt in deze zaak niet alleen click-wrapping aan de orde, maar – anders dan Mr Newman in zijn legal opinion stelt – ook browse-wrapping. In deze uitspraak, in rov. 33, ging Ms Laffoy J in op uitspraken van Amerikaanse en Canadese rechters over browse-wrapping, zoals Specht v. Netscape Communications Corp 306 F. 3d 17 van het United States Court of Appeals, Second Circuit, en Century 21 Canada Limited Partnership v. Rogers Communications Inc [2011] BCSC 1196 van het Supreme Court of British Columbia in Canada. Laffoy J oordeelde echter – terecht – dat de vraag of de forumkeuze was overeengekomen in die zaak primair moest worden beoordeeld aan de hand van art. 23 Brussel I-Verordening: “Insofar, if at all, as the decision in the Century 21 case and the other decisions of the U.S. and Canadian courts relied upon by the plaintiff may assist in resolving the issue before this Court, they can only do so in the Court’s consideration of the application of Article 23 of the Brussels 1 Regulation.” (onderstreping toegevoegd). Vervolgens kwam zij, zonder referte aan deze Noord-Amerikaanse uitspraken, tot het oordeel dat sprake was van een forumkeuze op grond van art. 23 lid 1 sub c Brussel I-Verordening.
68. Wat er ook zij van deze beslissing – die in beroep is bevestigd door het Supreme Court in Ryanair Ltd. v. Billigfluege.de GmbH & Ryanair Ltd. v. On the Beach Ltd. [2015] IESC 11 (19 February 2015) –, duidelijk is dat zij is gegeven onder de vigeur van (art. 23 van de) Brussel I-Verordening, en niet onder Iers contractenrecht of onder invloed van Noord-Amerikaanse uitspraken. Ook deze uitspraak vormt dus geen precedent.
69. Uit het voorgaande blijkt dat de derde uitspraak waar Ryanair zich op beroept, de hiervoor meermaals genoemde uitspraak van het Supreme Court – waarin in beroep werd geoordeeld in Ryanair Ltd. v. Billigfluege.de GmbH en in Ryanair Ltd. v. On the Beach Ltd. – geen precedent vormt. Terzijde merkt het hof op dat in het handboek van McDermott over Iers contractenrecht over deze uitspraak wordt opgemerkt:
“The Supreme Courts’s reluctance to get into the difficult contract law aspects of the dispute arises from the fact that no final decision could be made as to the existence of a contract where the question before the court was only the interlocutory issue as to whether the Irish courts can assume jurisdiction over the litigation.”
16
70. Ten slotte wordt in de legal opinion van Mr Hayden de uitspraak van het High Court (Mr Justice McGovern) in Ryanair Ltd. v. Club Travel Ltd. [2012] IEHC 165 (23 March 2012) vermeld. Het ging in die zaak om een “interlocutory application whereby Ryanair sought injunctive relief”. De desbetreffende uitspraak – waarin Ryanairs verzoek overigens werd afgewezen – bevat geen beslissingen ten gronde en vormt naar Iers recht geen precedent, zo is niet in geschil. Bovendien accepteerde McGovern J, zoals hiervoor in rov. 65 bleek, Ryanair Ltd. v. Billigfluege.de GmbH [2010] IEHC 47 niet als precedent voor wat betreft de vraag of de gebruiksvoorwaarden waren overeengekomen.
71. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat een (al dan niet in Noord Amerika ontwikkelde) browse-wrap doctrine in het Ierse recht is opgenomen, zoals Mr Hayden in zijn legal opinion stelt. Noch de High Court uitspraken, noch de Ierse Supreme Court uitspraak bevestigen die stelling.
72. Bij gebreke van precedenten en van een ‘browse-wrap doctrine’ in Iers contractenrecht, is het hof van oordeel dat, zoals Mr Newman in zijn legal opinion uiteenzet, “browsewrap cases simply involve factual circumstances, involving internet browsing, to which existing principles of Irish contract law must be applied.”
73. Deze algemene beginselen toepassend stelt het hof vast dat onder Iers contractenrecht voor de totstandkoming van een overeenkomst vier constitutieve elementen zijn vereist, te weten: offer (aanbod), acceptance (aanvaarding), consideration en intention to create legal obligations.
74. Er – met partijen – van uitgaande dat de in rov. 3.2 genoemde vermelding op de website van Ryanair (“Use of this site is subject to the Ryanair.com Terms and Conditions”) kan worden aangemerkt als een offer aan een ieder om deze website te gebruiken onder de gebruiksvoorwaarden en de daarin opgenomen rechtskeuze, rijst in de eerste plaats de vraag of PR Aviation dit heeft aanvaard (acceptance) door de website van Ryanair te gebruiken, dat wil zeggen te bezoeken en screen scraping te bedrijven.
75. Over acceptance wordt in het eerdergenoemde handboek van McDermott opgemerkt: “Acceptance may be defined as a final and unequivocal expression of agreement to the terms of an offer. Two aspects of acceptance must be considered: the fact of the acceptance and the communication of the acceptance”.17Daarbij wordt onder “fact of acceptance” wordt onder meer de “intention to accept” geschaard: een aanvaarding is in beginsel niet geldig indien zij niet is gedaan met de wil om te aanvaarden. Aangenomen moet worden dat PR Aviation niet wilde aanvaarden, gezien ook hetgeen hierna in rov. 79 zal worden overwogen.
76. Gedrag (conduct) kan naar Iers recht ook aanvaarding meebrengen. In een aanbod kan worden aangegeven dat een bepaalde vorm van aanvaarding (in woord of door gedrag) is vereist of toegelaten; indien iemand aldus handelt, zal dat worden opgevat als aanvaarding, zo is bepaald in de Engelse uitspraak Carlill v. Carbolic Smoke Ball Co [1893] 1 QB 256.
77. Dat neemt niet weg dat onder Iers recht ook het zogeheten ‘objective principle’ geldt. Professor Clark merkt daarover op in zijn handboek over Iers contractenrecht: “A person may be bound by his conduct if, objectively speaking, that person conducts himself or herself in such a way that the conduct would indicate to a reasonable person that he or she intends to be bound.”18Dit beginsel is door Blackburn J als volgt geformuleerd in de Engelse uitspraak Smith v. Hughes (1871) LR 6 QB 597:
“If, whatever a man’s real intention may be, he so conducts himself that a reasonable man would believe that he was assenting to the terms proposed by the other party, and that other party upon that belief enters into the contract with him, the man thus conducting himself would be equally bound as if he had intended to agree to the other party’s terms.”
78. In de onderhavige zaak is de vraag dus of, objectief gezien, een redelijk persoon denkt dat PR Aviation de (rechtskeuze in de) gebruiksvoorwaarden wilde aanvaarden door gebruik te maken van de website van Ryanair (vgl. naar Nederlands recht art. 3:35 BW). Deze vraag is in essentie eerder in dit geschil aan de orde geweest (vgl. rov. 98).
79. Naar het oordeel van het hof is moet die vraag ontkennend worden beantwoord. PR Aviation bezocht de website, langs geautomatiseerde weg, om gegevens te verzamelen die voor een ieder gratis en vrij toegankelijk waren en juridisch door geen enkel recht werden beschermd – noch door een databankrecht noch door een auteursrecht noch anderszins. Waar deze juridisch onbeschermbare gegevens voor een ieder gratis en vrij toegankelijk zijn openbaar gemaakt op een openbare website, zal een redelijk persoon niet denken dat PR Aviation, louter door de website te bezoeken en/of deze gegevens te verzamelen, zich wilde binden aan de gebruiksvoorwaarden die haar verbieden om die gegevens te verzamelen en te gebruiken, noch aan de daarin opgenomen rechtskeuze. Ter vergelijking: wie op straat aan een muur, of in een étalage zichtbaar vanaf de openbare weg, een aanplakbiljet heeft opgehangen met een tekst waarvan de eerste regel luidt: “Wie verder leest, moet € 5,- betalen”, mag er niet zo maar op vertrouwen dat een voorbijganger die de tekst verder leest, zich heeft willen binden aan deze voorwaarde.
80. Aanvaarding (acceptance) kan in zo’n geval niet worden aangenomen. De omstandigheden dat PR Aviation wist of moest weten van deze gebruiksvoorwaarden, dat zij een professionele partij is, dat zij zelf ook via browse-wrapping gebruiksvoorwaarden gebruikt(e) op haar eigen website (zie rov. 3.9 hiervoor), en dat PR Aviation naderhand expliciet is gewezen op de gebruiksvoorwaarden van Ryanair, zoals bij brief van 11 januari 2008 (vgl. rov. 3.10 en 98), doen daar niet aan af. Deze omstandigheden – ieder voor zich en ook indien tezamen genomen – kunnen immers niet met zich brengen dat, objectief gezien, een redelijk persoon denkt dat PR Aviation (de rechtskeuze in) de gebruiksvoorwaarden wilde aanvaarden.
81. Om aanvaarding te kunnen aannemen is meer nodig. Daarvoor is bijvoorbeeld vereist dat de gegevens door een technische maatregel niet vrij toegankelijk zijn, maar pas worden vrijgegeven als de bezoeker van de website expliciet akkoord gaat met de gebruiksvoorwaarden. Dat is, zo blijkt uit de overgelegde stukken, in de huidige opzet van de website van Ryanair het geval. De bezoeker krijgt tegenwoordig de gegevens pas te zien nadat hij enkele reisgegevens heeft ingevuld en op de knop “Daar gaan we” te drukken, onder welke knop duidelijk staat vermeld “Door op Daar gaan we te klikken ga ik akkoord met de Gebruiksvoorwaarden van de Ryanair-website”, welke voorwaarden door middel van een hyperlink kunnen worden geraadpleegd. Dat is een schoolvoorbeeld van een click-wrap overeenkomst. Zou PR Aviation bij haar bezoek aan de website (langs geautomatiseerde weg) op deze knop hebben gedrukt om de gegevens te verzamelen, dan lijkt voor de hand te liggen om aan te nemen dat sprake zou zijn geweest van aanvaarding van de (rechtskeuze in de) gebruiksvoorwaarden. Over de vraag of dat naar Iers recht inderdaad het geval is, hoeft het hof zich niet uit te laten. In de onderhavige zaak is immers alleen browse-wrapping aan de orde.
82. Concluderend moet worden vastgesteld dat geen sprake is van aanvaarding door PR Aviation, en dat naar Iers recht dus geen sprake is van een (rechtskeuze-) overeenkomst tussen partijen. De vraag of sprake is van consideration en/of intention to create legal obligations kan dus in het midden blijven.
83. Ten slotte merkt het hof nog op dat in de overgelegde legal opinions in dit verband is gewezen op de uitspraak van het High Court (Costello P) in Carroll v. An Post National Lotery Company [1996] IEHC 50; [1996] 1 IR 443 (17 April 1996). Het ging in die zaak om de vraag of, gegeven een contractuele relatie, een contractspartij is gebonden aan bepaalde standaardvoorwaarden die de andere contractspartij op de achterzijde van een loterijformulier (playslip) heeft afgedrukt. Costello P oordeelde daarover in rov. 36:
“In the present case the plaintiff accepts that a contractual relationship arose between himself and the defendant company and has, as I understand the submissions made on his behalf, accepted that the contract arose when he filled in the playslip, paid the applicable charge, and received a ticket from the computer terminal. Dispute, however, arises as to the terms on which the parties contracted. I have found as a fact that the plaintiff knew that there were rules printed on the reverse side of the playslip and that he did not read them. This finding means that, subject to certain qualifications to which I will refer in a moment, the plaintiff is bound by them.”
84. Het ging in de zaak Carroll v. An Post National Lotery Company dus om de vraag of, gegeven een contractuele relatie, bepaalde voorwaarden geïncorporeerd zijn in deze overeenkomst, of geacht worden daarin te zijn geïncorporeerd. Vgl. ook Interfoto Picture Library Ltd v. Stiletto Visual Programmes Ltd. [1989] QB 433, waarnaar Hanna J verwees in Ryanair Ltd. v. Billigfluege.de GmbH [2010] IEHC 47 (26 February 2010). In deze en andere uitspraken is de ‘doctrine of notice’ terug te vinden, volgens welke – kort gezegd – van belang is of de contractspartij “was given reasonable notice of the terms”. Bingham LJ merkte in Interfoto Picture Library Ltd v. Stiletto Visual Programmes Ltd. op over de desbetreffende uitspraken:
“At one level they are concerned with a question of pure contractual analysis, whether one party has done enough to give the other notice of the incorporation of a term in the contract. At another level they are concerned with a somewhat different question, whether it would in all the circumstances be fair (or reasonable) to hold a party bound by any conditions or by a particular condition of an unusual and stringent nature.”
85. In de onderhavige zaak gaat het echter niet om de vraag of de (rechtskeuze in de) gebruiksvoorwaarden van Ryanair is/zijn geïncorporeerd in een andere overeenkomst tussen haar en Ryanair. Er is immers niet een andere contractuele relatie tussen partijen. De vraag die in de onderhavige zaak voorligt, is of er überhaupt een overeenkomst (in de vorm van de (rechtskeuze in de) gebruiksvoorwaarden) tussen partijen tot stand gekomen is. Daarin verschilt deze zaak dus van Carroll v. An Post National Lotery Company, zodat deze uitspraak zich daarom niet goed leent voor toepassing in de context van browse-wrapping zoals in deze zaak aan de orde. Voor zover de door Ryanair genoemde Noord-Amerikaanse uitspraken over browse-wrapping zijn gebaseerd op een doctine of notice of een Carroll-benadering, volgt dit hof deze daarom, alsook gelet op het hiervoor genoemde objective principle, niet. Daarnaast is het, zoals Mr Newman in par. 63 en 64 van zijn legal opinion opmerkt, niet waarschijnlijk dat de Ierse rechter deze uitspraken in dit verband relevant zal achten.
1.3.
Conclusie rechtskeuzes; art. 8 lid 2 EVO
86. Uit het voorgaande blijkt dat naar Iers recht (zie rov. 59 hiervoor) geen geldige rechtskeuze voor Engels respectievelijk Iers recht is overeengekomen tussen Ryanair en PR Aviation.
87. Dat betekent dat het beroep van PR Aviation op art. 8 lid 2 EVO (art. 10 lid 2 Rome I-Verordening) niet beoordeeld hoeft te worden. Volgens deze bepaling kan PR Aviation zich, voor het bewijs dat zij haar toestemming niet heeft verleend, beroepen op het recht van het land waar zij haar gewone verblijfplaats heeft (Nederlands recht), indien uit de omstandigheden blijkt dat het niet redelijk zou zijn de gevolgen van haar gedrag te bepalen overeenkomstig het recht bedoeld in art. 8 lid 1 EVO (art. 10 lid 1 Rome I-Verordening), dus Iers recht. Nu echter naar Iers recht geldt dat de rechtskeuzes niet zijn overeengekomen omdat PR Aviation deze niet heeft aanvaard, is toepassing van deze bepaling niet aan de orde.
88. De vraag of een professionele partij als PR Aviation, die doelbewust, systematisch en op grote schaal bepaalde websites van het Ierse Ryanair bezoekt, zich erop kan beroepen dat het niet redelijk zou zijn de gevolgen van haar gedrag te bepalen overeenkomstig het Ierse recht, kan dus in het midden blijven.
89. Overigens zou ook onder Nederlands recht gelden dat geen (rechtskeuze-) overeenkomst tot stand gekomen is (zie rov. 96 hierna).
2. Het objectief toepasselijke recht
90. Nu er geen sprake is van een geldige rechtskeuze in de relevante periode, moet in verband met art. 8 EVO en art. 10 Rome I-Verordening worden vastgesteld welk recht ingevolge het EVO respectievelijk de Rome I-Verordening objectief toepasselijk zou zijn, indien de overeenkomst (de gebruiksvoorwaarden zonder de rechtskeuzes) geldig zou zijn.
91. Dat is, zowel onder het EVO als onder de Rome I-Verordening, Iers recht.
92. Volgens art. 4 EVO is Iers recht op de veronderstelde overeenkomst van toepassing. Ryanair is immers de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten (het ter beschikking stellen van de website), en zij had en heeft haar hoofdbestuur in Ierland (art. 4 lid 2). Voor zover niet geen sprake is van een kenmerkende prestatie, is de veronderstelde overeenkomst naar het oordeel van het hof het nauwst verbonden met Ierland, zodat ook dan Iers recht van toepassing is (art. 4 leden 1 en 5). Volgens het EVO wordt de veronderstelde overeenkomst dus beheerst door Iers recht.
93. Dat geldt ook onder de Rome I-Verordening. Voor zover de veronderstelde overeenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst inzake dienstverlening, wordt zij immers beheerst door het recht van het land waar dienstverlener Ryanair haar gewone verplaatsplaats heeft, dus door Iers recht (art. 4 lid 1 sub b). Voor zover de veronderstelde overeenkomst niet kan worden aangemerkt als een overeenkomst inzake dienstverlening, geldt dat Iers recht van toepassing is omdat Ryanair – als partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten (het ter beschikking stellen van de website) – haar gewone verblijfplaats in Ierland had en heeft (art. 4 lid 2), terwijl niet blijkt dat de veronderstelde overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land (art. 4 lid 3). Voor zover niet kan worden gesproken over een kenmerkende prestatie, is de veronderstelde overeenkomst naar het oordeel van het hof het nauwst verbonden met Ierland, zodat ook dan Iers recht van toepassing is (art. 4 lid 4).
94. Dat betekent dat ingevolge art. 8 EVO en art. 10 Rome I-Verordening naar Iers recht moet worden beoordeeld of, in de periode van 2004 tot en met 11 augustus 2010, de gebruiksvoorwaarden tussen Ryanair en PR Aviation zijn overeengekomen door browse-wrapping.
VI. Toepassing van Iers en Nederlands recht
1. Iers recht
95. Naar Iers recht zijn, zoals hiervoor aan de orde kwam, de gebruiksvoorwaarden niet overeengekomen tussen Ryanair en PR Aviation. PR Aviation was hieraan dus niet gebonden.
2. Nederlands recht
96. Het hof merkt op dat dit onder Nederlands recht niet anders zou zijn. Aangenomen moet worden dat PR Aviation zich niet wilde binden, gezien ook het in rov. 79 overwogene. Ryanair mocht er in de in rov. 79 genoemde omstandigheden naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet op vertrouwen dat PR Aviation, door de website van Ryanair te bezoeken en aldaar gegevens te verzamelen, gebruiksvoorwaarden c.q. de rechtskeuzes daarin wilde aanvaarden die haar verbieden gegevens te verzamelen die voor een ieder gratis en vrij toegankelijk waren en juridisch door geen enkel recht werden beschermd (art. 3:35 BW).
97. De omstandigheden dat PR Aviation wist of moest weten van deze gebruiksvoorwaarden, dat zij een professionele partij is, dat zij zelf ook via browse-wrapping gebruiksvoorwaarden gebruikt(e) op haar eigen website (zie rov. 3.9 hiervoor), en dat PR Aviation naderhand expliciet is gewezen op de gebruiksvoorwaarden van Ryanair, zoals bij brief van 11 januari 2008 (zie rov. 3.10 hiervoor), doen daar niet aan af (vgl. rov. 80 hiervoor). Deze omstandigheden – ieder voor zich en ook indien tezamen genomen – kunnen immers niet met zich brengen dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen dat PR Aviation wilde aanvaarden.
98. Overigens merkt het hof, wat betreft laatstgenoemde omstandigheid, op dat Ryanair niet heeft gesteld dat zij reeds vanaf 2004 het gedrag van PR Aviation redelijkerwijs mocht opvatten als aanvaarding van de gebruiksvoorwaarden. Zij stelt slechts dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat PR Aviation de gebruiksvoorwaarden heeft aanvaard nadat deze per e-mail en per aangetekende post aan PR Aviation waren toegezonden op 21 januari 2008 (conclusie van repliek, par. 143 e.v.; memorie na cassatie en verwijzing, par. 8.10 e.v.). Daarbij vermeldt zij niet dat PR Aviation bij brief van 28 januari 2008 heeft gereageerd (productie 1 bij conclusie van antwoord), uit welke brief zij naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet mocht afleiden dat PR Aviation de gebruiksvoorwaarden wilde aanvaarden (conclusie van dupliek, par. 110).
3. Conclusie
99. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van Ryanair, voor zover gebaseerd op de contractuele grondslag, moeten worden afgewezen.
100. Ten overvloede merkt het hof, naar aanleiding van hetgeen hiervoor in rov. 17 is overwogen, op dat zelfs indien wel zou moeten worden beoordeeld of sprake is van schending van punt 5 van de gebruiksvoorwaarden, dit Ryanair niet kan baten nu PR Aviation niet gebonden was aan de gebruiksvoorwaarden en dus ook niet aan punt 5 daarin. Overigens heeft Ryanair haar (door PR Aviation betwiste) stellingen in dit verband ook onvoldoende onderbouwd.
101. De vraag of PR Aviation onrechtmatig heeft gehandeld jegens Ryanair is thans in deze procedure niet (meer) aan de orde (zie rov. 18 en 22 hiervoor).
102. Het bewijsaanbod van Ryanair in par. 13.1 van haar memorie na verwijzing en vermeerdering van eis is niet relevant, en zal door het hof worden gepasseerd.
VII. Slotsom en proceskosten
1. Slotsom
103. De thans voorliggende vorderingen van Ryanair – dat wil zeggen de vorderingen 1 en, voor zover gebaseerd op de contractuele grondslag, 3 – worden afgewezen.
104. Het bestreden vonnis van de rechtbank Utrecht, waarin wegens auteursrechtinbreuk een verbod met dwangsommen en een veroordeling tot betaling van schadevergoeding werd uitgesproken, kan niet in stand blijven gelet op de arresten van de Hoge Raad van 17 januari 2014 en 11 maart 2016. Het hof zal het vonnis vernietigen, en opnieuw rechtdoende de vorderingen van Ryanair afwijzen als hiervoor overwogen.
2. Proceskosten
105. In het bestreden vonnis van de rechtbank Utrecht is PR Aviation veroordeeld in de proceskosten van Ryanair, welke op de voet van art. 1019h Rv zijn begroot op € 25.325,80.
106. Het hof Amsterdam heeft – in zijn door de Hoge Raad vernietigde arrest – dit vonnis en de daarin opgenomen proceskostenveroordeling vernietigd en Ryanair veroordeeld in de proceskosten
- -
in eerste aanleg, vastgesteld op € 25.000,- voor salaris van de advocaat en op € 254,- voor griffierecht; en
- -
in hoger beroep, in het principaal beroep vastgesteld conform partijafspraak op € 40.000,- voor salaris advocaat, € 640,- voor griffierecht en € 73,89 voor kosten van het appelexploot, en in incidenteel beroep vastgesteld conform partijafspraak op € 10.000,- voor salaris advocaat.
107. Het hof overweegt als volgt.
108. Het vonnis van de rechtbank zal, zoals hiervoor overwogen, worden vernietigd. Dat geldt ook voor de veroordeling van PR Aviation in de proceskosten ad € 25.325,80. Dat betekent dat Ryanair dit bedrag aan PR Aviation zal moeten terugbetalen. Voorts zal het hof Ryanair veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg. Daarbij neemt het hof de begroting door het hof Amsterdam over, dus € 25.000,- voor salaris van de advocaat en op € 254,- voor griffierecht.
109. Ten aanzien van de procedure in hoger beroep – bij het hof Amsterdam, voortgezet bij dit hof – overweegt het hof dat Ryanair de (volledig) in het ongelijk gestelde partij is.
Immers, voor zover haar vorderingen waren gebaseerd op auteursrecht en databankenrecht zijn deze, zo blijkt uit de arresten van de Hoge Raad en het Hof van Justitie EU, door het hof Amsterdam terecht afgewezen. Voor zover haar vorderingen waren gebaseerd op onrechtmatige daad, is Ryanair niet verder opgekomen tegen de afwijzing door het hof Amsterdam. En voor zover haar (gewijzigde) vorderingen waren gebaseerd op wanprestatie, worden zij door dit hof afgewezen.
Het hof zal Ryanair daarom voor wat betreft de procedure bij het hof Amsterdam veroordelen in de door dat hof begrote proceskosten (dus € 50.713,89), en voor wat betreft de procedure bij dit hof in de proceskosten volgens het liquidatietarief (3 punten in tarief II, dus) € 2.682,-.
110. Tezamen genomen zal het hof Ryanair dus veroordelen tot betaling van een totaalbedrag van (€ 25.325,80 + € 25.254,- + € 50.713,89 + € 2.682,- =) € 103.975,69. De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals door PR Aviation gevorderd.
111. Ryanair heeft in haar memorie na verwijzing en vermeerdering van eis onbestreden gesteld dat zij in mei 2012 al een bedrag van € 102.745,43 (zijnde € 25.325,80 + € 25.254,- + € 50.713,89 = € 101.293,69, vermeerderd met rente) aan PR Aviation heeft betaald. Dat betekent dat Ryanair alleen nog het resterende bedrag voor de procedure na verwijzing (€ 2.682,-) zal moeten betalen aan PR Aviation.
112. Vordering 4 van Ryanair, strekkende tot terugbetaling van het eerdergenoemde bedrag van € 102.745,43, zal gelet op het voorgaande worden afgewezen. Dat geldt ook voor vordering 5.
113. PR Aviation heeft niet alleen verzocht om veroordeling van Ryanair in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, maar ook “in de kosten gemaakt in het kader van de procedure in cassatie, inclusief de kosten voor de procedure bij het Hof van Justitie, o.m. bestaande uit de volledige en daadwerkelijk gemaakte kosten ex artikel 1019h Rv.” Volgens PR Aviation brengt art. 14 van de Handhavingsrichtlijn mee dat alle proceskosten die PR Aviation in de gehele procedure heeft moeten maken, voor rekening van Ryanair komen.
114. Dit verzoek kan niet worden toegewezen. In de cassatieprocedure was PR Aviation op de grond dat de motivering van het oordeel van het hof Amsterdam dat zij geen wanprestatie heeft gepleegd tegenover Ryanair, geen stand kan houden, als de in cassatie in het ongelijk gestelde partij te beschouwen. Daarom is PR Aviation veroordeeld in de kosten voor die procedure en de daarmee samenhangende procedure bij het Hof van Justitie (HR 11 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:390, NJ 2016/174, rov. 2.5).
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Utrecht van 28 juli 2010,
- wijst de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van Ryanair af;
- -
veroordeelt Ryanair in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, zoals hiervoor in rov. 105 e.v. aan de zijde van PR Aviation tot op heden in totaal begroot op € 103.975,69, waarvan thans nog is te betalen € 2.682,-;
- -
wijst af het meer of anders gevorderde,
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de proceskostenveroordeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.J. Schaafsma, M.Y. Bonneur en B. Smulders, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2018 in aanwezigheid van de griffier.