Faillissementsrecht. Cassatieberoep tegen vaststelling salaris curator na vernietiging vonnis van faillietverklaring in hoger beroep, art. 15 lid 3 Fw; niet-ontvankelijk. Rechtsmiddelenverbod, geen beslissing in de zin van art. 71 in verbinding met 85 Fw.
mr. Nicolaas Frederik BARTHEL, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [verweerder 1] wonende te ’s-Gravenhage,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J.W. Uiterlinden,
t e g e n
1. [verweerder 1], wonende te [woonplaats],
2. [verweerder 2], wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de curator, [verweerder 1] en [verweerder 2].
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
het vonnis in de zaak 12/492 F van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 juli 2012;
het arrest in de zaak 200.110.555/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 2 oktober 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de curator beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder 1] en [verweerder 2] hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij verstekvonnis van 26 juni 2012 is [verweerder 1] in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. Barthel als curator.
(ii) Bij vonnis van 20 juli 2012 is het door [verweerder 1] tegen het verstekvonnis gedane verzet afgewezen.
(iii) Het hof heeft het vonnis van 20 juli 2012 vernietigd en het verzoek tot faillietverklaring alsnog afgewezen. Het heeft het bedrag van de faillissementskosten en het salaris van de curator vastgesteld op € 10.000,--, inclusief BTW, en heeft daartoe in rov. 7 het volgende overwogen:
“De curator heeft bij zijn verslag van 21 september 2012 een berekening van zijn salaris overgelegd. In totaal worden 72,3 uren in rekening gebracht. Gelet op de aard en omvang van het onderhavige faillissement ziet het hof aanleiding het salaris van de curator inclusief BTW en kantoorkosten ex art. 15, lid 3, Fw vast te stellen op € 10.000,-.”
3.2.1
Onderdeel II, dat de Hoge Raad eerst zal behandelen, stelt de vraag aan de orde of de curator een rechtsmiddel kan aanwenden tegen een op de voet van art. 15 lid 3 Fw genomen beslissing omtrent de faillissementskosten en het salaris van de curator. Het onderdeel betoogt onder verwijzing naar art. 71 Fw dat ook bij toepassing van art. 15 lid 3 Fw de curator het rechtsmiddel van cassatie ten dienste staat.
3.2.2
Art. 15 lid 3 Fw luidt, voor zover van belang, als volgt:
“De rechter, die de vernietiging van een vonnis van faillietverklaring uitspreekt, stelt tevens het bedrag vast van de faillissementskosten en van het salaris des curators. Hij brengt dit bedrag ten laste van degene, die de faillietverklaring heeft aangevraagd, van de schuldenaar, of van beide in de door de rechter te bepalen verhouding. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. (…)”
Art. 71 lid 1 Fw houdt in dat “Onverminderd het bepaalde in artikel 15, derde lid” het salaris van de curator in elk faillissement wordt vastgesteld door de rechtbank.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad staat ingeval het salaris van de curator op de voet van art. 71 Fw wordt vastgesteld, geen hoger beroep open, maar wel cassatieberoep (zie onder meer HR 3 juli 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB8474, NJ 1989/770). Het onderdeel betoogt dat dit meebrengt dat ook bij toepassing van art. 15 lid 3 cassatieberoep openstaat, omdat anders een tegenstrijdigheid zou bestaan tussen art. 15 lid 3 en art. 71 lid 1 Fw.
3.2.3
Het onderdeel faalt. Art. 71 lid 1 Fw betreft de salarisvaststelling bij de afwikkeling van het faillissement (en art. 71 lid 2 de salarisvaststelling in geval van een akkoord). Het gaat bij art. 71 Fw om een beschikking betreffende het beheer en de vereffening van de boedel als bedoeld in art. 85 Fw. Art. 15 lid 3 Fw heeft betrekking op de salarisvaststelling na vernietiging van het vonnis van faillietverklaring en ziet derhalve op kosten die zijn gemaakt gedurende de betrekkelijk korte periode waarin van een faillissement sprake was. Laatstgenoemde bepaling is in 1925 in de wet gevoegd om te voorzien in een leemte die bestond, nu art. 71 – gelet op de afdeling van de Faillissementswet waarin het artikel is geplaatst – niet van toepassing is bij vernietiging van het vonnis van faillietverklaring (Wet van 13 november 1925, Stb. 445). Bij voormelde wetswijziging is tevens in art. 71 lid 1 de hiervoor geciteerde passage “Onverminderd het bepaalde in artikel 15, derde lid” opgenomen. De wetgever heeft derhalve met het opnemen van art. 15 lid 3 Fw beoogd een afzonderlijke bepaling op te nemen met betrekking tot de vaststelling van het salaris van de curator in geval van vernietiging van het vonnis van faillietverklaring en heeft daarbij ervoor gekozen om voor dit geval een rechtsmiddelenverbod op te nemen. Tegen deze achtergrond kan – anders dan het onderdeel betoogt - niet worden aangenomen dat de curator een rechtsmiddel kan aanwenden tegen een op de voet van art. 15 lid 3 Fw genomen beslissing omtrent de faillissementskosten en het salaris van de curator.
3.3
Het hiervoor overwogene brengt mee dat de curator niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart de curator niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 juli 2013.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: