3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Favini Apeldoorn B.V. (hierna: Favini Apeldoorn) heeft op 19 december 2002 op haar bedrijfspand in Apeldoorn (hierna: het bedrijfspand), waarin zij een papierfabriek dreef, een recht van hypotheek gevestigd ten gunste van Banca Intesa. Dit geschiedde tot meerdere zekerheid van een door Favini S.p.A. (hierna: Favini Italië) bij een consortium van Italiaanse banken aangetrokken krediet.
(ii) Favini Apeldoorn is een 100% dochtervennootschap van Favini N.V. (hierna: Favini Nederland), die een 100% dochtervennootschap is van Favini Italië.
(iii) Favini RE is opgericht bij (af)splitsingen binnen het Favini-concern op 29 en 30 december 2005. Favini RE heeft in het kader van splitsing de eigendom van het bedrijfspand verkregen (boekwaarde € 16.810.000,--) en een schuld (ten bedrage van € 16.809.999,--) van Favini Apeldoorn aan Favini Nederland. Per 1 januari 2006 heeft Favini RE het bedrijfspand verhuurd aan Favini Apeldoorn.
(iv) Op 25 januari 2008 is Favini Apeldoorn failliet verklaard, met benoeming van mrs. Brouns en Schreurs tot curatoren. Nadien hebben de curatoren de huurovereenkomst opgezegd tegen 8 november 2009.
(v) Met betrekking tot Favini Italië is op 26 november 2008 in Italië de "concordato preventivo" (vergelijkbaar met surseance van betaling) uitgesproken.
(vi) Curator Brouns heeft bij brief van 6 augustus 2009 aan Favini RE op grond van art. 42 Fw de nietigheid van de hiervoor onder (iii) bedoelde splitsingen ingeroepen en heeft daarbij onder meer vermeld:
"De situatie voor de gezamenlijke schuldeisers is thans, dat zij geen verhaal meer hebben op de eerdergenoemde onroerende zaak, terwijl zij dat zonder de bewuste splitsing wel zouden hebben. Weliswaar was deze onroerende zaak destijds hypothecair volledig verbonden ten behoeve van het Italiaanse bankenconsortium, doch aangezien er sprake was van een door mijn curanda verleende zogenaamde derdenhypotheek, een hypotheekrecht ten behoeve van de schuld van een ander (Favini SpA), zou mijn curanda ingeval van uitwinning door de hypotheekhouder op grond van artikel 6:150 sub a BW gesubrogeerd zijn in de rechten van de hypotheekhouder en aldus een regresvordering ter hoogte van de opbrengst bij uitwinning hebben verkregen op Favini SpA."
(vii) De curatoren hebben op 24 november 2009 ter zake van huur een bedrag van € 1.360.833,70 aan Favini RE voldaan.
3.2.1
Favini RE heeft in conventie gevorderd, kort gezegd, dat de curatoren worden veroordeeld tot betaling van onder meer achterstallige huurpenningen over de periode van 22 januari 2008 tot en met 8 november 2009, alsmede vergoeding van volledige kosten van rechtsbijstand. De curatoren hebben in reconventie onder meer gevorderd dat voor recht wordt verklaard (i) dat de hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemde splitsingen terecht door hen met een beroep op de pauliana buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans dat deze worden vernietigd, (ii) dat de boedel (met terugwerkende kracht) is bevrijd van de verplichting tot betaling van huur aan Favini RE, en (iii) dat op Favini RE de verplichting rust om al hetgeen ingevolge de splitsingen uit het vermogen van Favini Apeldoorn is geraakt en in het vermogen van Favini RE is gekomen, aan de boedel af te staan, met nevenvorderingen.
3.2.2
De rechtbank heeft in conventie de gevorderde hoofdsom grotendeels toegewezen, de kosten van rechtsbijstand buiten rechte begroot volgens het rapport Voor-Werk II en de proceskosten begroot volgens het liquidatietarief. De vordering in reconventie is afgewezen op de grond dat geen sprake was van wetenschap van benadeling van schuldeisers.
3.2.3
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, met veroordelingen in de proceskosten volgens het liquidatietarief. Het hof heeft, samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
In het onderhavige geval is sprake van afsplitsingen van rechtspersonen in de zin van art. 2:334a lid 3 BW.
De wettelijke regeling voor de afsplitsing is dezelfde als die voor een zuivere splitsing. HoewelRichtlijn 82/891/EEG van de Raad van 17 december 1982 betreffende splitsingen van naamloze vennootschappen (hierna: de Zesde Richtlijn) slechts ziet op de zuivere splitsing van een naamloze vennootschap, dient Titel 7 van Boek 2 BW – gebaseerd op de Zesde Richtlijn – ook wat betreft de afsplitsing te worden geïnterpreteerd aan de hand van de Zesde Richtlijn. (rov. 4.11) De Zesde Richtlijn verlangt een balans tussen de bescherming van schuldeisers enerzijds en het waarborgen van de rechtszekerheid anderzijds. De Zesde Richtlijn laat de lidstaten de vrijheid om vernietiging van een splitsing op andere gronden dan het door de Zesde Richtlijn en Titel 7 van Boek 2 BW bestreken preventieve toezicht mogelijk te maken. (rov. 4.12) De bewoordingen van art. 2:334u BW wijzen op een exclusieve regeling voor de vernietiging van een splitsing. In de totstandkomingsgeschiedenis van de art. 2:334a e.v. BW valt geen steun te vinden voor het standpunt dat niet bedoeld is de mogelijkheid van vernietiging op grond van de pauliana uit te sluiten. Veeleer kan daaruit worden opgemaakt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een zeer beperkte vernietigingsregeling. (rov. 4.13) Ondanks dat de wetgever de moeilijke positie van de schuldeisers onder ogen heeft gezien, heeft deze de door Titel 7 van Boek 2 BW geboden bescherming van de schuldeisers afdoende geacht (rov. 4.14). Art. 2:334u BW regelt daarom exclusief op welke gronden een splitsing kan worden vernietigd. Daar behoort de pauliana niet toe. Het door de curatoren gedane beroep op vernietiging van de splitsing (enkel gegrond op art. 42 Fw) heeft derhalve geen rechtskracht, zodat van de rechtsgeldigheid van de onderhavige splitsingen moet worden uitgegaan. Dat brengt met zich dat de grondslag aan het door de curatoren in conventie gevoerde verweer en aan hun in reconventie ingestelde vordering is komen te ontvallen. (rov. 4.16)
Art. 17.1 van de algemene voorwaarden van Favini RE geeft geen aanleiding om bij de begroting van de in eerste aanleg te begroten proceskosten af te wijken van de liquidatietarieven. Het hof kan zich verenigen met de door de rechtbank toegepaste matiging. Ook voor de proceskosten in hoger beroep ziet het hof geen aanleiding af te wijken van de liquidatietarieven. (rov. 4.18)