6.4.4.
De bijzondere omstandigheden van dit geval
6.4.4.1. De handelwijze van [geïntimeerde] als voogd
Met verwijzing naar het hiervoor onder 6.1. en 6.2. gestelde, concludeert het hof dat [geïntimeerde]
– kort gezegd – voor de ontvangst van de gelden de wettelijke regels heeft nageleefd, maar na de ontvangst daarvan zijn wettelijke verplichtingen heeft verzaakt.
[geïntimeerde] heeft als reden daarvoor aangevoerd dat hij zich niet bewust is geweest van de regels ter zake van de voogdij van het Burgerlijk Wetboek, dan wel dat hij de bewuste machtigingen van de kantonrechter niet heeft gelezen, dan wel dat hij de inhoud hiervan niet goed heeft begrepen.
Het hof acht deze verweren onaannemelijk. De feiten wijzen uit dat [geïntimeerde] de wettelijke regels in acht heeft genomen om als voogd de gelden te kunnen ontvangen. Dit blijkt uit de akte van scheiding en deling van augustus 1977 inzake de nalatenschap van de moeder van de dochter, de verzoekschriften aan de kantonrechter voor de aan [geïntimeerde] te verstrekken geldleningen en het verzoekschrift aan de kantonrechter tot machtiging voor het aangaan van de akte finale kwijting met de KLM. Deze rechtshandelingen zijn in overeenstemming met hetgeen de wet van de voogd vraagt. Hieruit kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat [geïntimeerde] zich bewust is geweest van de toepasselijke wettelijke regels.
Het hof neemt voorts in aanmerking dat [geïntimeerde] zich heeft laten bijstaan door deskundige juristen.
Hij heeft voor de verzoekschriften ter zake van de geldleningen domicilie gekozen bij notaris [notaris] te [plaats 2] , welke notaris ook was belast met het passeren van de akte van scheiding en deling van augustus 1977. Het hof houdt het er voor dat [geïntimeerde] door deze notaris ter zake naar behoren is voorgelicht. Zonder nadere toelichting, die niet van [geïntimeerde] is verkregen, acht het hof het niet aannemelijk dat de voorlichting van deze notaris zich heeft beperkt tot hoe [geïntimeerde] als voogd de gelden kon verkrijgen, maar geen betrekking heeft gehad op de regels voor belegging en beheer van de gelden van de minderjarigen. Het tegendeel blijkt immers uit de verzoekschriften aan de kantonrechter voor de verstrekking van de geldleningen aan [geïntimeerde] , waarin [geïntimeerde] aan de kantonrechter bevestigt de wettelijke regels inzake de belegging van de gelden te zullen naleven.
Ook ten aanzien van de machtiging ter zake van de KLM-uitkering kan het hof tot geen andere conclusie komen, nu [geïntimeerde] zich ter zake heeft laten bijstaan door deskundige en gekwalificeerde advocaten van het kantoor Worst & Van Haersolte, thans Nauta Dutilh genaamd.
De voornoemde feiten kunnen het hof niet tot een andere conclusie brengen dan dat [geïntimeerde] weloverwogen, derhalve met opzet, na de ontvangst van de gelden de wettelijke regels inzake de beleggingen en de bestedingen niet heeft nageleefd en het beheer van het vermogen van de dochter welbewust heeft onttrokken aan het wettelijk toezicht hierop, welk toezicht mede beoogt de waarborging van de belangen van de minderjarige.
[geïntimeerde] heeft zich overigens nog verweerd met de stelling dat hij de gelden ten behoeve van de dochter heeft aangewend overeenkomstig de bestemming. Naar het oordeel van het hof kan dit verweer kan [geïntimeerde] echter niet baten. [geïntimeerde] had de taak om als een goed voogd dit vermogen door doelmatige belegging in stand te houden totdat de dochter bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd zelf tot het beheer van het vermogen in staat zou zijn, en het was niet zijn opdracht om zonder daartoe strekkende rechterlijke machtiging het vermogen tijdens de minderjarigheid van de dochter aan haar te besteden.
Bovendien acht het hof het – zonder nadere toelichting die gegeven de gemotiveerde tegenspraak van de dochter van [geïntimeerde] verwacht mocht worden – onaannemelijk dat hij dit vermogen diende te verteren ten behoeve van de opvoeding en verzorging van de dochter. Het hof zal dit oordeel hierna onder 6.4.4.2. en 6.4.4.3. verder toelichten.
Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat [geïntimeerde] in zijn verplichtingen als voogd ter zake van het beheer van het vermogen van de minderjarige dochter opzettelijk en ernstig is tekort geschoten en deswege jegens de dochter onrechtmatig heeft gehandeld.
6.4.4.2. De besteding der gelden voor bouwkundige voorzieningen
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij het vermogen van de dochter mede heeft aangewend voor het treffen van diverse bouwkundige voorzieningen aan zijn gezinswoning en dat door deze voorzieningen mede de belangen van de dochter werden gediend.
Het hof stelt voorop dat de ouder waar minderjarige kinderen hun hoofdverblijf hebben er zelf voor dient te zorgen dat de woning voor bewoning door zijn kinderen geschikt is, en dat hiermee samenhangende bouwkundige voorzieningen voor rekening van die ouder dienen te komen en niet uit vermogen van de minderjarige kinderen dienen te worden betaald.
Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] ook deze mening was toegedaan, nu hij voor de door hem gestelde bouwkundige werkzaamheden aan zijn woning met machtiging van de kantonrechter geldleningen heeft opgenomen ten laste van de dochters met een totaal beloop van
fl. 30.000,-.
Zonder nadere toelichting, die niet door [geïntimeerde] is verstrekt maar wel van hem mocht worden verwacht gezien de tegenspraak door de dochter, acht het hof het onaannemelijk dat in verband met de komst van de twee minderjarige kinderen hogere kosten voor bouwkundige voorzieningen dienden te worden gemaakt dan tot het voornoemde bedrag.
Gezien het voorgaande acht het hof de stellingen van [geïntimeerde] onaannemelijk als zou hij het (overige) vermogen van de dochter mede hebben moeten aanwenden voor bouwkundige voorzieningen aan zijn woning.
6.4.4.3. De besteding der gelden ten behoeve van de dochter
Voorop gesteld zij dat op [geïntimeerde] als voogd de verplichting rustte het vermogen van de dochter doelmatig te beleggen, en dit vermogen aan de dochter over te dragen bij het einde van het voogdijbewind.
Op [geïntimeerde] als verzorgende ouder rustte de verplichting de opvoeding en verzorging van de dochter uit zijn eigen inkomsten te bekostigen. [geïntimeerde] was ingevolge het bepaalde in artikel 1:392 BW (oud) onderhoudsplichtig jegens zijn dochter en werd verondersteld de verzorging en opvoeding van de dochter uit zijn inkomsten te bekostigen.
Nu de wet ingevolge het bepaalde in artikel 1:350 lid 2 BW (oud) vereiste dat het vermogen van de minderjarige dochter, behoudens andersluidende rechterlijke machtiging, op een spaarrekening ten name van de minderjarige werd gesteld, stond het [geïntimeerde] behoudens rechterlijke machtiging niet vrij over het vermogen of de daarop gekweekte rente te beschikken ter bekostiging van de verzorging en opvoeding van de minderjarige dochter. Het staat vast dat [geïntimeerde] de kantonrechter niet om een hiertoe strekkende machtiging heeft verzocht.
Het hof is dan ook van oordeel dat zonder nadere toelichting van de kant van [geïntimeerde] niet te begrijpen is waarom de eigen inkomsten van [geïntimeerde] niet toereikend zouden zijn geweest om de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter te betalen. Deze toelichting had hij ook dienen te geven gezien de gemotiveerde betwisting door de dochter van zijn desbetreffende stellingen. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] in gebreke is gebleven zodanige toelichting te geven.
Het hof neemt voorts in aanmerking dat de dochter op de leeftijd van 16 jaar het ouderlijk huis heeft verlaten. Zij ontkent daarna nog financieel te zijn ondersteund door [geïntimeerde] , die weliswaar heeft gesteld de dochter na haar vertrek nog wel financieel te hebben bijgestaan, maar zijn desbetreffende stelling tegenover de gemotiveerde ontkenning van de dochter niet nader heeft kunnen onderbouwen.
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [geïntimeerde] niet bevoegd was het vermogen van de dochter en de daarop gekweekte rente te besteden zoals hij stelt te hebben gedaan, en overigens ook niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de vertering van dit vermogen en de vruchten daarvan nodig waren om de verzorging en opvoeding van de dochter te bekostigen.
6.4.4.4. De afhankelijkheidsrelatie van de dochter jegens [geïntimeerde]
Op grond van de voornoemde feiten staat vast dat de dochter ter gelegenheid van de echtscheiding eerst hoofdverblijf bij haar moeder heeft gekregen en vervolgens, drie jaar later, wegens het plotselinge overlijden van haar moeder bij haar vader diende in te trekken. De dochter was ten tijde van het overlijden van haar moeder zeven jaar oud.
Voor kinderen op die leeftijd is een plotseling overlijden van de verzorgende ouder een traumatische gebeurtenis. Op die leeftijd zijn kinderen niet in staat zich een oordeel te vormen over begrippen als nalatenschap, overlijdensuitkering en het beleggen hiervan.
De dochter was onmondig en verkeerde in een afhankelijkheidsrelatie met de verzorgende ouder, in dit geval [geïntimeerde] , zoals bij kinderen op die leeftijd het geval is.
Het – vanzelfsprekend blinde – vertrouwen van de dochter had door [geïntimeerde] beantwoord dienen te worden met een grote mate van zorgvuldigheid bij het beheer van het vermogen van de dochter. Deze verplichting had een nog markanter karakter omdat alle aan de dochter opgekomen vermogensbestanddelen rechtstreeks in verband stonden met het overlijden van haar moeder.
Het hof stelt evenwel vast dat het vertrouwen van de dochter door [geïntimeerde] is beantwoord met het opzettelijk onzorgvuldige beheer als hiervoor onder 6.4.4.1. is besproken.
Kort samengevat, oordeelt het hof dat [geïntimeerde] aldus op onjuiste en onrechtmatige wijze gebruik heeft gemaakt van de afhankelijkheidsrelatie waarin de onmondige, minderjarige dochter zich jegens hem bevond en dat hij zijn bevoegdheden als voogd heeft aangewend om het vermogen van de dochter te gebruiken voor andere doeleinden dan de door de wet in artikel 1:350 lid 1 BW (oud) vereiste doelmatige belegging.
6.4.4.5. Het nalaten en weigeren rekenschap te geven van het gevoerde beheer
Hoewel de wet zulks in Titel 15, Afdeling 13, artikel 1:372 e.v. BW (oud) vereist, heeft [geïntimeerde] bij het einde van zijn bewind als voogd jegens de dochter geen rekening en verantwoording afgelegd ten overstaan van de kantonrechter. In dit geding heeft [geïntimeerde] de stelling ingenomen geen rekening en verantwoording meer te kunnen afleggen omdat hij geen administratie van het door hem gevoerde beheer van het vermogen van de dochter heeft bijgehouden en bewaard. [geïntimeerde] heeft dit gemotiveerd door te stellen dat hij zich er nooit van bewust is geweest dat hij hiertoe was gehouden.
Het hof acht deze stellingen van [geïntimeerde] onaannemelijk, op gelijke grond als hiervoor onder 6.4.4.1. genoemd.
Het hof stelt verder vast dat [geïntimeerde] , ook toen de dochter hem in 2007 vroeg wat er met de nalatenschap van haar moeder was gebeurd, de dochter niet het van hem te verlangen inzicht heeft willen geven in het door hem gevoerde beheer over haar vermogen en in de relevante rechtsfeiten welke ten grondslag lagen aan het tijdens haar minderjarigheid aan haar opgekomen vermogen, en de belegging en besteding daarvan. De dochter heeft zich met derden moeten verstaan om hiervan op de hoogte te komen.
Deze handelwijze valt [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof zwaar aan te rekenen.
6.4.4.6. De bekendheid van de dochter met de rechtsfeiten
De in het kader van dit geding relevante rechtsfeiten zijn de titels waaronder de dochter tijdens haar minderjarigheid het vermogen heeft verworven, en het na de verwerving van dit vermogen door de voogd gevoerde beheer.
In het kader van de aan dit hof voorgelegde vragen inzake de toepassing van de verjaring, is van belang wanneer de dochter van de relevante rechtsfeiten heeft kennis genomen.
Het hof stelt vast dat deze rechtsfeiten zijn:
-
de benoeming van [geïntimeerde] tot voogd belast met het beheer van het vermogen van de dochter;
-
de akte van scheiding en deling van de nalatenschap van de moeder van augustus 1977, uit hoofde waarvan de dochter haar aandeel in de nalatenschap van de moeder heeft verworven, en de verkrijging uit hoofde van de reisverzekering is vastgesteld;
-
de verzoeken tot het verstrekken van geldleningen aan [geïntimeerde] van september 1977 en juni 1978 met de daaraan verbonden voorwaarden, welke voor wat betreft deze geldleningen een – tijdens de minderjarigheid van de dochter renteloze – belegging inhielden, en waarin [geïntimeerde] voor het overige aan de kantonrechter bevestigde de gelden te zullen beleggen op een rentedragende BEM-rekening bij de Nutsspaarbank te [plaats 3] , in overeenstemming met de eisen van art. 1:350 lid 2 BW (oud);
-
e akte finale kwijting met de KLM van juni 1978 inzake de KLM-uitkering en de daarbij behorende machtiging van de kantonrechter, uit hoofde waarvan de dochter een bedrag van US $ 105.000,- is toegekomen;
-
het feit dat [geïntimeerde] de gelden van de dochter van de aanvang af zonder de vereiste machtiging van de kantonrechter niet heeft belegd op de door de wet voorgeschreven wijze en het vermogen en de vruchten daarvan heeft verteerd;
-
de nalatigheid van [geïntimeerde] bij het einde van zijn bewind de door de wet geëiste rekening en verantwoording af te leggen en het per saldo resterende vermogen aan de dochter over te dragen.
Uit de stellingen van de dochter leidt het hof het volgende af:
A. de dochter was ermee bekend dat [geïntimeerde] haar voogd was;
de akte van scheiding en deling is eerst op 14 september 2010 aan haar bekend geworden, evenals de uitkering uit hoofde van de reisverzekering en de verzoeken tot het verstrekken van geldleningen aan [geïntimeerde] ;
de akte finale kwijting met de KLM is haar bekend geworden door de op 15 mei 2009 gedateerde brief van de KLM;
het feit dat [geïntimeerde] was gehouden de gelden te beleggen op een BEM-rekening is aan haar bekend geworden uit de verzoeken voor de geldleningen en de machtiging voor het aangaan van de akte finale kwijting met de KLM, derhalve in mei 2009 en september 2010;
het feit dat [geïntimeerde] zich niet aan de voorwaarden inzake de belegging op de BEM- rekening heeft gehouden is haar eerst in een later stadium bekend geworden.
[geïntimeerde] heeft gesteld dat de dochter moet hebben geweten van de KLM-uitkering en van de nalatenschap van haar moeder, omdat daarover in familieverband vele malen is gesproken, en de dochter overigens met de KLM-uitkering ook bekend is geworden door haar aanwezigheid op herdenkingsbijeenkomsten van nabestaanden van de vliegramp op Tenerife.
Ten aanzien van de KLM-uitkering wijst hij voorts op publicaties hierover in de media die hem doen concluderen dat het feit van deze uitkering van algemene bekendheid was.
Het hof kan aan dergelijke gesprekken in familieverband – zo al aangenomen zou kunnen worden dat deze hebben plaatsgevonden, nu de dochter dit gemotiveerd betwist – niet het door [geïntimeerde] beoogde rechtsgevolg verbinden. Ook berichten in de media kunnen niet tot deze conclusie leiden. Bekendheid met het feit dat de KLM uitkeringen heeft verstrekt vanwege de vliegramp op Tenerife, kan zonder nadere toelichting de conclusie niet dragen dat de dochter hieruit heeft moeten begrijpen en concluderen dat de uitkering aan haar is gedaan zodat zij uit dezen hoofde vermogen heeft verworven, welk vermogen door [geïntimeerde] als haar voogd is ontvangen en beheerd. Een mededeling van [geïntimeerde] in familieverband dat hij geld heeft ontvangen van de KLM, brengt geen bewijs bij dat de dochter van het relevante rechtsfeit op de hoogte is gesteld dat zij uit dien hoofde een bedrag had verkregen dat [geïntimeerde] als haar voogd tijdens haar minderjarigheid had te beheren door dit doelmatig te beleggen. Hetzelfde geldt voor de nalatenschap van de moeder.
Het hof overweegt dat de wet aan de voogd de eis stelt rekening en verantwoording af te leggen bij het einde van het voogdijbewind teneinde te waarborgen dat de voogd de minderjarige op de hoogte stelt van de tijdens het voogdijbewind opgekomen vermogensbestanddelen en het verloop van het vermogen tijdens het voogdijbewind. Door het niet-nakomen van deze verplichting is [geïntimeerde] niet in staat op deze wijze bewijs bij te brengen dat hij de dochter heeft geïnformeerd omtrent de relevante rechtsfeiten inzake zijn voogdijbewind.
Het hof ziet in de verwijzing van [geïntimeerde] naar familiegesprekken en publicaties geen, dan wel onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de dochter hierdoor op de hoogte is gebracht van de relevante rechtsfeiten. [geïntimeerde] heeft nagelaten de, gezien de gemotiveerde tegenspraak van de dochter, van hem te verlangen nadere toelichting te verschaffen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de dochter uit deze algemene mededelingen en berichten had moeten begrijpen dat aan haar tijdens haar minderjarigheid vermogensbestanddelen zijn opgekomen die door [geïntimeerde] als voogd zijn beheerd en, naar het hof begrijpt, verteerd.
Nu de weren van [geïntimeerde] niet tot de door hem gewenste conclusies kunnen leiden, stelt het hof vast dat de dochter eerst op de door haar gestelde tijdstippen van de relevante rechtsfeiten kennis heeft genomen.
Zulks brengt het hof tot de conclusie dat de dochter in augustus 2007 ermee bekend is geworden dat [geïntimeerde] verantwoording diende af te leggen over de nalatenschap van haar moeder, en dat zij in mei 2009 kennis heeft genomen van de uitkering van de KLM en in september 2010 bekend is geworden met de akte van scheiding en deling van augustus 1977 ter zake van de nalatenschap van haar moeder, de uitkering reisverzekering en de aan [geïntimeerde] verstrekte leningen.
6.4.4.7. Het tijdsverloop tussen de bekendheid met de relevante rechtsfeiten en het instellen van de vorderingen
Het hof stelt vast dat de dochter in augustus 2007 ermee bekend is geworden dat [geïntimeerde] verantwoording had moeten afleggen over de nalatenschap van haar moeder, waarvan zij toen meende dat deze bij testament was vererfd. Na haar telefonische verzoek aan [geïntimeerde] op 16 augustus 2007 om over de nalatenschap verantwoording af te leggen, heeft [geïntimeerde] het bewuste bedrag van € 15.000,- wegens het ‘vermeende tegoed’ aan haar overgemaakt.
Vervolgens heeft de dochter tot mei 2009 gewacht alvorens verdere actie te ondernemen.
Het hof dient de vraag te beoordelen of de dochter door tot mei 2009 te wachten met verdere stappen, met de van haar te verwachten voortvarendheid heeft gehandeld. Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking:
-
Naar het hof in het voorgaande onder 6.4.4.6. heeft vastgesteld, kan niet worden aangenomen dat de dochter in 2007 wetenschap had van de voornoemde relevante rechtsfeiten ter zake van het aan haar tijdens haar minderjarigheid opgekomen vermogen. De dochter dacht abusievelijk dat haar moeder een testament had opgemaakt. De dochter heeft in augustus 2007 immers geen geldvordering ingesteld tegen [geïntimeerde] maar om verantwoording over de nalatenschap van haar moeder gevraagd. Aldus is niet gebleken dat zij zich toen bewust was van verschuldigdheid ter zake van [geïntimeerde] jegens haar.
-
De dochter heeft vier maanden na de ontvangst van het bedrag van € 15.000,- bij brief van 28 december 2007 bij het kantongerecht te Hoorn navraag gedaan naar de voogdijbrief en haar is bij brief van 7 januari 2008 van het kantongerecht te kennen gegeven dat deze brief daar niet voorhanden was.
-
[geïntimeerde] heeft ook in 2007 nagelaten aan de dochter inzicht te geven in de voornoemde relevante rechtsfeiten. Hij heeft de vraag naar rekening en verantwoording beantwoord door de betaling van een bedrag van € 15.000,-, zonder nadere verantwoording. Het hof oordeelt dat er op dat moment op zichzelf beschouwd voor de dochter geen aanleiding was [geïntimeerde] niet op zijn woord te vertrouwen, omdat zij niet op de hoogte was van de relevante rechtsfeiten. Zij hoefde er niet vanuit te gaan dat het door [geïntimeerde] betaalde bedrag in geen redelijke verhouding stond tot de aan haar tijdens haar minderjarigheid opgekomen vermogensbestanddelen. Ook was er geen aanleiding voor haar om aan te nemen dat [geïntimeerde] haar vermogen als voogd had verteerd zoals in dit geding is komen vast te staan.
-
Toen de dochter in mei 2009 kennis heeft genomen van de hoogte van de KLM-uitkering en het haar daarmee duidelijk werd dat de betaling van € 15.000,- niet in een redelijke verhouding stond tot het aan haar tijdens haar minderjarigheid opgekomen vermogen, is zij met de van haar te verwachten voortvarendheid te werk gegaan, hetgeen ook het geval is geweest nadat zij in september 2010 van de akte van scheiding en deling van augustus 1977 heeft kennisgenomen en van de leningen aan [geïntimeerde] .
Deze omstandigheden in aanmerking genomen, stelt het hof vast dat de dochter met de van haar te verwachten voortvarendheid heeft gehandeld.
6.4.5.
Toetsing aan de criteria van het arrest Erven [A.] /Koninklijke Schelde Groep B.V.
De voornoemde omstandigheden zal het hof hierna toetsen aan de door de Hoge Raad in het arrest Erven [A.] /Koninklijke Schelde Groep B.V. ontwikkelde criteria.
6.4.5.1. Gaat het om een vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en – mede in verband daarmee – komt de gevorderde schadevergoeding ten goede aan het slachtoffer zelf, diens nabestaande dan wel van een derde?
Het hof is van oordeel dat het hier gaat om zuivere vermogensschade, gevorderd door het “slachtoffer” zelf, nu de dochter gelden vordert die [geïntimeerde] als haar voogd in beheer heeft ontvangen uit hoofde van het aandeel van de dochter in de nalatenschap van haar moeder, de uitkering van de reisverzekering en haar aandeel in de schadevergoeding die de KLM heeft uitgekeerd. Ook haar aandeel in hetgeen is uitgekeerd aan [geïntimeerde] uit hoofde van de reisverzekering is te beschouwen als een zuivere geldvordering. Het feit dat de dochter haar vorderingen baseert op schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] , leidt het hof niet tot een ander oordeel.
6.4.5.2. In hoeverre bestaat er ter zake van de schade aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde?
Het hof stelt vast dat er gesteld noch gebleken is van enigerlei aanspraak uit anderen hoofde ter zake van de door de dochter gestelde geldvorderingen.
6.4.5.3. De mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten.
Op de gronden als hiervoor onder 6.4.4.1. tot en met 6.4.4.5. genoemd, heeft het hof geconcludeerd dat [geïntimeerde] zich onrechtmatig heeft gedragen jegens de dochter. Het hof acht de handelwijze van [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar omdat hij als vader en voogd misbruik heeft gemaakt van de afhankelijkheidsrelatie waarin zijn minderjarige dochter zich bevond.
De niet verantwoorde belegging en intering van het vermogen vallen [geïntimeerde] dan ook ernstig aan te rekenen.
6.4.5.4. In hoeverre heeft de aangesprokene er voor het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moeten houden dat hij zou worden aangesproken?
Het hof is van oordeel dat de vaststaande gebeurtenissen reeds op zich zelf voor [geïntimeerde] aanleiding behoren te zijn geweest om er rekening mee te houden dat hij te eniger tijd door de dochter zou worden aangesproken tot het afleggen van rekening en verantwoording over het door hem gevoerde voogdijbewind. Aannemelijk is immers dat de dochter op enigerlei moment bekend zou raken met de omvang van de vermogensbestanddelen die aan haar tijdens haar minderjarigheid waren opgekomen en onder het door [geïntimeerde] gevoerde voogdijbewind waren verbruikt of verloren gegaan, en met het feit dat [geïntimeerde] de desbetreffende relevante rechtsfeiten voor haar verborgen had gehouden.
[geïntimeerde] moet redelijkerwijs hebben begrepen dat, indien de dochter ermee bekend zou worden dat een vermogen van ruim fl. 280.000,- in 11 jaar tijd was verbruikt dan wel verloren gegaan, zij hierover verantwoording zou verlangen.
Het feit dat [geïntimeerde] , in augustus 2007 aangesproken door de dochter om rekening en verantwoording af te leggen over de nalatenschap van de moeder, hierop antwoordde door binnen twee weken een bedrag van € 15.000,- aan de dochter over te maken wijst er ook op dat [geïntimeerde] zich ervan bewust was dat hij door haar nog aangesproken kon worden.
Het hof oordeelt dat het lange tijdsverloop tussen 1 januari 1988 en 11 november 2010 met name is veroorzaakt door [geïntimeerde] zelf die heeft nagelaten de dochter van de relevante rechtsfeiten behoorlijk op de hoogte te stellen en de van hem te verlangen rekening en verantwoording af te leggen.
6.4.5.5. Heeft de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid zich tegen de vordering te verweren?
[geïntimeerde] was gehouden de op zijn voogdijbewind betrekking hebbende documenten en bescheiden onder zich te houden totdat hij overeenkomstig zijn wettelijke verplichting rekening en verantwoording zou hebben afgelegd.
Indien [geïntimeerde] al moeilijkheden zou ondervinden bij zijn bewijsvoering door het verloren gaan van administratieve bescheiden, dan is de oorzaak daarvan dat hij in strijd met zijn bewaarplicht heeft gehandeld en dienen de gevolgen hiervan voor zijn rekening en risico te komen.
6.4.5.6. Is de aansprakelijkheid door een verzekering gedekt?
Het hof gaat ervan uit dat de schade voortvloeiend uit het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] als voogd niet door een verzekering wordt gedekt. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat door geen van de partijen hieromtrent iets is aangevoerd dat tot een ander oordeel zou dienen te leiden.
6.4.5.7. Hebben de aansprakelijkstelling en de vordering tot schadevergoeding binnen een redelijke termijn plaatsgevonden nadat de schade aan het licht is gekomen?
Op grond van hetgeen is overwogen onder 6.4.4.6. en 6.4.4.7. oordeelt het hof dat de dochter haar vorderingen heeft ingesteld binnen een redelijke termijn nadat zij op de hoogte is gekomen van de schade.
6.4.6.
Conclusie ten aanzien van de verjaring
Het hof komt op grond van het voorgaande tot het volgende oordeel omtrent de vraag of artikel 6:2 BW er aan in de weg staat dat [geïntimeerde] zich thans op verjaring beroept.
Voorop gesteld zij dat slechts bij hoge uitzondering een inbreuk op de objectieve verjaring kan worden gemaakt. In het arrest Erven [A.] /Koninklijke Schelde Groep B.V. is vastgesteld dat een ‘verborgen schade’ tot zo’n inbreuk kan leiden.
Van een dergelijke verborgen schade is hier geen sprake. In dit geval bestond de schade al toen de dochter meerderjarig werd, maar deze is door de schuldenaar verborgen gehouden. Op zichzelf beschouwd kan dit, behoudens bijzondere bijkomende omstandigheden, niet tot de conclusie leiden dat de verjaringsregels niet van toepassing zijn.
Het hof stelt evenwel vast dat er naar zijn oordeel in dit geval van dergelijke bijkomende omstandigheden sprake is:
-
[geïntimeerde] heeft, hoewel deskundig geadviseerd, opzettelijk de wettelijke regels ter zake van de belegging en het beheer van het vermogen van de dochter niet nageleefd en hij heeft aldus handelende zich aan het destijds geldende regime van rechterlijk toezicht op de belegging en het beheer van het vermogen onttrokken.
-
[geïntimeerde] heeft geen rekening en verantwoording afgelegd bij het einde van het voogdijbewind, hij heeft geen administratie bijgehouden van de wijze waarop hij het vermogen van de dochter heeft belegd en verteerd, en hij heeft nagelaten het saldo van het vermogen (in elk geval bestaande uit de aan hem verstrekte geldleningen) bij meerderjarigheid van de dochter aan haar over te dragen.
-
[geïntimeerde] stelt het vermogen van de dochter geheel te hebben verteerd door het voor haar aan te wenden, maar hij heeft deze stelling niet naar behoren kunnen onderbouwen.
-
e dochter heeft [geïntimeerde] in augustus 2007, derhalve binnen de objectieve verjaringstermijn van 20 jaar van artikel 3:310 lid 1 BW, gevraagd rekening en verantwoording af te leggen ten aanzien van de nalatenschap van de moeder. [geïntimeerde] heeft aan dit verzoek geen gevolg gegeven, maar wel een bedrag van
€ 15.000,- aan de dochter overgemaakt met als uitsluitende toelichting ‘vermeende tegoed’. De dochter had op dat moment geen aanleiding aan te nemen dat deze betaling niet in een redelijke verhouding stond tot het aan haar tijdens minderjarigheid opgekomen vermogen. De dochter heeft vervolgens een vergeefse poging gedaan van het kantongerecht te Hoorn informatie dienaangaande te verkrijgen.
[geïntimeerde] heeft de relevante rechtsfeiten als genoemd onder 6.4.4.6. voor de dochter verborgen gehouden.
[geïntimeerde] heeft op de onder 6.4.4.1. en 6.4.4.4. genoemde wijze misbruik gemaakt van de afhankelijkheidsrelatie waarin de dochter met [geïntimeerde] , haar vader-voogd, verkeerde.
Het hof overweegt hierbij dat aan de korte verjaringstermijn van artikel 1:377 BW mede de overweging ten grondslag ligt dat het beheer van de voogd over het vermogen van de minderjarige aan wettelijke regels is gebonden die rechterlijk toezicht op het beheer van het vermogen waarborgen, terwijl voorts het uitgangspunt is dat de voogd zijn verplichtingen ter zake van het afleggen van rekening en verantwoording nakomt en dat de voogd het saldo van het vermogen bij het einde van zijn beheer aan de rechthebbende overdraagt. In een dergelijk geval is er aanleiding voor een korte verjaringstermijn, omdat de voogd dan immers heeft gehandeld onder toezicht van de rechter en de minderjarige heeft bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd rekening en verantwoording van de voogd verkregen, alsmede het saldo van het vermogen overgedragen gekregen. Onder dergelijke omstandigheden mag van de minderjarige verlangd worden binnen vijf jaar na het bereiken van de meerderjarige leeftijd tot actie over te gaan.
Het hof is van oordeel dat de voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband beschouwd, omstandigheden zijn welke volgens het bepaalde in artikel 6:2 BW ertoe leiden dat de verjaring als bedoeld in artikel 1:377 BW en artikel 3:310 lid 1 BW in dit geval toepassing mist.