De rechtbank heeft het verzoek toegewezen en daartoe – samengevat – als volgt overwogen.
Bij de beantwoording van de vraag of [verweerder] de Nederlandse nationaliteit bezit is van belang welke nationaliteit hij en zijn ouders bij de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 verkregen of behielden. De moeder heeft op 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit behouden. De vader is met ingang van 25 november 1975 in dienst van de Surinaamse ambassade in Nederland getreden (rov. 5.1-5.3).
In een door [verweerder] overgelegde verklaring van het CBB wordt verklaard dat de vader ingevolge art. 3 TOS op 25 november 1975 de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen. Aangezien de vader op dat moment feitelijk in Nederland verbleef zou hij op grond van art. 3 TOS de Nederlandse nationaliteit hebben moeten behouden (rov. 5.4-5.5).
Uit de afgifte aan de vader van een Surinaams paspoort op 26 mei 1976 in verbinding met de verklaring van het CBB blijkt echter voldoende dat de Surinaamse autoriteiten ervan uitgaan dat de vader sedert 25 november 1975 in het bezit is van de Surinaamse nationaliteit, hetgeen vanwege de diplomatieke status van de vader ook noodzakelijk was en dat de Surinaamse autoriteiten er kennelijk voor hebben gekozen om uit te gaan van een fictieve woonplaats in Suriname, waardoor de vader op 25 november 1975 op grond van art. 3 TOS de Surinaamse nationaliteit verkreeg (rov. 5.7).
De diplomatieke status van de vader heeft aldus geleid tot een uitzonderlijke situatie, in die zin dat binnen het gezin van verzoeker verschillende nationaliteiten zijn verkregen; dat ligt niet in lijn met het ook aan de TOS ten grondslag liggende uitgangspunt van eenheid van nationaliteit binnen een gezin. Nu deze situatie bij het opstellen van de TOS niet onder ogen is gezien, noopt het onderhavige uitzonderlijke geval tot een uitleg van de TOS die het meest in overeenstemming is met het doel ervan (rov. 5.8).
Art. 6 lid 2 TOS beoogt te bevorderen dat minderjarigen zoveel mogelijk de nationaliteit verkrijgen die zij op 25 november 1975 zouden hebben verkregen als zij op dat tijdstip meerderjarig waren geweest.
Een redelijke uitleg van de TOS brengt mee dat in deze zaak eveneens wordt aangesloten bij de Nederlandse nationaliteit die [verweerder], die toen in Nederland woonachtig was, zou hebben behouden op 25 november 1975 indien hij meerderjarig was geweest (5.9).
3.4.1
Onderdeel 2 klaagt (onder 2.1-2.2) dat de rechtbank in rov. 5.7 en 5.8 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het woonplaatsbegrip van art. 3 TOS door te oordelen dat de Surinaamse autoriteiten, gelet op de diplomatieke status van de vader, kennelijk ervoor hebben gekozen uit te gaan van een fictieve woonplaats van de vader in Suriname waardoor deze op grond van art. 3 TOS per 25 november 1975 de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen. Het onderdeel klaagt onder meer dat de TOS een ‘fictieve’ of ‘formele’ woonplaats niet kent en noemt dit oordeel voorts onbegrijpelijk omdat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat de Surinaamse autoriteiten met ingang van de onafhankelijkheid op 25 november 1975 een beleid hebben gevoerd dat gericht was op het toekennen van een fictieve woonplaats aan personen met een diplomatieke status.
3.4.2
Het onderdeel slaagt. Art. 8 lid 2 TOS biedt een specifieke voorziening voor de situatie dat de vader als Surinaams diplomaat de Surinaamse nationaliteit diende te bezitten. Uit de aanwezigheid van deze specifieke voorziening moet worden afgeleid dat de TOS geen grondslag biedt voor het verkrijgen van een nationaliteit door het toekennen van een fictieve of formele woonplaats in verband met iemands diplomatieke status. Bovendien volgt daaruit dat – anders dan de rechtbank in rov. 5.8 heeft overwogen – de Surinaamse nationaliteit van de vader in verband met diens diplomatieke status niet kan worden aangemerkt als een uitzonderlijke situatie die bij het opstellen van de TOS niet onder ogen is gezien en die noopt tot een uitleg “die het meest in overeenstemming is met de redelijkerwijs te bewerkstelligen bedoelingen van de TOS”. In zoverre slaagt ook onderdeel 4.