Het hof heeft geoordeeld dat Hazeleger zich met succes kan beroepen op verjaring ingevolge art. 32 lid 1 CMR en heeft op die grond de vorderingen van Brinky afgewezen. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen.
Het beroep van Hazeleger op verjaring werpt de vraag op naar de verhouding tussen het tweede en het derde lid van art. 32 CMR, meer in het bijzonder de vraag of samenloop van schorsing en stuiting van de verjaring mogelijk is. Deze vraag van uitleg van de CMR moet geschieden aan de hand van art. 31 en 32 Weens Verdragenverdrag. (rov. 4.4)
In de visie van het hof staat in art. 32 lid 3 CMR, naar de tekst daarvan, niet méér dan dat voor de stuiting de lex fori geldt, zodat voor de betekenis van deze bepaling drie mogelijkheden openstaan:
(i) De samenhang tussen het tweede en het derde lid van art. 32 CMR moet aldus worden begrepen dat een naar Nederlands recht naar de vorm geldige stuitingshandeling (art. 3:317 lid 1 BW) de verjaring schorst als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR, en dat indien op die wijze is geschorst, de vervoerder een einde kan maken aan de schorsing door de vordering af te wijzen; een nieuwe stuitingshandeling is niet mogelijk, omdat de stuiting naast de schorsing geen zelfstandige dan wel aanvullende betekenis heeft in de CMR (rov. 4.8).
(ii) Tussen de in de CMR wel geregelde schorsing en de niet in de CMR geregelde stuiting bestaat geen verband, en de stuiting wordt geheel aan de lex fori overgelaten; indien in het nationale recht schorsing naast stuiting niet voorkomt, is bij uitsluiting de nationale stuitingsregeling van toepassing en heeft het tweede lid van art. 32 CMR geen betekenis in dat nationale recht (rov. 4.9).
(iii) In het stelsel van de CMR kunnen schorsing en stuiting naast (of na) elkaar bestaan; dit brengt mee dat na schorsing herhaalde stuiting mogelijk is, ook voor dezelfde rechtsvordering (rov. 4.10).
Het hof heeft de eerste uitlegmogelijkheid aanvaard en is op grond van het doel en de strekking van art. 32 CMR en de gevolgen voor in het bijzonder de rechtszekerheid tot de slotsom gekomen dat de schorsing als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR wordt bewerkstelligd door een stuitingshandeling die op het punt van de formele vereisten geldig is naar Nederlands recht. Gevolg van die handeling is dat de verjaringstermijn wordt geschorst – en dus niet gestuit – totdat de vervoerder de vordering afwijst. Na afwijzing loopt de resterende verjaringstermijn door, welke termijn niet kan worden gestuit door een nieuwe stuitingshandeling indien die ziet op dezelfde vordering. De ladingbelanghebbende moet dan binnen de resterende termijn een vordering aanhangig maken, bij gebreke waarvan de vordering verjaart. (rov. 4.17)
In het onderhavige geval is de verjaringstermijn aangevangen op 29 december 2005. Vanaf de aansprakelijkstelling op 2 januari 2006 tot de afwijzing daarvan op 30 juni 2006 is de verjaringstermijn geschorst. Nadien resteerde nog een termijn van 362 dagen. Brinky heeft Hazeleger echter pas op 5 december 2007 gedagvaard, en op dat moment was haar vordering reeds verjaard, aldus het hof. (rov. 4.19)