29 juni 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R06/163HR
RM/MK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
Hollandsche Bank-Unie N.V.,
gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Rotterdam,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaten: mr. C.J.J.C. van Nispen en mr. V. Rörsch,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Verweerder 3],
wonende te [woonplaats],
4. [Verweerder 4],
wonende te [woonplaats],
5. [Verweerder 5],
wonende te [woonplaats],
6. [Verweerder 6],
wonende te [woonplaats],
7. [Verweerster 7],
wonende te [woonplaats],
8. [Verweerster 8],
wonende te [woonplaats],
9. [Verweerster 9],
wonende te [woonplaats],
10. [Verweerder 10],
wonende te [woonplaats],
11. [Verweerder 11],
wonende te [woonplaats],
12. [Verweerder 12],
wonende te [woonplaats],
13. [Verweerder 13],
wonende te [woonplaats],
14. [Verweerder 14],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als HBU en [verweerder] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 11 april 2005 ter griffie van de rechtbank Rotterdam ingediend verzoekschrift hebben [verweerder] c.s. zich gewend tot die rechtbank en op de voet van art. 46 lid 1 Wbp verzocht, kort gezegd, HBU bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad en op straffe van een dwangsom, te bevelen een overzicht te verschaffen van de persoonsgegevens die zij van [verweerder] c.s. heeft verwerkt, waaronder in elk geval begrepen:
i. het schriftelijke cliëntenprofiel van [verweerder] c.s., waarin de gegevens met betrekking tot de financiële positie, beleggerservaring en beleggingsdoelstellingen van [verweerder] c.s. zijn opgenomen;
ii. een schriftelijke inventarisatie van de kredietwaardigheid van [verweerder] c.s.;
iii. de schriftelijke stukken die betrekking hebben op de interne fiattering van de door HBU aan [verweerder] c.s. verleende kredieten door de kredietcommissie en/of andere personen binnen HBU en/of haar moedermaatschappij ABN AMRO Bank N.V.;
iv. de bandopnames van de gesprekken die HBU heeft gevoerd met betrekking tot de kredietverstrekking aan [verweerder] c.s.;
v. een schriftelijke uitwerking van de mondelinge (intake)gesprekken en telefoongesprekken die door (medewerkers van) HBU met [verweerder] c.s. zijn gevoerd;
vi. alle overige persoonsgegevens die HBU van [verweerder] c.s. heeft verwerkt.
HBU heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 7 oktober 2005 HBU bevolen binnen vier weken nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, een schriftelijk overzicht als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp aan [verweerder] c.s. te verstrekken - maar niet (afschriften van) de stukken zelf - met inachtneming van hetgeen in die beschikking onder rov. 5.6 tot en met 5.11 is overwogen, zulks op straffe van een dwangsom. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft HBU hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Verweerder] c.s. hebben incidenteel appel ingesteld.
Bij beschikking van 22 augustus 2006 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het door [verweerder] c.s. in hoger beroep verzochte grotendeels toegewezen. Het meer of anders verzochte heeft het hof afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft HBU beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] c.s. hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van HBU heeft bij brief van 4 mei 2007 op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Verweerder] c.s. participeren sinds juni 2003 in het beleggingsfonds NovaCap Floralis Termijnfonds 2004 C.V. (hierna: 'het Fonds'). Voor de financiering van de participaties heeft HBU kredieten aan [verweerder] c.s. verstrekt tot een bedrag van in totaal € 10.353.000. [Verweerder] c.s. hebben hun participaties in het Fonds aan HBU verpand.
(ii) [Verweerder] c.s. (aanvankelijk verzoekers 1 tot en met 9 en later ook de andere verzoekers) hebben in door hen bij de rechtbank Amsterdam aanhangig gemaakte procedures gevorderd dat HBU wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar zorgplicht dan wel onrechtmatig handelen. [verweerder] c.s. hebben aan hun vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat sprake is geweest van onzorgvuldige kredietverlening door HBU en dat HBU in strijd heeft gehandeld met haar bijzondere zorgplicht als bank en met het zogenaamde 'ken-uw-cliënt-beginsel'.
(iii) In het kader van de onder (ii) genoemde procedures hebben [verweerder] c.s. tevens op grond van art. 843a Rv. gevorderd dat HBU afschrift verschaft van een aantal gespecificeerde bescheiden uit de desbetreffende kredietdossiers over de periode mei 2003 tot medio juni 2003. Zij vorderden - kort gezegd - afschrift van:
- het cliëntenprofiel;
- de inventarisatie van hun kredietwaardigheid;
- interne fiatteringsstukken;
- de schriftelijke uitwerking door HBU van met [verweerder] c.s. gevoerde (telefoon)gesprekken.
HBU heeft geweigerd deze bescheiden te verstrekken. Bij incidentele vonnissen van 15 juni 2005 en 19 oktober 2005 heeft de rechtbank deze art. 843a Rv.-vorderingen afgewezen.
(iv) Bij brieven van 1 en 14 februari 2005 hebben de advocaten van [verweerder] c.s. HBU op grond van art. 35 Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) verzocht binnen vier weken te berichten of zij persoonsgegevens van [verweerder] c.s. had verwerkt en voorzover dit het geval is een volledig overzicht daarvan te verstrekken dat in ieder geval dient te bevatten:
- het schriftelijke cliëntenprofiel van [verweerder] c.s., waarin de gegevens met betrekking tot de financiële positie, beleggerservaring en beleggingsdoelstellingen van [verweerder] c.s. zijn opgenomen;
- een schriftelijke inventarisatie van de kredietwaardigheid van [verweerder] c.s.;
- de schriftelijke stukken die betrekking hebben op de interne fiattering van de door HBU aan [verweerder] c.s. verleende kredieten door de kredietcommissie en/of andere personen binnen HBU en/of ABN AMRO Bank NV;
- de bandopnames van de gesprekken die HBU heeft gevoerd met [verweerder] c.s.;
- een schriftelijke uitwerking van de mondelinge (intake)gesprekken en telefoongesprekken die door (medewerkers van) HBU met [verweerder] c.s. zijn gevoerd;
- alle overige persoonsgegevens die HBU van [verweerder] c.s. heeft verwerkt.
(v) Bij brieven van 24 februari 2005 en 10 maart 2005 is namens HBU meegedeeld dat zij weigert aan het verzoek tot inzage in de door HBU verwerkte persoonsgegevens te voldoen met een beroep op art. 43, onder e, Wbp, nu het verzoek tot inzage volgens HBU een 'fishing expedition' is waarmee op oneigenlijke wijze wordt geprobeerd de procespositie van [verweerder] c.s. in de bij de rechtbank Amsterdam aanhangige procedures te versterken. Volgens HBU strekt het inzageverzoek van [verweerder] c.s. ertoe de aan de toewijzing van de vordering ingevolge art. 843a Rv. verbonden voorwaarden en procesrechtelijke waarborgen te omzeilen, waardoor de procespositie van HBU onevenredig wordt benadeeld. Voorts is de weigering van HBU gebaseerd op het argument dat [verweerder] c.s. misbruik maken van hun bevoegdheid ingevolge art. 35 Wbp, aangezien zij hun inzagerecht gebruiken voor een ander doel dan waarvoor het is verleend.
3.2 In dit geding hebben [verweerder] c.s. de rechtbank op de voet van art. 46 lid 1 Wbp verzocht HBU te bevelen een overzicht te verschaffen van de persoonsgegevens die zij van [verweerder] c.s. heeft verwerkt, waaronder de hiervoor in 3.1 onder (iv) genoemde stukken/gegevensdragers, op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag. De rechtbank heeft HBU bevolen een schriftelijk overzicht als bedoeld in art. 35 lid 2 Wpb - maar niet de (afschriften van) de stukken zelf - te verschaffen van de nader in haar beschikking vermelde persoonsgegevens. In het daartegen door HBU ingestelde principale appel heeft het hof de grieven verworpen en in het incidentele appel heeft het hof de grieven van [verweerder] c.s. grotendeels gegrond verklaard en HBU bevolen (i) binnen vier weken een aantal afschriften te verstrekken van de in de beschikking vermelde bescheiden en (ii) binnen acht weken aan [verweerder] c.s. schriftelijk mee te delen of er bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen zijn gemaakt van telefoongesprekken met betrekking tot door HBU aan [verweerder] c.s. verleende kredieten.
3.3 De overwegingen die het hof tot deze beslissing hebben geleid, kunnen als volgt worden samengevat.
(a) Het hof gaat ervan uit dat HBU persoonsgegevens van [verweerder] c.s. heeft verwerkt op een wijze die valt onder de Wbp (rov. 6 tot en met 11).
(b) Een verzoek op grond van art. 35 Wbp behoeft niet gespecificeerd te zijn (rov. 12).
(c) HBU heeft ten onrechte een beroep gedaan op de weigeringsgrond van art. 43, onder e, Wbp. Zij wordt niet geschaad in haar door art. 843a Rv. beschermde rechten of vrijheden en bij toewijzing van het verzoek op basis van art. 35 Wbp wordt niet het beginsel van fair trial geschonden. Art. 35 Wbp vormt niet een doorkruising van art. 843a omdat deze regelingen naar aard en strekking verschillend zijn (rov. 13 tot en met 18).
(d) [Verweerder] c.s. gebruiken hun inzagerecht van art. 35 Wbp niet voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven en zij maken ook geen misbruik van recht (rov. 20 tot en met 24).
(e) HBU verzet zich wel tegen verstrekking van afschriften, doch zij betwist niet dat een aantal stukken bestaat en dat zij die onder zich heeft.
(f) Het hof is het met HBU eens dat de betrokkene niet zonder meer recht heeft op een afschrift en dat niet noodzakelijkerwijs altijd een afschrift behoeft te worden gegeven. Art. 35 Wbp bepaalt dat een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de verwerkte persoonsgegevens moet worden verstrekt, en niet méér. Dit neemt niet weg dat een afschrift in ieder geval zo'n volledig overzicht geeft en dat het daarom in beginsel voor de hand ligt om een afschrift te verstrekken. Met name een afschrift zal geschikt zijn om na te kunnen gaan of de verwerkte gegevens feitelijk onjuist zijn, of het doel waarvoor zij verwerkt worden niet ongeoorloofd is, of zij voor het doel of doeleinden van de verwerking onvolledig, niet adequaat of niet ter zake dienend zijn, en of zij anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Dat de wetgever ook, of zelfs in het bijzonder, aan afschriften heeft gedacht blijkt uit art. 3 van het Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp van 13 juni 2001 (Stb. 305), waarin is voorzien in een kostenvergoeding aan de verantwoordelijke voor door hem gemaakte afschriften. Een verantwoordelijke weet bij uitstek, of moet bij uitstek weten, welke persoonsgegevens zij verwerkt, of laat verwerken, en hoe daarvan een volledig overzicht is te geven. Gelet verder op het transparantiebeginsel zal de verantwoordelijke, die zich op een andere wijze dan door het verstrekken van afschriften van zijn verplichting tot het geven van een volledig overzicht wil kwijten derhalve, indien hierover discussie ontstaat, duidelijk moeten maken dat ook op die andere wijze daadwerkelijk een volledig overzicht wordt verschaft. HBU heeft in het geheel niet uiteengezet hoe zij het vereiste volledige overzicht in begrijpelijke vorm wil verschaffen zonder verstrekking van afschriften. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat in dit geval alleen door middel van afschriften een volledig overzicht kan worden verkregen (rov. 27).
(g) [Verweerder] c.s. komen op tegen de afwijzing door de rechtbank van hun verzoek tot verstrekking van de bandopnames en de schriftelijke uitwerkingen daarvan die HBU volgens [verweerder] c.s. heeft gemaakt van telefoongesprekken met betrekking tot de kredietverlening aan hen. De rechtbank is tot deze afwijzing gekomen op grond van de overweging dat deze gesprekken geen gestructureerd geheel vormen en niet zijn ontsloten op een wijze die deze onder het bestandbegrip van de Wbp brengt. Hierbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk in het midden gelaten of geloof verdient de betwisting door HBU dat bandopnames van die gesprekken zijn gemaakt (rov. 28).
(h) HBU heeft volhard in deze betwisting, waarmee zij tevens betwist dat er schriftelijke uitwerkingen van bandopnames bestaan. [Verweerder] c.s. stellen dat er wel bandopnames van de telefoongesprekken en schriftelijke uitwerkingen daarvan zijn gemaakt. Wie op dit punt gelijk heeft, valt op dit moment niet te beoordelen (rov. 29).
(i) In hun verzoek hebben [verweerder] c.s. HBU verzocht mede te delen of zij persoonsgegevens verwerkte en, zo ja, daarvan een volledig overzicht te geven. Nu daarbij specifiek is verzocht om bandopnames van telefoongesprekken en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan, lag in het eerste verzoek, naar HBU heeft moeten begrijpen, besloten het verzoek om mede te delen of persoonsgegevens van [verweerder] c.s. in zulke gegevensdragers waren opgenomen/verwerkt. Het hof constateert dat HBU in haar brieven van 24 februari en 10 maart 2005 beide verzoeken niet heeft ingewilligd. Zij heeft in die brieven niet vermeld dat zij geen bandopnames van de telefoongesprekken of schriftelijke uitwerkingen daarvan heeft gemaakt. Dit heeft HBU alleen in deze procedure aangevoerd (rov. 30).
(j) Het verzoek van [verweerder] c.s. om inzage in de bandopnames of schriftelijke uitwerkingen daarvan, impliceert dat in hun visie deze gegevensdragers bestaan. Dat weten zij echter niet zeker en HBU heeft hierover geen mededeling in de zin van art. 35 Wbp gedaan. Volgens [verweerder] c.s. heeft HBU op dit punt een verzwaarde stelplicht, hetgeen strookt met de regel van art. 35 lid 1 Wbp dat de verantwoordelijke de betrokkene op diens verzoek mededeelt of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt én, met de regel van art. 12, aanhef en onder a, eerste gedachtestreepje, van de Richtlijn, dat de verantwoordelijke de betrokkene zelfs "uitsluitsel" moet geven omtrent het "al dan niet" bestaan van verwerkingen van hem betreffende persoonsgegevens, welke, aan het transparantiebeginsel uitdrukking gevende, regel bepalend is voor de uitleg van art. 35 lid 1 Wbp. Verder voorzien de leden 1 en 2 van art. 35 Wbp welbeschouwd slechts in één verzoek, namelijk in het verzoek van lid 1. Ingevolge lid 2 is de verantwoordelijke verplicht om, indien hij heeft medegedeeld dat persoonsgegevens worden verwerkt, daarvan een volledig overzicht te geven, zonder dat daarvoor een afzonderlijk verzoek is vereist. Gelet op dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, moeten de stellingen en verzoeken van [verweerder] c.s. in deze procedure (tevens) worden opgevat als strekkende tot het alsnog verkrijgen, op de voet van art. 35 lid 1 Wbp, van informatie van HBU over het bestaan van bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen, over het vóórkomen daarop van persoonsgegevens betreffende [verweerder] c.s. en over de feitelijke wijze waarop deze gegevens zijn gestructureerd en toegankelijk zijn gemaakt. Nu HBU uitsluitsel dient te geven omtrent het al dan niet bestaan van verwerkingen van [verweerder] c.s. betreffende persoonsgegevens en HBU tot dusverre niet genoegzaam heeft aangetoond dat geen bandopnames zijn gemaakt of nog bestaan, zal HBU een bevel hiertoe worden gegeven (rov. 31).
(k) Beoordeeld dient nu nog te worden of, indien op bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen van telefoongesprekken onder de Wbp vallende persoonsgegevens worden verwerkt, HBU die banden en/of schriftelijke uitwerkingen dan aan [verweerder] c.s. dient te verstrekken. HBU meent dat zij hiertoe niet gehouden is omdat niet valt in te zien hoe een betrokkene een bandopname, die een historisch gegeven is, zou kunnen verbeteren of aanvullen zonder dat daarmee geweld wordt gedaan aan de oorspronkelijk inhoud daarvan. Zij wijst in dit verband op art. 36 Wbp. Hiermee verliest HBU echter uit het oog dat ingevolge dit artikel de betrokkene ook kan verzoeken om verwijdering of afscherming van (de persoonsgegevens op) de bandopnames en dat haar argumentatie in het geheel niet opgaat voor schriftelijke uitwerkingen van bandopnames. De stelling van HBU dat de betrokkene voldoende moet hebben aan de mededeling dat van de door hem met de verwerker gevoerde telefoongesprekken notities/bandopnames zijn gemaakt, wordt door het hof evenmin onderschreven. In een telefoongesprek over kredietverlening komen doorgaans meer persoonsgegevens ter sprake - zoals gegevens over het vermogen van de cliënt, zijn gezinssituatie en zijn inkomen - en louter met de mededeling dat een bepaald telefoongesprek is vastgelegd, verkrijgt de betrokkene dus geen volledig overzicht over de daarmee verwerkte persoonsgegevens. Nu HBU niet heeft aangegeven hoe anders dan door verstrekking van de bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan, een volledig overzicht van de daarin verwerkte persoonsgegevens kan worden verschaft, zal zij deze gegevensdragers dienen te verstrekken, tenminste wanneer deze bestaan en daarop persoonsgegevens worden verwerkt in de zin van de Wbp (rov. 32).
3.4 Het middel keert zich met rechts- en motiveringsklachten onder A tegen rov. 27 (hiervoor weergegeven in 3.3 onder f) en onder B tegen rov. 32 (weergeven in 3.3 onder k). Onderdeel A bestrijdt in de kern dat HBU op grond van art. 35 lid 2 Wbp verplicht is afschriften te verstrekken. Onderdeel B bestrijdt het oordeel van het hof dat [verweerder] c.s. recht hebben op bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan. HBU is tegen de overige oordelen van het hof in cassatie niet opgekomen.
3.5 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de Wbp strekt ter uitvoering van Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens van 24 oktober 1995, Pb. EG L 281 (TK 1997-1998, 25892, nr. 3, p. 157-158) en conform deze richtlijn moet worden uitgelegd. Op grond van hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.18a tot en met 4.18j, moet worden aangenomen dat de lidstaten een zekere ruimte hadden om aan de in de Richtlijn beoogde bescherming een eigen uitwerking te geven en dat de Nederlandse wetgever daarvan wat art. 35 Wbp betreft ook gebruik heeft gemaakt.
3.6 Uit nr. 41 van de considerans en - het in art. 35 Wbp geïmplementeerde - art. 12 van de Richtlijn volgt dat de betrokkene recht heeft op toegang tot de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf betreffen, zodat hij zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de over hem opgeslagen informatie kan vergewissen. Hieruit vloeit voort dat de verantwoordelijke (in de zin van de Wbp) specifieke informatie behoort te verstrekken aan de betrokkene waardoor deze in staat wordt gesteld behoorlijk kennis te nemen van zijn gegevens en van de wijze waarop deze zijn verwerkt. De betrokkene kan bij het vragen van deze informatie volstaan met een verwijzing naar art. 35 Wbp en behoeft geen nadere redenen op te geven. Hij mag verwachten dat de vervolgens aan te reiken informatie transparant en volledig zal zijn. Verder zal de verantwoordelijke bij de voldoening aan de door art. 35 lid 2 Wbp op haar gelegde verplichting om aan de betrokkene een volledig overzicht van de verwerkte persoonsgegevens te verschaffen niet mogen volstaan met de verstrekking van globale informatie, doch zal zij alle relevante informatie over de betrokkene moeten verschaffen, hetgeen, afhankelijk van de omstandigheden, vaak zal kunnen - en zo nodig op aanwijzing van de rechter zal moeten - gebeuren door het verstrekken van afschriften, kopieën of uittreksels. Dit valt ook af te leiden uit de parlementaire geschiedenis van art. 29 Wet Persoonsregistraties (TK 1986-1987, 19095, nr. 6, p. 57-58), de voorganger van art. 35 Wbp waarbij laatstgenoemde bepaling aansluit (MvT, TK 1997-1998, 25892, nr. 3, p. 157-158). Het in art. 35 gebruikte begrip "volledig overzicht" moet veeleer als een ruime aanduiding van de verplichting tot het verschaffen van de gegevens en niet als een beperking worden beschouwd. Wel kan de verantwoordelijke bij het verschaffen van de gegevens rekening houden met de belangen van derden, zij het dat dit op proportionele wijze dient te geschieden. Zo kunnen bij de verstrekking van kopieën van bescheiden bijvoorbeeld daarin aanwezige passages die betrekking hebben op derden worden afgeschermd, indien de belangen van die derden zulks vergen.
3.7 Voorts valt in aanmerking te nemen dat de Wbp een overkoepelende regeling voor uiteenlopende situaties geeft, die in een aantal sectoren nadere concretisering behoeft (TK 1997-1998, 25892, nr. 3, p. 11-12). In de financiële sector heeft deze concretisering plaatsgevonden in de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen (Staatscourant 3 februari 2003, nr. 23, p. 16) die is opgesteld door de Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond van Verzekeraars en een nadere invulling geeft aan de bepalingen van de Wbp. Het CBP heeft op de voet van art. 25 Wbp op 27 januari 2003 verklaard dat deze Gedragscode, gelet op de bijzondere kenmerken van de financiële sector, een juiste uitwerking vormt van de Wbp en andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens (Staatscourant 3 februari 2003, nr. 23, p. 16). De omvang en de invulling van het recht van de betrokkene om van de verantwoordelijke een overzicht te ontvangen van de door de verantwoordelijke van hem verwerkte persoonsgegevens als bedoeld in art. 35 lid 2 hangen derhalve mede af van hetgeen hierover is bepaald in de Gedragscode en daarnaast van de omstandigheden van het geval. In art. 7.1.1 van de Gedragscode wordt bepaald, dat een betrokkene gerechtigd is een financiële instelling schriftelijk een overzicht te vragen van de hem of haar betreffende persoonsgegevens die door die financiële instelling worden verwerkt en dat de financiële instelling, behoudens in de Wbp genoemde uitzonderingsgevallen, de betrokkene binnen vier weken na de datum van het verzoek een overzicht van de persoonsgegevens doet toekomen. In de na de Gedragscode gepubliceerde toelichting wordt opgemerkt, dat het recht om kennis te nemen van de eigen gegevens een algemeen erkend recht is dat slechts in uitzonderingssituaties vervalt. Art. 8.5.5 Gedragscode verleent aan de betrokkene-cliënt het recht bij interpretatieverschillen of onenigheden met betrekking tot de inhoud van opgenomen telefoongesprekken om het opgenomen telefoongesprek te beluisteren en/of een transcriptie van het opgenomen telefoongesprek te verkrijgen. Slechts indien de verantwoordelijke overeenkomstig art. 43, onder e, Wbp aannemelijk maakt dat door het verstrekken van kopieën of transcripties van telefoongesprekken de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn, dat hij in een van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast (TK 1997-1998, 25892, nr. 3, p. 171), kan de verantwoordelijke in een geval als het onderhavige weigeren om de verzochte kopieën en transcripties te verstrekken.
3.8 Uit de parlementaire geschiedenis (MvT, TK 1997-1998, 25892, nr. 3, p. 71) blijkt dat de Wbp ook van toepassing is op geluidsopnamen die min of meer toegankelijk zijn voor latere raadpleging. Ten slotte geldt dat een financiële instelling als HBU, zoals blijkt uit het onder 4.18 van die conclusie weergegeven art. 8.5.3 Gedragscode, verplicht is technische en organisatorische voorzieningen te treffen om opgenomen telefoongesprekken en andere persoonsgegevens betreffende de opgenomen telefoongesprekken zonodig te kunnen traceren en reconstrueren.
3.9 Voorzover de onderdelen A.1 en B.1 ervan uitgaan dat het hof heeft geoordeeld dat [verweerder] c.s. recht hebben op een afschrift van alle gegevensdragers, mist het feitelijke grondslag, omdat het hof juist vooropgesteld heeft dat dit recht niet zonder meer of noodzakelijkerwijs altijd bestaat. Het hof heeft vervolgens, zonder dat het met dit uitgangspunt in tegenspraak is gekomen, als zijn oordeel doen volgen dat een afschrift, bandopname of schriftelijke uitwerking daarvan in ieder geval een volledig overzicht geeft en dat het daarom in beginsel voor de hand ligt de persoonsgegevens in deze vorm te verstrekken. Dit oordeel is juist op grond van hetgeen de Hoge Raad hiervoor in 3.4 tot en met 3.8 heeft overwogen. Het hof heeft voorts terecht geoordeeld dat HBU duidelijk moet maken op welke andere wijze dan door het verstrekken van afschriften dan wel bandopnamen/schriftelijke uitwerking een volledig overzicht kan worden verschaft. HBU is immers de verantwoordelijke die de in de Wbp neergelegde verplichtingen behoort na te komen, en zij beschikt zowel over de gegevens als over de gegevensdragers aan de hand waarvan zij in eerste instantie als enige kan beoordelen welke persoonsgegevens zij verwerkt of laat verwerken en op welke wijze zij aan de eis van een volledige opgave hiervan kan voldoen. Op dit een en ander stuiten alle rechtsklachten van de onderdelen A en B af.
3.10 De oordelen van het hof zijn in het licht van het door partijen gevoerde debat ook niet onbegrijpelijk, met name niet omdat HBU volgens de feitelijke en in cassatie niet bestreden vaststelling van het hof heeft nagelaten duidelijk te maken op welke andere wijze zij aan haar verplichting een volledig overzicht te verschaffen zou kunnen voldoen, waar dit immers op haar weg lag en waar [verweerder] c.s. dit ook van haar mochten verwachten. Als, zoals HBU meent, zich zeer wel laat denken dat het vereiste volledige overzicht in begrijpelijke vorm wordt verschaft zonder verstrekking van afschriften, bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan, had HBU haar standpunt aan de hand van concrete voorbeelden aannemelijk moeten maken, hetgeen zij evenwel heeft nagelaten. Het hof heeft hieraan begrijpelijkerwijs de slotsom verbonden dat HBU geen bezwaren tegen het verschaffen van de gevraagde bescheiden en opnamen heeft aangevoerd die stand kunnen houden, terwijl HBU, naar het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld, ook geen andere steekhoudende redenen heeft aangevoerd die aan toewijzing van de vorderingen in de weg staan.
3.11 Het middel faalt, zodat het beroep moet worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt HBU in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 29 juni 2007.