BOPZ. Voorlopige machtiging tot het doen voortduren verblijf verstandelijk gehandicapte in psychiatrisch ziekenhuis. Geneeskundig onderzoek verricht door arts voor verstandelijk gehandicapten (AVG), geen psychiater in de zin van art. 1 Wet Bopz. Wetsvoorstel (inmiddels wet, zij het nog niet in werking getreden en zonder terugwerkende kracht) waarin AVG voor de toepassing Wet Bopz wordt gelijkgesteld met psychiater, voor zover het verstandelijk gehandicapte betreft. Anticipatie? Grondrecht dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet voorzien (vgl. HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2028, NJ 2012/420).
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ZEELAND-WEST-BRABANT, zetelende te Breda,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.M. van Asperen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1 Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/02/267888/FA RK 13/4479 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 augustus 2013.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
3 Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Betrokkene is op 11 juli 2013 krachtens een beschikking van de burgemeester van de gemeente Tilburg tot inbewaringstelling opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in art. 1 lid 1, onder h, Wet Bopz. Bij beschikking van 15 juli 2013 is door de rechtbank Zeeland-West-Brabant machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling.
(ii) Op 5 augustus 2013 heeft de officier van justitie een verzoek ingediend tot het verkrijgen van een voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis. Bij het verzoek was onder meer een verklaring gevoegd, op 31 juli 2013 opgesteld en ondertekend door de geneesheer-directeur van de instelling, de arts voor verstandelijk gehandicapten (verder: AVG) [betrokkene 1]. Zij is niet tevens psychiater in de zin van art. 1 lid 1, onder j, Wet Bopz.
3.2.1
Namens betrokkene is, onder verwijzing naar HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2028, NJ 2012/420, aangevoerd dat het verzoek niet-ontvankelijk is, omdat, anders dan de Wet Bopz eist, de geneeskundige verklaring niet is opgesteld door een onafhankelijk psychiater.
3.2.2
De rechtbank heeft dat verweer verworpen op de grond dat, gezien de in de geneeskundige verklaring opgenomen diagnose en de ter zitting gegeven toelichting, de problematiek van betrokkene niet zozeer de algemene psychiatrie betreft, maar met name het terrein waarop een AVG bij uitstek deskundig is. De rechtbank beriep zich mede op het wetsvoorstel “Wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Zorgverzekeringswet en de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet teneinde daarin enkele verbeteringen aan te brengen, alsmede technische reparaties in diverse wetten (Veegwet VWS 2012)” (Kamerstukken II 33 507). Blijkens art. XV onder A van dat wetsvoorstel wordt art. 1 Wet Bopz gewijzigd in die zin dat daaraan een zesde lid wordt toegevoegd, waarin voor de toepassing van de Wet Bopz een AVG wordt gelijkgesteld met een psychiater voor zover het betreft de opname of het verblijf van een verstandelijk gehandicapte.
3.3.1
Het middel klaagt dat onder de thans geldende wetgeving slechts een psychiater bevoegd is om de vereiste geneeskundige verklaring af te geven en dat de rechtbank, mede gelet op het bepaalde in art. 5 lid 1, aanhef en onder e, van het EVRM, ten onrechte op voormeld wetsvoorstel heeft geanticipeerd.
3.3.2
Het door de rechtbank aangehaalde wetsvoorstel is inmiddels wet geworden (Wet van 4 december 2013, Stb. 560). De wet zal op een nader te bepalen tijdstip in werking treden.
Het is een grondrecht dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet voorzien (vgl. de hiervoor in 3.2.1 genoemde beschikking). In het licht hiervan is de omstandigheid dat na inwerkingtreding van de wet een AVG bevoegd zal zijn de voor gedwongen opneming van een verstandelijk gehandicapt persoon vereiste verklaring af te geven, onvoldoende om te oordelen dat een AVG daartoe ook voor de inwerkingtreding van de wet bevoegd was. Daarbij is mede van belang dat in de onderhavige wet aan de hier bedoelde wijziging van art. 1 Wet Bopz geen terugwerkende kracht is verleend. Het middel slaagt dus.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 augustus 2013;
verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op 7 februari 2014.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: