4.5
Naar het oordeel van het hof volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de PLA en de FSA, alsmede de (onweersproken) verklaringen van [COO Pepscan] , [lid RvC Pepscan] en [toenmalig advocaat Pepscan] , dat partijen bedoeld hebben dat gedurende de looptijd van de licentie-overeenkomst, BT verplicht was de CLIPS peptiden exclusief van Pepscan af te nemen (behoudens de in die overeenkomsten genoemde uitzonderingen). Ook voor zover een taalkundige uitleg van artikel 3.2 PLA de door BT verdedigde uitleg zou toelaten of zelfs in die richting zou wijzen, moet naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden niettemin worden uitgegaan van de door Pepscan verdedigde uitleg, die aansluit bij de bedoelingen van partijen en hetgeen zij daarover over en weer hebben besproken en op grond daarvan ook van elkaar mochten verwachten. Het hof baseert zich daarbij op de navolgende feiten en omstandigheden.
4.5.1
[COO Pepscan] , [lid RvC Pepscan] en [toenmalig advocaat Pepscan] hebben – consistent – verklaard ten aanzien van de onderhandelingen voorafgaand aan de totstandkoming van de PLA en FSA – in het bijzonder dat het de wederzijds uitgesproken bedoeling van partijen was dat BT gedurende de looptijd van de licentie-overeenkomst de CLIPS peptiden exclusief van Pepscan zou afnemen (behoudens enkele uitzonderingen).
4.5.2
In de Term Sheet april 2009 is ter zake van de door Pepscan te verlenen diensten opgenomen: “NewCo shall engage Pepscan as its exclusive supplier for all [CLIPS™ Technology] related research and development activities under terms and conditions to be negotiated in good faith before the execution of the final license agreement”. In de Term Sheet juni 2009 is dat vervolgens als volgt verwoord: “NewCo and Pepscan shall enter into discussions with Pepscan regarding a Service Agreement pursuant to which Pepscan would serve as NewCo's exclusive supplier for CLIPSTM Technology related research and development activities under terms and conditions to be negotiated in good faith between the parties (the "Service Agreement"), provided, however, the Service Agreement shall in no way restrict NewCo from pursuing any internal developments either within NewCo or in
collaboration with research labs.”. Deze verplichting is vervolgens in artikel 3.2 PLA verwoord als: “The parties shall negotiate in good faith to conclude a service agreement pursuant to which any Pepscan Service Improvements will be licensed, the Licensor will provide know-how (excluding the Pepscan Know-How) and the Licensor would serve as the Licensee's exclusive supplier for the synthesis of CLIPS Peptides provided that the Licensee shall not be precluded from pursuing any synthesis of CLIPS Peptides on its own or in collaboration with research laboratories.”
4.5.3
Naar [COO Pepscan] en [lid RvC Pepscan] hebben verklaard vindt de aangepaste terminologie van “shall engage” in “shall enter into discussions (…) pursuant to which Pepscan would serve” zijn oorsprong daarin dat er geen tijd was om de Service Agreement uit te onderhandelen voorafgaand aan het sluiten van de licentie-overeenkomst. Daar werd in de Term Sheet april 2009 nog wel van uitgegaan, getuige de zinsnede “before the execution of the final license agreement”. Omdat die reden zijn partijen overeengekomen dat over de voorwaarden van de service-overeenkomst na de licentie-overeenkomst nader onderhandeld zou worden.
Naar Pepscan onweersproken heeft gesteld zijn de Term Sheet juni 2009 en de PLA onder zekere tijdsdruk tot stand gekomen.
4.5.4
Dat aan de gewijzigde bewoordingen in de Term Sheet juni 2009 niet een andere – van de Term Sheet april 2009 afwijkende – afspraak ten grondslag lag, blijkt ook uit het feit dat Pepscan na het sluiten van de PLA haar advocaat de opdracht heeft gegeven een concept voor de af te sluiten FSA op te stellen, in overeenstemming met de reeds aan de Term Sheet april 2009 ten grondslag liggende afspraken. De artikelen 6.1 en 6.2, alsmede de koppeling met de looptijd van de licentie-overeenkomst in artikel 8.4.5 van het door haar advocaat opgestelde concept, weerspiegelden dan ook het begrip van Pepscan ten aanzien van de – inhoudelijk niet gewijzigde – met BT gemaakte afspraken. Aangezien de bewoordingen van artikel 3.2 PLA – die immers, behoudens enkele toevoegingen betreffende verbeteringen en know how, identiek zijn aan die opgenomen in de Term Sheet juni 2009 – is er geen aanleiding over de uitleg daarvan anders te oordelen.
4.5.5
De suggestie van BT dat betekenis zou moeten worden toegekend aan het gebruik van ‘would’ (in plaats van ‘will’) in artikel 3.2 PLA (en daarvoor ook al in de Term Sheet juni 2009), wat volgens BT een ‘duidelijk terughoudender formulering’ zou zijn, wijst het hof van de hand. Aan de eventuele aan de Engelse grammatica ontleende nuances tussen ‘will’ en ‘would’ kan, nu Pepscan (en ook haar toenmalige advocaat) geen native speaker is, geen betekenis worden toegekend. Met artikel 3.2 PLA is in het licht van de sluiting van de PLA voorafgaand aan het sluiten van de FSA, in plaats van daarna zoals aanvankelijk beoogd, niets anders tot uitdrukking gebracht dan dat er nog onderhandeld moest worden over een FSA. Uit niets blijkt dat daarbij over de exclusieve afnameverplichting van BT andere afspraken zijn gemaakt dan die in de Term Sheet april 2009 waren neergelegd. Uit de door Pepscan overgelegde verklaringen blijkt integendeel dat voor alle partijen bij ondertekening van de PLA – nog steeds – buiten kijf stond dat Pepscan onder nader overeen te komen voorwaarden gedurende de licentie-overeenkomst exclusief leverancier van de CLIPS peptiden zou worden. Dat in artikel 3.2 PLA niet expliciet is opgenomen dat de FSA zou worden aangegaan voor de looptijd van de PLA, waarop BT heeft gewezen, betekent niet dat partijen dit niet voor ogen hadden. Juist omdat partijen dat wél voor ogen hadden is die koppeling vervolgens in de concept-FSA uitdrukkelijk opgenomen, getuige ook de verklaring van mr. [toenmalig advocaat Pepscan] : “Deze koppeling was bewust opgenomen. Het benadrukte wat door partijen was afgesproken in het kader van het verlenen van een licentie door Pepscan aan Bicycle Therapeutics”. Niet gesteld of gebleken is dat BT ooit aan Pepscan heeft laten weten dat zij met die koppeling niet akkoord ging. Het hof merkt hierbij nog op dat de omstandigheid nog geen overeenstemming was bereik over alle specifieke voorwaarden van de exclusieve afnameverplichting er niet aan in de weg staat dat hierover – in artikel 3.2 PLA - een overeenkomst tot stand was gekomen (zie o.m. HR 26-09-2003, NJ 2004, 460 ‘Regiopolitie/Hovax’).
4.5.6
Uit de door Pepscan overgelegde verklaringen, met name die van [COO Pepscan] , blijkt verder dat over het verwijderen van de koppeling van de exclusieve afnameverplichting van BT aan de duur van de licentie-overeenkomst (door in artikel 6.2 FSA te verwijzen naar ‘this Agreement’ in plaats van de ‘License Agreement’ en door artikel 6 FSA niet langer in artikel 8.4.5 FSA te vermelden), niet tussen partijen is gesproken. BT heeft dat niet gemotiveerd bestreden. Ook BT heeft er geen verklaring voor kunnen geven hoe, door wie en waarom deze koppeling uit de definitieve tekst is verdwenen. Aangenomen moet daarom worden dat het achterwege laten van die koppeling niet het resultaat is geweest van onderhandelingen daarover en dus ook niet de weerslag vormt van – latere, van de eerdere uit de Term Sheets en de concept-FSA blijkende afspraken afwijkende – overeenstemming tussen partijen op dat punt. De (ondertekende) FSA strookt derhalve niet met de bedoelingen van partijen zoals die blijken uit artikel 3.2 PLA en de daaraan voorafgaande Term Sheets.
4.5.7
Dat er over de FSA is onderhandeld en er wijzigingen in de concept-FSA zijn aangebracht doet daar niet aan af. Zoals [COO Pepscan] ook heeft verklaard en ook blijkt uit overgelegde e-mail correspondentie, is over de inhoud van die overeenkomst inderdaad tussen partijen onderhandeld, maar alleen op andere punten dan genoemde koppeling. De onderhandelingen met betrekking tot artikel 6.2 FSA waarop BT heeft gewezen hadden betrekking op de uitzonderingen op de exclusiviteit en hebben geleid tot de toevoeging van de passage “In circumstances in which PEPSCAN is not able to provide BICYCLE with CLIPS™ peptides to the required quantity or specification e.g. GMP manufacturing, BICYCLE may obtain CLIPS™ peptides from a third party manufacturer with the agreement of PEP SCAN, not to be unreasonably withheld. For the avoidance of doubt BICYCLE shall not be precluded from engaging third parties for the synthesis and/or supply of peptides which are not CLIPS™ peptides.”. Deze onderhandelingen hadden blijkens de overgelegde correspondentie geen betrekking op de koppeling tussen de looptijd van de FSA en de PLA.
4.5.8
Het standpunt van BT dat Pepscan de in artikel 6.2 en 8.4.5 van de FSA aangebrachte wijzigingen had kunnen zien en dat Pepscan nu eenmaal de FSA heeft ondertekend, zodat BT volgens de letterlijke bewoordingen van artikel 8.1 FSA het recht had de overeenkomst zonder opgaaf van redenen met een opzegtermijn van 3 maanden op te zeggen en volgens artikel 8.4.5 FSA daarmee ook de exclusieve afnameverplichting is vervallen, moet worden verworpen. Anders dan waar BT vanuit lijkt te gaan, staat met het feit dat de FSA door Pepscan is ondertekend, nog niet vast dat de FSA, in het bijzonder de artikelen 6.2 en 8.4.5 daarvan, de juiste weergave vormt van de bedoelingen van partijen. De FSA is aan te merken als een onderhandse akte, die weliswaar dwingend bewijs oplevert ten aanzien van de daarin opgenomen verklaringen van partijen, maar waartegen tegenbewijs openstaat. Op grond van hetgeen hiervoor en hierna onder r.o. 4.5 is en wordt overwogen, in het bijzonder het feit dat het wegvallen van de koppeling tussen de afnameverplichting en de PLA in de artikelen 6.2 en 8.4.5 van de FSA niet het resultaat is geweest van onderhandelingen, is naar het oordeel van het hof dat tegenbewijs door Pepscan geleverd. Aldus kunnen die bepalingen niet worden aangemerkt als een juiste weergave van hetgeen partijen bedoeld hebben af te spreken en kunnen de letterlijke bewoordingen van die bepalingen aan de hiervoor gegeven uitleg van artikel 3.2 PLA niet in de weg staan. De bedoeling van partijen was en bleef datgene wat in artikel 3.2 PLA tot uitdrukking is gebracht, namelijk dat voor BT een exclusieve afnameverplichting gold gedurende de looptijd van de PLA (behoudens enkele uitzonderingen op die exclusiviteit zoals opgenomen in de PLA en de FSA).
4.5.9
BT heeft de verklaringen van [COO Pepscan] , [lid RvC Pepscan] en [toenmalig advocaat Pepscan] niet weersproken. In het bijzonder heeft BT geen andersluidende verklaringen overgelegd van de namens BT bij de totstandkoming van de PLA en FSA betrokkenen. Zij heeft voorts (expliciet) geen (tegen-)getuigenbewijs aangeboden ter zake van de totstandkoming van de PLA en FSA en hetgeen in dat kader tussen partijen is besproken en afgesproken (zie par. 159 MvA). Zij heeft enkel benadrukt (onder meer in par. 31 MvA) dat BT niet bereid was een onvoorwaardelijke exclusieve afnameverplichting aan te gaan, zonder enige beperking, voor onbepaalde tijd en zonder mogelijkheid tot beëindiging. Nog daargelaten dat ook voor die stelling onderbouwing ontbreekt is dat, anders dan BT meent (in par. 97 MvA) ook niet wat Pepscan stelt. Zij stelt, door diverse verklaringen onderbouwd, dat partijen een aan de licentie-overeenkomst gekoppelde exclusieve afnameverplichting (met enkele beperkingen) beoogden en dat heeft BT niet voldoende gemotiveerd weersproken.
4.5.10
Niet valt in te zien waarom de ‘entire agreement clause’ in artikel 15.1 van de PLA aan de door Pepscan voorgestane uitleg van artikel 3.2 van die overeenkomst in de weg zou staan, zoals door BT aangevoerd (par. 34 e.v. MvA), nu hetgeen partijen volgens die uitleg zijn overeengekomen geheel in lijn is met de eerdere, ongewijzigde, bedoelingen van partijen. Voor zover BT heeft bedoeld te betogen dat vanwege dat artikel meer gewicht moet worden toegekend aan de taalkundige uitleg van artikel 3.2 PLA, wordt dat verworpen. Onder de hiervoor besproken omstandigheden waaronder die bepaling tot stand is gekomen bestaat daarvoor naar het oordeel van het hof geen aanleiding. Ook de omstandigheid dat Pepscan met betrekking tot artikel 3.2 van het concept voor de PLA geen opmerkingen heeft gehad leidt niet tot een andere uitleg dan die door Pepscan verdedigd. Naar Pepscan immers mocht aannemen kwam die bepaling – zoals door haar gelezen – overeen met de over en weer bestaande en uitgesproken bedoeling van partijen dat BT gedurende de licentie-overeenkomst exclusief CLIPS peptiden van Pepscan zou afnemen, behoudens de overeen te komen (inhoudelijke) beperkingen op die exclusiviteit. Voor het maken van opmerkingen bestond voor haar daarom geen aanleiding.
4.5.11
De omstandigheid dat Pepscan tijdens de onderhandelingen over de FSA had kunnen beschikken over juridische bijstand, waarop BT heeft gewezen (waarvan overigens geen gebruik is gemaakt, naar [COO Pepscan] en mr. [toenmalig advocaat Pepscan] hebben verklaard), maakt dat niet anders. Nu er over de aanpassingen van de artikelen 6.2 en 8.4.5 van de concept-FSA waarmee de koppeling met de PLA kwam te vervallen, helemaal niet is onderhandeld, valt niet in te zien wat de (toenmalige) advocaat van Pepscan daaraan had kunnen bijdragen.
4.5.12
BT heeft verder nog gewezen op de tweede ‘considerans’ van de FSA die luidt: “WHEREAS, in connection with the License Agreement, the Parties have agreed that PEPSCAN will render certain services for BICYCLE within the Field of Use (as defined below)”. Daaruit zou volgens haar volgen dat Pepscan niet zonder enige beperking exclusief leverancier van BT zou zijn en dat het op de bepalingen van de overeenkomst aankomt te bepalen wat de rechten en verplichtingen van partijen zijn. Wat daarvan zij, deze (ten opzichte van de concept-FSA ongewijzigde) considerans ziet op de omvang van de exclusiviteit als zodanig – waarvan Pepscan ook nooit heeft betoogd dat die onbeperkt zou zijn – en biedt geen (ander) inzicht in de bedoelingen van partijen ten aanzien van de koppeling tussen de looptijd van de FSA en de PLA. Eerder verwijst deze overweging juist op de reeds overeengekomen samenhang met de PLA (“in connection with the License Agreement, the Parties have agreed”).
4.5.13
Aan de omstandigheid dat artikel 3.2 in ongewijzigde vorm in de in 2010 aangepaste PLA is blijven staan – waaraan partijen overigens ieder andere argumenten ontlenen – komt naar het oordeel van het hof geen betekenis toe. De PLA is in 2010 alleen gewijzigd wat betreft art. 2.1 PLA en de overige bepalingen zijn zonder enige verdere onderhandeling ongewijzigd overgenomen, naar BT ook aanvoert (par. 25 MvA).
4.5.14
Evenmin acht het hof van belang dat het lump sum bedrag en het aandelenbelang als tegenprestatie voor de door Pepscan verstrekte licentie naar beneden is bijgesteld. Wat daarvan zij, uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt genoegzaam dat een exclusieve afnameverplichting (met enkele beperkingen) van BT als onderdeel van de tegenprestatie voor de verleende licentie onder het octrooi en de know how van Pepscan van aanvang af al de bedoeling was.
4.6
Het voorgaande leidt het hof tot de slotsom dat gelet op de Term Sheets, de concept FSA en de onbestreden gebleven verklaringen van [COO Pepscan] , [lid RvC Pepscan] en [toenmalig advocaat Pepscan] , artikel 3.2 PLA de bedoeling van partijen weergeeft dat de exclusieve afnameverplichting van BT van kracht zou zijn gedurende de looptijd van de licentie-overeenkomst. Het standpunt van BT dat artikel 3.2 PLA slechts inhoudt dat te goeder trouw onderhandeld zal worden over een leveringsovereenkomst (de FSA) en dat art. 3.2 PLA met de totstandkoming van de FSA uitgewerkt was, wordt dan ook als onjuist verworpen. Door het aangaan van de FSA – en de opzegging daarvan, wat daar verder ook van zij – is die bedoeling van partijen, en zijn de in overeenstemming daarmee uit artikel 3.2 PLA voortvloeiende verplichtingen, niet gewijzigd en evenmin beëindigd.
4.7
Daaruit volgt dat de verplichting om de CLIPS peptiden exclusief van Pepscan af te nemen, zoals neergelegd in artikel 3.2 PLA – nader ingevuld door hetgeen partijen in de artikelen 6.1 en 6.2 FSA waren overeengekomen – onverminderd op BT bleef rusten, ook na opzegging van de FSA door BT. Niet bestreden is dat BT CLIPS peptiden van derden heeft afgenomen zonder voorafgaande toestemming van Pepscan, waarop Pepscan BT heeft gewezen in de brief van 22 april 2015. Het standpunt van BT dat een redelijke uitleg van artikel 6.2 FSA meebrengt dat zij dit artikel (of artikel 3.2 PLA) niet heeft geschonden omdat zij mocht aannemen dat Pepscan niet onder GMP kon produceren en het verstrekken van vertrouwelijke informatie niet aan de orde was, wordt verworpen. Het feit dat Pepscan ten tijde van het aangaan van de PLA en de FSA BT niet kon voorzien van CLIPS peptiden van bepaalde kwaliteit (GMP) of hoeveelheid (op commerciële schaal) is onvoldoende om voetstoots aan te nemen dat dit in 2014 nog steeds het geval was. Voorts heeft Pepscan voldoende gemotiveerd gesteld dat en welke know how zij had en dat dit met BT is gedeeld. Daarmee was de door Pepscan gegeven reden voor het stellen van de voorwaarde van voorafgaande toestemming (om zich ervan te verzekeren dat dit een respectabele partij zou zijn in verband met de toepassing van vertrouwelijke know how) wel degelijk aan de orde. Op grond waarvan BT op voorhand kon vaststellen dat Pepscan die toestemming niet had mogen weigeren is door BT onvoldoende onderbouwd en naar het oordeel van het hof overigens ook onvoldoende grond om de verplichting tot het vragen van toestemming terzijde te stellen. Ten slotte wordt ook het standpunt van BT dat haar niet-nakoming zo onbeduidend was dat dit geen opzegging van de PLA rechtvaardigde verworpen. BT miskent daarmee dat de exclusieve afnameverplichting, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, juist een van de kernverplichtingen van BT was. Daar komt bij dat BT na de brief van 22 april 2015 de schending van die verplichting stelselmatig is blijven ontkennen en met het afnemen van CLIPS peptiden bij derden is doorgegaan. Aldus heeft Pepscan naar het oordeel van het hof de PLA gelet op artikel 9.2 onder (a) daarvan, rechtsgeldig opgezegd bij brief (van haar toenmalige advocaat) van 17 maart 2016.
4.8
Het voorgaande betekent dat de door Pepscan aangevoerde grieven (één tot en met tien) tegen het in r.o. 6.17 door de rechtbank gegeven oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen in r.o. 6.6 – 6.16 slagen. Het bestreden vonnis dient in zoverre te worden vernietigd. De door BT gevorderde verklaring voor recht, dat de PLA door Pepscan niet rechtsgeldig is beëindigd en onverminderd voortduurt (vordering onder 1), moet reeds op grond van hetgeen hiervoor is overwogen worden afgewezen. De door Pepscan in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat de PLA rechtsgeldig door haar is beëindigd (vordering onder I) en de vaststelling dat BT de PLA niet is nagekomen en aansprakelijk is voor de daaruit door Pepscan geleden schade (vordering onder II), komen voor toewijzing in aanmerking, voor zover betrekking hebbend op de niet-nakoming van haar verplichtingen ingevolge artikel 3.2 PLA door BT. In zoverre slaagt ook Pepscan’s twaalfde grief. Bij deze stand van zaken heeft Pepscan geen belang meer bij de beoordeling van haar elfde grief, waarmee zij opkomt tegen r.o. 6.21 van het bestreden vonnis, waarin art. 9.2 sub (c) PLA als opzeggingsgrond is afgewezen.
4.12
BT stelt zich op het standpunt dat geen bevoegdheid bestaat te oordelen over het door Pepscan onder III tot en met VII gevorderde. Zij stelt dat vordering III ‘in feite een octrooi inbreukverbod’ is, zodat daarvoor aan het forumkeuzebeding in artikel 18.2 van de PLA geen bevoegdheid kan worden ontleend. De overige vorderingen hangen daar zodanig mee samen dat wat de bevoegdheid betreft daarvoor hetzelfde moet gelden, aldus BT. Het hof wijst dat standpunt af. Gelet op hetgeen in artikel 9.3 PLA is overeengekomen, te weten dat in geval van beëindiging van de overeenkomst, “the Licensee shall cease all and any exploitation of the Licensed Patents and of any know-how provided by the Licensor to the Licensee, except insofar as such knowhow ceases or has ceased to be confidential, unless this is or was as a consequence of the default of the Licensee” heeft het onder III tot en met VII gevorderde (een aan BT op te leggen bevel om “wereldwijd de gevolgen van de opzegging zoals neergelegd in artikel 9.3 van de PLA na te leven waaronder (…) het wereldwijd staken en gestaakt houden van de exploitatie van de octrooirechten en knowhow van Pepscan”) onmiskenbaar een contractuele – en niet een octrooirechtelijke of onrechtmatige daad – grondslag. Dat een octrooi-inbreukverbod wellicht op hetzelfde zou neerkomen kan daaraan niet afdoen. Het hof acht zich derhalve op grond van het forumkeuzebeding in de PLA bevoegd om over deze vorderingen te oordelen.
4.13
Nu de vordering geen octrooirechtelijke grondslag heeft, staat het feit dat BT de nietigheid van het octrooi heeft ingeroepen, niet aan de grensoverschrijdende bevoegdheid van het hof in de weg. De door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) in het Gat/Luk arrest geformuleerde regel (arrest van 13 juli 2006 in zaak C-4/03, ECLI:EU:C:2006:457) mist hier toepassing. Ook het door BT gedane beroep op de Cartel Damage Claims /Akzo Nobel-zaak (arrest HvJ EU van 21 mei 2015 in zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335) gaat niet op. Daarin overwoog het HvJ EU dat ‘een forumkeuzebeding zich enkel uitstrekt tot geschillen die zijn ontstaan in de rechtsbetrekking naar aanleiding waarvan het is overeengekomen’ en dat een niet op de overeenkomst (maar het mededingingsrecht) gegrond geschil ‘niet redelijkerwijs voorzienbaar was op het moment waarop zij instemde met bedoeld beding’ zodat dit ‘niet [kan] worden geacht zijn oorsprong te vinden in de contractuele betrekkingen’ en daarom niet wordt bestreken door het forumkeuzebeding. Van een buiten de contractuele rechtsbetrekking (namelijk op het gebied van het octrooirecht en onrechtmatige daad) gelegen geschil is, zoals hiervoor overwogen, evenwel geen sprake. BT heeft voorts niet voldoende gemotiveerd gesteld, en overigens valt ook niet in te zien, dat een op artikel 9 lid 3 PLA gebaseerde vordering voor BT niet redelijkerwijs voorzienbaar was op het moment waarop zij instemde met het forumkeuzebeding. Dat niet met ieder land waarin Pepscan octrooirechten heeft een verknoping tussen het geschil en de Nederlandse rechtsorde bestaat, zoals door BT verder aangevoerd, kan aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter evenmin afdoen. Dit vereiste kan, anders dan BT suggereert, niet uit voornoemd arrest worden afgeleid en bestaat ook overigens niet voor een forumkeuzebeding. De incidentele grief van BT slaagt derhalve niet.