3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. [appellant] is op 20 mei 1997 in dienst getreden van [geïntimeerde] in de functie van monteur.
Het laatst verdiende loon bedraagt € 2.379,00 bruto per maand exclusief
vakantietoeslag en emolumenten;
b. [geïntimeerde] verzorgt voor klanten de volledige (her)inrichting voor onder andere supermarkten, winkels en bibliotheken. Hiervoor levert en monteert [geïntimeerde] onder andere schappen, winkelwagens en toegangspoortjes.
c. De monteurs van [geïntimeerde] verzorgen de (her)inrichtingen. Hun wordt doorgaans door [geïntimeerde] een bedrijfswagen ter beschikking gesteld om van het bedrijfsterrein van [geïntimeerde] op en neer naar de werklocatie toe te rijden. De bedrijfswagens van [geïntimeerde] zijn uitgevoerd met Spotmaster, een track and trace systeem.
d. Zowel tijdens een (her)inrichting als tijdens reparatiewerkzaamheden dienen met zeer grote regelmaat restmaterialen, afkomstig van de werklocatie, retour te komen naar [geïntimeerde] , waaronder winkelwagens, parkboxen, legborden, staanders en onderdelen daarvan.
e. Indien restmaterialen door [geïntimeerde] retour worden ontvangen van een werklocatie,
beoordeelt een medewerker van [geïntimeerde] of deze voor hergebruik geschikt zijn, dan wel of
de restmaterialen afgevoerd dienen te worden in de daartoe bestemde containers/bakken
op het terrein van [geïntimeerde] .
f. [geïntimeerde] behaalt inkomsten met het inzamelen en (laten) afvoeren van de af te voeren restmaterialen, afkomstig van de werklocaties, zoals oud ijzer, aluminium en papier. [geïntimeerde] heeft met [de vennootschap 2] afspraken over de verkoop en afvoer van oud ijzer. Daarvoor is een container van [de vennootschap 2] op het terrein van [geïntimeerde] geplaatst. Dat levert jaarlijks gemiddeld € 50.000,- op voor [geïntimeerde] (minstens 200 ton x gemiddelde prijs van oud ijzer € 250,- per ton). Ook voor aluminium en oud papier zijn bakken op het terrein van [geïntimeerde] geplaatst.
g. In artikel 14 van de arbeidsovereenkomst van [appellant] van 1 januari 2008 staat:
Werknemer verklaart in te stemmen met het personeelshandboek waarvan hem een
exemplaar is uitgereikt. (...)’’;
h. In het personeelshandboek 2012 van [geïntimeerde] is het volgende opgenomen:
‘(...)
2.7
Fraude
Onder fraude wordt verstaan: “Een opzettelijke handeling door één of meer
personen uit de kring van leiding, het personeel of derden, waarbij misleiding wordt
gebruikt om een onrechtmatig of onwettig voordeel te behalen.”
Fraude kent veel verschijningsvormen waarbij in dit kader moeten worden gedacht
aan afwijkingen die voortkomen uit het wederrechtelijk onttrekken of doen toevloeien
van waarden aan de organisatie (het verduisteren van ontvangsten, (...) e.d.) en
afwijkingen die voortkomen uit frauduleuze (financiële) verslaglegging.
Bij een vermoeden van fraude wordt dit terstond gemeld aan de directie. Zij bepaalt of de onregelmatigheden of fraude intern opgelost kunnen worden of gerapporteerd
moeten worden.
Bij handelen in strijd met deze regeling, het bedrijfsbelang of de algemeen geldende
normen en waarden, kunnen afhankelijk van de aard en de ernst van de overtreding,
maatregelen worden getroffen. Hierbij gaat het om disciplinaire en
arbeidsrechtelijke maatregelen zoals berisping, schorsing en beëindiging van het
dienstverband.’
i. Op zaterdagochtend 20 juli 2013 is een vrachtwagen van [geïntimeerde] kort vermist.
[geïntimeerde] heeft daarop haar track and trace systeem geraadpleegd. Daaruit bleek dat de
vrachtwagen die ochtend op het adres [adres 1] te [plaats 1] is geweest aan welk
adres een metaalhandel is gevestigd. Deze metaalhandel is geen relatie van [geïntimeerde] .
[geïntimeerde] heeft daarop [recherchediensten] Recherchediensten opdracht gegeven een onderzoek in te
stellen naar het afvoeren en verkopen van oud ijzer.
j. Volgens het onderzoeksrapport van [recherchediensten] van 26 oktober 2013 is onder meer gebleken dat in de periode tussen 2011 en 2013 voertuigen van [geïntimeerde] , bestuurd door medewerkers van [geïntimeerde] , zich meer dan 100 keer hebben begeven naar metaalhandelaren met wie [geïntimeerde] geen overeenkomst had en zonder dat daartoe door (de directie van) [geïntimeerde] opdracht is gegeven.
k. Op 16 oktober 2013 heeft tussen [medewerker van recherchediensten] van [recherchediensten] en [financieel directeur] , financieel directeur van [geïntimeerde] , enerzijds en [appellant] anderzijds een gesprek plaatsgevonden. Van dat gesprek is door [geïntimeerde] een verslag opgemaakt dat door [appellant] is ondertekend. Het verslag vermeldt als verklaring van [appellant] onder meer:
‘Er zijn binnen [geïntimeerde] geen afspraken over de afvoer van oud ijzer. Maar het is wel zo dat oud ijzer of afgezaagd ijzer of aluminium dat wij bij de klant mee terug kregen, bij [geïntimeerde] ingeleverd moest worden. Meestal zit dit in gitter boxen. (….)Ik heb nog nooit aluminium of oud ijzer weg hoeven brengen op verzoek van iemand van [geïntimeerde] . Ik heb wel gehoord dat dit in de tijd van [derde 1] gebeurde en dat de opbrengst gebruikt werd voor een visfeestje. Of ik wel eens winkelwagens of ander oud ijzer naar een opkoper heb gebracht? Dat is lang geleden geweest. Ik denk dat dit zo’n anderhalf jaar geleden is geweest. Dit ging om winkelwagentjes die in de bus heen en weer botsten. (….) In september van het vorige jaar moest ik bij een [supermarkt 1] een koof afbreken. [derde 2] zei toen dat we alles in de container moesten gooien. Daar zaten ook wat lampen bij en ik vond dit zonde. Ik heb de lampen/spotjes toen mee naar [geïntimeerde] genomen. Een paar heb ik hier onder in de stelling gelegd en ik heb drie spotjes mee naar huis genomen. Dit werd uiteindelijk bekend en het werd mij toen duidelijk dat dit diefstal was. Ik heb toen een berisping gekregen van [derde 3] . Vanaf dat moment heb ik niets meer zonder toestemming meegenomen. (….)
en:
“U zegt dat u heeft vastgesteld dat ik na die tijd toch nog oud ijzer en winkelwagens heb verkocht bij opkopers van oud ijzer. U noemt 12 maart 2013 waar ik samen met [derde 4] in [plaats 2] heb gewerkt. Wij hebben toen bij een metaalhandel aan de [adres 2] in [plaats 2] een aantal winkelwagens verkocht. Dat geld hebben we voor een broodje of frietje gebruikt. In principe ga je mee met de groep. Het is stom wat ik heb gedaan. Het blijft diefstal.
Op 21 maart 2013 ben ik met [derde 5] in [plaats 3] bij de [supermarkt 2] geweest. Daar hadden we ook weer oud ijzer en dit hebben wij op de terugweg naar [plaats 4] verkocht bij een opkoper in [plaats 5] . [derde 5] had gegoogled en een opkoper gevonden. De opbrengst voor dit oud ijzer was 30 of 40 euro. [derde 5] en ik hebben samen besloten om dit oud ijzer daar te verkopen en de paar centen te verdelen.
U zegt dat ik op 11 april 2013 weer op de [adres 2] in [plaats 2] ben geweest. Dat weet ik niet meer, maar het zal nog wel een paar keer zijn geweest dat ik daar iets verkocht heb. Het kan zijn dat [derde 6] , een collega, daar een keer bij is geweest, maar dit weet ik niet zeker.
In mei 2013 ben ik inderdaad bij [metaalhandel] metaalhandel aan de [adres 1] in [plaats 1] geweest. Daar heb ik twee winkelwagens eruit gegooid, maar daar heb ik niets voor ontvangen. Het waren kapotte wagens.
In mei 2013 ben ik inderdaad bij een opkoper in [plaats 6] geweest. Dat weet ik nog. Daar heb ik alleen wat kleine stukjes ijzer verkocht en hiervoor 15 of 20 euro ontvangen. Dat had ik niet moeten doen. Ik betaal van het geld ook de bekeuringen. Een tijdje geleden had [derde 7] een dure bekeuring en die moesten wij samen betalen, dat is regel binnen [geïntimeerde] .
In juni 2013 ben ik nog een keer bij de opkoper in [plaats 5] geweest om oud ijzer te verkopen. Ik weet niet meer wat dit was en hoeveel geld ik ontvangen heb.
Op 1 juli 2013 ben ik bij [supermarkt 3] in [plaats 7] geweest met drie inleners. Zij reden met een eigen auto, ik was alleen met mijn bus. Op de terugweg heb ik bij de opkoper aan de [adres 2] in [plaats 2] weer enkele winkelwagens verkocht als oud ijzer. Ik denk dat ik hier ongeveer 8 euro voor gekregen heb.
Op 12 juli 2013 reed ik van [plaats 8] naar [plaats 9] . In [plaats 8] had ik winkelwagens gerepareerd, maar er ook enkele mee terug genomen. Onderweg ben ik afgeslagen bij [plaats 6] en heb ik deze winkelwagens als oud ijzer verkocht bij de opkoper aan de [adres 3] . De opbrengst hiervan was prutgeld.
Na deze keer ben ik echt gestopt, omdat ik bang was dat het uit de hand ging lopen. Als ik het goed bekijk, is dit inderdaad diefstal. Maar zo heb ik er nooit tegen aan gekeken. Het ging om kleine bedragen, maar het blijft diefstal. Het voelde niet goed en daarom ben ik in juli 2013 gestopt met het verkopen van oud ijzer en winkelwagens bij opkopers. Ik wil nog opmerken dat [derde 1] altijd riep dat hij geen rotzooi op de vloer wilde en dat wij die rotzooi weg moesten doen. We moesten maar kijken wat we ermee deden.’
l. [geïntimeerde] heeft [appellant] op 16 oktober 2013 op staande voet ontslagen. [geïntimeerde] heeft
het ontslag op staande voet op 17 oktober 2013 schriftelijk aan [appellant] bevestigd.
In deze brief, die hierna zal worden aangeduid als de opzeggingsbrief, heeft [geïntimeerde] onder meer geschreven:
‘(….)
De regel bij [geïntimeerde] is dat al het oud ijzer/schroot wordt afgestort in een daartoe bestemde container van [de vennootschap 2] bij ons op het terrein.
(….)
Er is gebleken dat u regelmatig oud ijzer heeft afgevoerd naar adressen van oud ijzerhandelaren. Dit heeft u alleen en/of in samenwerking met verschillende collega’s gedaan. De geldopbrengsten heeft u voor zichzelf gehouden en/of gedeeld met uw kompanen. U heeft dit zonder toestemming of medeweten van [geïntimeerde] achtergehouden.
(...)
U heeft verklaard op de hoogte te zijn van de procedure rondom het afvoeren oud ijzer/schroot. U heeft bekend dat u regelmatig oud ijzer/schroot heeft afgevoerd naar handelaren en daarvoor geld heeft ontvangen. U heeft verklaard dat u deze opbrengsten ten onrechte heeft verkregen en heeft achtergehouden voor [geïntimeerde] .
U weet (...) wat de vaste afspraken zijn met betrekking tot afvalmaterialen bij [geïntimeerde] . Uw handelen wordt daarom aangemerkt als verduistering c. q. fraude, hetgeen wij uiteraard niet kunnen tolereren. (...) Het verduisteren van bedrijfsmiddelen en het zichzelf verrijken met de handel daarin, is in strijd met de gestelde regels en voorschriften en leveren een dringende reden voor ontslag op. Dit ontslag heeft [geïntimeerde] u dan ook heden gegeven. (...)’.
m. [appellant] heeft bij brief van 20 oktober 2013 de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet ingeroepen en aanspraak gemaakt op doorbetaling van het loon. Hij schrijft in deze brief onder meer:
“Jij hebt daarbij als reden opgegeven dat ik ijzer/schroot heb ingeleverd bij handelaren ter verrijking van mijzelf. Ten eerste ben ik er achter gekomen dat ik aan kan tonen dat ik toestemming heb gekregen van de eigenaren van het ijzer c.q. schroot om het weg te brengen.”
De vorderingen in eerste aanleg en het oordeel van de kantonrechter
3.2.1.
In de onderhavige procedure vorderde [geïntimeerde] een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] [appellant] op 17 oktober 2013 een rechtsgeldig, dan wel rechtmatig, ontslag op staande voet heeft gegeven en veroordeling van [appellant] tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, gederfde inkomsten, onderzoekskosten, buitengerechtelijke kosten, alles vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten.
3.2.2.
[appellant] heeft verweer gevoerd en gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de kosten van het geding.
3.2.3.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter onder meer geoordeeld dat [appellant] restproducten die ontstonden of aanwezig waren bij de werkzaamheden die hij bij klanten verrichtte aan ijzerhandelaren verkocht en de opbrengst daarvan niet aan [geïntimeerde] afdroeg en dat hij had behoren te begrijpen dat hij toestemming van [geïntimeerde] nodig had om dat te doen. De kantonrechter heeft [appellant] toegelaten tot het bewijs dat er binnen [geïntimeerde] een gedoogbeleid gold met betrekking tot de verkoop van restproducten voor eigen gewin.
3.2.4.
In het eindvonnis heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat [appellant] het bewijs voor het grootste deel niet heeft geleverd. De kantonrechter heeft de door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht en de vorderingen van [geïntimeerde] tot vergoeding van gederfde inkomsten (2.11 en 2.12), onderzoekskosten (2.15, gedeeltelijk) en de gefixeerde schadevergoeding (2.16) toegewezen, met dien verstande dat de gefixeerde schadevergoeding kan worden voldaan in termijnen ter grootte van 10% van het maandinkomen van [appellant] , en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.
De grieven en de conclusies in hoger beroep
3.2.5.
[appellant] heeft in hoger beroep 13 grieven, genummerd met Romeinse cijfers, aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.
3.2.6.
[geïntimeerde] heeft zich verweerd tegen de grieven en geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen en veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.
De beoordeling van de grieven van [appellant]
3.9.
Grief 4 is gericht tegen rov. 3.5 van het tussenvonnis. Daarin heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat [geïntimeerde] inkomsten verwierf uit de inzameling en afvoer van restproducten, dat restproducten dus een waarde voor [geïntimeerde] vertegenwoordigden en dat [geïntimeerde] dus in beginsel schade leed door iedere verkoop van restproducten. Voorts heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant] wist dat [geïntimeerde] inkomsten verwierf uit de inzameling en afvoer van restproducten, dat [appellant] daarom had behoren te begrijpen dat hij toestemming nodig had van [geïntimeerde] voor ieder restproduct, dat hij voor eigen gewin wenste te verkopen en dat het daarom niet relevant is of het de bedrijfsmiddelen betreft of overige restproducten. Met grief 4 bouwt [appellant] voort op het door hem verdedigde onderscheid tussen bedrijfsmiddelen en niet-bedrijfsmiddelen. Zo stelt [appellant] dat de overweging van de kantonrechter dat [geïntimeerde] inkomsten verwierf door inzameling en afvoer van restproducten wel opgaat voor restproducten die als bedrijfsmiddelen van [geïntimeerde] moeten worden aangemerkt, maar niet voor de restproducten die niet als bedrijfsmiddelen van [geïntimeerde] kunnen worden opgemerkt. Ook meent [appellant] dat hij niet had behoeven te begrijpen dat hij geen restproducten voor eigen gewin mocht verkopen, die niet tot de bedrijfsmiddelen van [geïntimeerde] konden worden gerekend. Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. Vaststaat dat [geïntimeerde] inkomsten verwierf uit de verkoop van oud ijzer, waaronder oude winkelwagentjes. Daarvan was [appellant] op de hoogte, zoals hij als getuige ten overstaan van de kantonrechter heeft verklaard. Wanneer een klant van [geïntimeerde] afstand deed van oud ijzer, oude winkelwagens of andere zaken en die na afloop van werkzaamheden meegaf aan medewerkers van [geïntimeerde] , ontvingen zij die zaken als vertegenwoordigers van [geïntimeerde] namens [geïntimeerde] en niet in privé. Voor zover de stellingname van [appellant] erop neerkomt dat klanten van [geïntimeerde] hem (in privé) deze zaken zouden hebben gegeven (conclusie van antwoord, pagina 5, nr 24) merkt het hof op dat hij dit standpunt onvoldoende heeft onderbouwd. Weliswaar heeft [appellant] in eerste aanleg een e-mail overgelegd van een supermarktmanager waaruit kan worden opgemaakt dat hij afvalbuizen aan [appellant] in privé heeft meegegeven, maar dat ziet niet op de met [appellant] op 16 oktober 2013 besproken incidenten die in het verslag staan beschreven. Om die reden gaat het hof aan die stellingname voorbij. Dat [geïntimeerde] niet gerechtigd zou zijn om over die materialen/zaken te beschikken, zoals [appellant] bij conclusie van antwoord in twijfel trekt, kan het hof bij gebreke aan verdere onderbouwing van dit verweer door [appellant] ook niet aannemen. [appellant] heeft deze materialen verkocht en de opbrengst niet afgedragen. Daarmee heeft hij waarden onttrokken aan de onderneming van [geïntimeerde] in de zin van artikel 2.7 van het Personeelshandboek. Daarbij maakt het niet uit of het gaat om “restmaterialen” of “bedrijfsmiddelen”. [appellant] diende zich dan ook te realiseren dat hij door de verkoop van oud ijzer/schroot en/of winkelwagentjes ten eigen bate [geïntimeerde] benadeelde en dat hij toestemming van [geïntimeerde] nodig had voor de verkoop van oud ijzer/schroot en winkelwagentjes ten eigen bate, ook als [appellant] meende dat de oud ijzer/schroot en/of winkelwagentjes niet tot de bedrijfsmiddelen van [geïntimeerde] behoorden. Dit moest [appellant] ook begrijpen, als hij geen kennis heeft genomen van het personeelshandboek van [geïntimeerde] en de brief van 4 februari 2013 niet heeft ontvangen, zoals hij heeft gesteld. Grief 4 faalt.