In dit geding vordert de curator op grond van art. 203 Fw de veroordeling van Seacastle om aan de boedel € 298.222,24 te betalen (zijnde het in euro’s omgerekende bedrag van US$ 472.592,79). De rechtbank heeft de vordering toegewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.
Op de vordering van de curator is naar Nederlands internationaal privaatrecht Nederlands recht van toepassing omdat het faillissement van EWL in Nederland is uitgesproken. Op grond van art. 4 van Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures (hierna: IVO) worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het Nederlandse recht. Dat de verordening slechts regels geeft voor de Europese Unie – en dus niet ook voor de Verenigde Staten van Amerika – doet aan de gelding van het Nederlandse recht in deze zaak niet af. (rov. 4)
Ingevolge art. 20 Fw omvat het faillissement van een schuldenaar diens gehele vermogen. Het faillissement strekt zich ook uit tot goederen van de schuldenaar die zich niet in Nederland bevinden. Art. 203 Fw onderkent de mogelijkheid dat een buitenlands rechtsstelsel toelaat dat een schuldeiser zich verhaalt op aldaar aanwezige goederen van de schuldenaar die – naar Nederlands recht – tot de failliete boedel behoren. Indien daarvan sprake is, zal de schuldeiser het door hem verhaalde aan de boedel moeten vergoeden. (rov. 5)
Het hof heeft vervolgens overwogen:
“6. (…) artikel 203 F kent als uitzondering op de vergoedingsplicht van een schuldeiser het geval dat de goederen, waarop hij zich verhaald heeft, “bij voorrang aan hem zijn verbonden”. Seacastle voert aan dat dit vanwege het RBA het geval was, waarbij zij zich tevens op het standpunt stelt dat Amerikaans recht (mede) van toepassing is op de vraag of inderdaad van voorrang sprake is.
Het hof overweegt als volgt.
Het faillissement van EWL moet, nu het in Nederland is uitgesproken, naar Nederlandse rechtsregels worden afgewikkeld. Deze bij het van kracht worden van de IVO al geldende regel is gecodificeerd in artikel 4 van deze verordening. Het voorgaande brengt mee dat, zoals trouwens in artikel 4 lid 2 aanhef en onder i IVO uitdrukkelijk is bepaald, de vraag of van voorrang sprake is naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld.
“Voorrang” kan, naar blijkt uit artikel 3:278 BW, voortvloeien uit een zakelijk zekerheidsrecht, zoals pand of hypotheek of op grond van andere specifiek in de wet genoemde gevallen, waaronder de (wettelijke) voorrechten.
Het hof constateert dat het RBA een beslagmaatregel is en dat zodanige maatregel naar Nederlands recht geen voorrang schept. Het beslag roept immers volgens dit recht geen zakelijk recht in het leven, noch schept het een ander specifiek in de wet geregelde voorrang of voorrecht.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de in artikel 203 omschreven uitzondering, waarop Seacastle zich beroept, in deze zaak niet aanwezig is.
Het hof tekent hierbij nog aan dat Seacastle weliswaar aanvoert dat het RBA naar Amerikaans recht een “priority” in het leven roept, maar dat uit haar stellingen niet blijkt dat deze priority de vorm en/of inhoud heeft van een zakelijk zekerheidsrecht als pand of hypotheek. Daarom kan van de door haar bepleite (analoge) toepassing van artikel 5 IVO – die het verhaal van Seacastle ongemoeid zou laten – geen sprake zijn.”
3.3.2
Op de vordering van de curator is Nederlands recht van toepassing, zoals ook door het hof in rov. 4, in cassatie terecht niet bestreden, is geoordeeld.
3.3.3
Ingevolge art. 203 Fw dienen schuldeisers die na de faillietverklaring hun vordering geheel of gedeeltelijk afzonderlijk verhaald hebben op zich in het buitenland bevindende, aan hen niet bij voorrang verbonden, goederen van de in Nederland gefailleerde schuldenaar, het aldus verhaalde aan de boedel te vergoeden. Blijkens de parlementaire geschiedenis, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.3, is de rechtsgrond van de in art. 203 Fw bedoelde vergoedingsplicht gelegen in de omstandigheid dat de schuldeiser die zich verhaalt op in het buitenland gelegen goederen van de gefailleerde, inbreuk maakt op het uitgangspunt van gelijkheid van schuldeisers (art. 3:277 lid 1 BW).
3.3.4
In het onderhavige geding staat de vraag centraal of van voorrang als bedoeld in art. 203 Fw sprake is indien de schuldeiser zich beroept op een voorrangsrecht naar buitenlands recht. Voor de beantwoording van deze vraag moet, gelet op doel en strekking van art. 203 Fw, worden beoordeeld of dat recht naar dat buitenlandse recht een voorrangspositie oplevert en de aan dat recht te ontlenen voorrangspositie naar inhoud of strekking kan worden gelijkgesteld met een Nederlands voorrangsrecht (vgl. HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4933, NJ 2002/241).
De onderdelen 1 en 3 berusten op een ander uitgangspunt en falen dus.