3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verweerder] is van 22 januari 1965 tot 11 juli 1974 gehuwd geweest met [de moeder] (hierna: de moeder). Uit dit huwelijk zijn twee dochters geboren: [betrokkene 1] (op [geboortedatum] 1966) en [de dochter] (op [geboortedatum] 1969). [de dochter] wordt hierna aangeduid als ‘de dochter’.
(ii) Na ontbinding van het huwelijk tussen [verweerder] en de moeder is de moeder benoemd tot voogd over de dochters en is [verweerder] als toeziend voogd aangewezen. De dochters zijn komen wonen bij de moeder, aan wie ook de echtelijke woning te Hem is toebedeeld.
(iii) Op 27 maart 1977 is de moeder bij de vliegramp op Tenerife om het leven gekomen. De dochters zijn haar enige erfgenamen. Na het overlijden van de moeder is [verweerder] bij beschikking van 10 juni 1977 tot voogd over de dochters benoemd en zijn de dochters bij hem gaan wonen. [betrokkene 2] is benoemd tot toeziend voogd.
(iv) [verweerder] heeft de in de nalatenschap van de moeder vallende woning te Hem op 3 augustus 1977 verkocht voor een bedrag van fl. 120.000,--.
(v) De kantonrechter te Hoorn heeft op 1 september 1977 een notariële akte van scheiding en deling goedgekeurd waarbij [verweerder], optredend als voogd over de dochters en als lasthebber van de toeziend voogd, is overgegaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van de moeder per 20 augustus 1977. In deze akte is vermeld wat het saldo van de nalatenschap is en tot welke bedragen de dochters daarin zijn gerechtigd. Tevens is in de akte bepaald:
“dat hiermede gemelde nalatenschap geheel is gescheiden en gedeeld en ieder van de deelgenoten het haar toekomende heeft ontvangen, zodat voor de deelgenoten kwijting en décharge wordt verleend, zonder enig voorbehoud, hetgeen eveneens geldt voor een aan de erven toekomende uitkering ad twintigduizend gulden ingevolge een polis van reisverzekering (...) van welk bedrag ieder van de deelgenoten de helft heeft ontvangen;
dat bij deze tevens pro memorie nog melding wordt gemaakt van een nog te regelen vordering tegen de N.V. Koninklijke Luchtvaart Maatschappij ten behoeve van de erven; (...)”
(vi) [verweerder] heeft in verband met het overlijden van de moeder namens de dochters een schikking getroffen met o.a. de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (hierna: KLM) en Pan American World Airways voor een bedrag van US $ 210.000,-- (hierna: de KLM-uitkering). Op 4 juli 1978 heeft [verweerder] terzake een akte van finale kwijting ondertekend, voor welke rechtshandeling hij bij beschikking van de kantonrechter te Hoorn van 28 juli 1978 is gemachtigd “onder voorwaarde, dat de voor de minderjarigen vrij komende gelden op de bij de Wet voorgeschreven wijze op een beleggingsrekening zullen worden belegd.” [verweerder] heeft dat nagelaten.
(vii) [verweerder] heeft op 28 augustus 2007 van de rekening van de door hem en zijn huidige echtgenote gedreven vennootschap onder firma Albat Systems een bedrag van € 15.000,-- overgemaakt aan de dochter. Op het afschrift van die overboeking is vermeld: “Nogmaals, het vermeende tegoed. V.+J. [verweerder].”
(viii) Bij brief van 11 mei 2009 heeft de dochter KLM gevraagd om informatie met betrekking tot de uitgekeerde nabestaandenuitkering in verband met het overlijden van haar moeder. In die brief heeft zij onder meer vermeld:
“Zoals aangegeven heeft onze voogd (tevens vader) ons erfdeel en de uitkering van de KLM niet overgedragen bij het bereiken van ons 18de levensjaar. Onze vader weigert de voogdijbrief of andere openheid van zaken te geven en daarom zijn wij genoodzaakt om zelf deze gegevens bij u op te vragen. (...)”
(ix) Bij brief van 15 mei 2009 heeft KLM aan de dochter bericht dat met haar vader de hiervoor onder (vi) genoemde schikking is getroffen. Bij haar brief voegde KLM een afschrift van het verzoek tot machtiging, de daarop verleende machtiging van de kantonrechter en een kopie van de finale kwijting. KLM wees de dochter nog expliciet op de in de machtiging vermelde voorwaarde dat de gelden op de bij de wet voorgeschreven wijze op een beleggingsrekening zullen worden belegd.
( x) Bij brief van 20 november 2009 heeft de dochter [verweerder] erop gewezen dat hij zijn verplichtingen als voogd en bewindvoerder jegens haar niet is nagekomen en dat hij de erfenis en de KLM-uitkering, die hij wegens het bewind van de dochter beheerde, nimmer heeft overgedragen. Voorts heeft de dochter [verweerder] verzocht om de in de brief vermelde zaken per ommegaande in orde te maken, en heeft zij juridische stappen aangekondigd indien [verweerder] aan haar verzoek geen gehoor zou geven.
(xi) Bij brief van 11 december 2009 heeft [verweerder] de dochter bericht dat hij haar brief heeft ontvangen, maar niet op haar verzoek ingaat.
3.2.1
Voor zover in cassatie van belang heeft de dochter gevorderd dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van drie bedragen, te weten het aandeel van de dochter in de nalatenschap van de moeder, het aandeel van de dochter in de uitkering van de reisverzekering en het aandeel van de dochter in de KLM-uitkering. Aan haar vordering heeft de dochter onder meer ten grondslag gelegd dat [verweerder] willens en wetens het bestaan van de erfenis, de uitkering van de reisverzekering en de KLM-uitkering verborgen heeft gehouden. De dochter stelt voorts dat [verweerder] het geld uit de nalatenschap, de uitkering van de reisverzekering en de KLM-uitkering in strijd met zijn verplichtingen als ouder-voogd voor eigen gerief heeft aangewend en dat hij daarmee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, waardoor zij schade heeft geleden.
3.2.2
[verweerder] heeft zich onder meer beroepen op verjaring.
3.3.1
De rechtbank heeft het beroep van [verweerder] op verjaring verworpen en de vorderingen van de dochter toegewezen.
3.3.2
Het hof heeft de vorderingen van de dochter alsnog afgewezen.
Uitgangspunt voor het hof is de in hoger beroep niet bestreden vaststelling van de rechtbank dat de dochter – op grond van art. V van de Wet van 1 juli 1987, Stb. 1987, 333 – op 1 januari 1988 meerderjarig is geworden, zodat met ingang van die dag aan de door [verweerder] uitgeoefende voogdij over de dochter een einde is gekomen (rov. 2.12).
Vervolgens heeft het hof overwogen dat de voogd na het einde van zijn bewind, op grond van art. 1:372 BW zoals die bepaling op 1 januari 1988 luidde, was gehouden daarvan onverwijld rekening en verantwoording te doen. Deze plicht gold volgens het hof ook voor [verweerder] als ouder-voogd. Volgens art. 1:377 BW, zoals die bepaling op 1 januari 1988 luidde, verjaarde elke rechtsvordering op grond van het gevoerde voogdijbewind – zowel van de zijde van de minderjarige als van die van de voogd – door verloop van tien jaren na de dag waarop de voogdij van laatstgenoemde is geëindigd. Niet van belang is, aldus het hof, dat de minderjarige met de schade al dan niet bekend was. Met de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 van het huidige BW is de verjaringstermijn van tien jaren in een termijn van vijf jaren gewijzigd (rov. 2.13).
Ingevolge art. 73 Ow NBW in verbinding met art. I Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 NBW is de reeds lopende verjaringstermijn ter zake van het door [verweerder] gevoerde bewind op 1 januari 1993 geëindigd (rov. 2.14). De verjaring is gedurende de verjaringstermijn niet gestuit. [verweerder] kan zich dan ook op verjaring beroepen (rov. 2.15).
Het hof heeft evenmin aanleiding gezien om de regeling omtrent verjaring buiten toepassing te laten op de grond dat de toepassing van die regeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het stelsel van verjaring is volgens het hof betrekkelijk kort geleden, na zorgvuldige en herhaalde afweging van de voor- en nadelen daarvan tot stand gekomen (rov. 2.16).
3.4.1
Onderdeel 1.1 komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof in rov. 2.15 dat de op het voogdijbewind van [verweerder] gegronde vorderingen van de dochter zijn verjaard. Daartoe voert het onderdeel aan dat de hier toepasselijke verjaringstermijn van art. 1:377 BW krachtens art. 3:321 lid 1, aanhef en onder b en c, BW is verlengd en dat die verlenging, gelet op art. 3:321 lid 2 BW, nog altijd voortduurt, nu vaststaat dat [verweerder] geen rekening en verantwoording heeft afgelegd van het door hem gevoerde voogdijbewind over de dochter.
3.4.2
Deze klachten falen. Vast staat (zie rov. 2.12 van het arrest van het hof, hiervoor in 3.3.2 weergegeven) dat de dochter op 1 januari 1988 meerderjarig is geworden en dat met ingang van die dag aan de door [verweerder] uitgeoefende voogdij over de dochter een einde is gekomen. Hieruit vloeit voort dat de verjaringstermijn van art. 1:377 (oud) BW, welke bepaling inhield dat elke rechtsvordering op grond van het gevoerde voogdijbewind – zowel van de zijde van de minderjarige als van die van de voogd – verjaart door verloop van tien jaren na de dag, waarop de voogdij is geëindigd, in het onderhavige geval op 2 januari 1988 is aangevangen. Tevens vloeit hieruit voort dat de schorsingsgrond van art. 2024 (oud) BW, die inhield dat de verjaring niet tegen minderjarigen loopt, in het onderhavige geval in de periode gelegen na 1 januari 1988 niet toepasselijk was en dat de verjaringstermijn van art. 1:377 (oud) BW derhalve niet op die grond werd geschorst.
Door de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 NBW, die op1 januari 1992 in werking is getreden, is de lengte van de verjaringstermijn van art. 1:377 BW teruggebracht van tien naar vijf jaren. Op grond van art. 68a Ow NBW heeft het nieuwe recht onmiddellijke werking, met dien verstande dat uit art. 73 lid 1 Ow NBW voortvloeit dat de (vóór 1 januari 1992 aangevangen) verjaringstermijn van vijf jaren van art. 1:377 BW uitgestelde werking heeft tot 1 januari 1993, terwijl art. 73 lid 2 Ow NBW bepaalt dat deze nieuwe verjaringstermijn wordt geacht niet vóór 1 januari 1993 te zijn voltooid. Een en ander brengt in het onderhavige geval mee dat de op 2 januari 1988 aangevangen verjaringstermijn van art. 1:377 BW in beginsel op 2 januari 1993 was voltooid.
Voorts zijn op grond van de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 NBW op 1 januari 1992 de art. 3:320-321 BW met betrekking tot verlenging van de verjaring in werking getreden. Op grond van art. 68a Ow NBW hebben deze bepalingen eveneens onmiddellijke werking. In het onderhavige geval bestonden op of na 1 januari 1992 echter niet de gronden voor verlenging als bedoeld in art. 3:321 lid 1, aanhef en onder b en c, BW, omdat [verweerder] en de dochter zich niet (meer) tot elkaar verhielden als ‘een wettelijk vertegenwoordiger en de onbekwame diehij vertegenwoordigt’ (de verlengingsgrond onder b) respectievelijk ‘een bewindvoerder en de rechthebbende voor wie hij het bewind voert’ (de verlengingsgrond onder c). Verlenging van de verjaring op deze gronden vond op of na 1 januari 1992 derhalve niet plaats. Hetgeen art. 3:321 lid 2 BW bepaalt omtrent het voortduren van de gronden voor verlenging van art. 3:321 lid 1, aanhef en onder b en c, BW ‘totdat de eindrekening van de wettelijke vertegenwoordiger of de bewindvoerder is gesloten’, brengt hierin geen verandering, nu genoemd lid 2 veronderstelt dat een van de daarin genoemde gronden voor verlenging van de verjaring bestaat, en zulks in het onderhavige geval op of na 1 januari 1992 niet het geval was.
Ten slotte verdient opmerking dat zich in het onderhavige geval niet een van de gevallen voordoet waarop art. 121 lid 2 Ow NBW ziet, omdat de schorsingsgrond van art. 2024 BW (oud) op 1 januari 1992 niet toepasselijk was.
Uit het vorenstaande vloeit voort – anders dan de klachten van onderdeel 1.1 tot uitgangspunt nemen – dat de verjaringstermijn van de vorderingen van de dochter niet krachtens art. 3:321 lid 1, aanhef en onder b en c, BW is verlengd, en dat art. 3:321 lid 2 BW om die reden toepassing mist.
3.5.1
Onderdeel 1.2 klaagt dat de dochter zich tevens erop heeft beroepen dat [verweerder] het bestaan van de nalatenschap, de uitkering van de reisverzekering en de KLM-uitkering opzettelijk voor haar verborgen heeft gehouden, zodat de verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1, aanhef en onder f, BW aan de voltooiing van de verjaring in de weg staat. Het hof heeft verzuimd deze stellingen kenbaar in zijn oordeel te betrekken, aldus de klacht.
3.5.2
Deze klacht slaagt. De dochter heeft zich in eerste aanleg op de verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1, aanhef en onder f, BW beroepen. De rechtbank heeft het beroep van [verweerder] op verjaring verworpen en daarbij in het midden gelaten of sprake is van de hier bedoelde verlengingsgrond (eindvonnis, rov. 4.10). Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep was het hof dan ook gehouden om te beslissen op het beroep van de dochter op art. 3:321 lid 1, aanhef en onder f, BW, nog daargelaten dat de dochter in hoger beroep bij memorie van antwoord wederom een beroep heeft gedaan op deze verlengingsgrond.
3.6.1
Onderdeel 2 klaagt onder meer dat het hof in rov. 2.16 heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan zijn oordeel dat het beroep van [verweerder] op verjaring niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, enkel ten grondslag te leggen dat het huidige stelsel van verjaring betrekkelijk kort geleden, na zorgvuldige en herhaalde afweging van de voor- en nadelen daarvan tot stand is gekomen.
3.6.2
Deze klacht slaagt eveneens. Toepassing van een objectieve verjaringstermijn kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Gelet op de belangen die een dergelijke termijn beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal van onaanvaardbaarheid als in art. 6:2 lid 2 BW bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. De vraag of toepassing van een objectieve verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dient te worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval (vgl. HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635, NJ 2000/430). Gelet op dit laatste kan de enkele door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat het huidige stelsel van verjaring betrekkelijk kort geleden, na zorgvuldige en herhaalde afweging van de voor- en nadelen daarvan tot stand is gekomen, zijn verwerping van het betoog dat de redelijkheid en billijkheid aan een beroep op verjaring in de weg staan, niet dragen.
3.6.3
De overige klachten van onderdeel 2 behoeven geen behandeling.