De klacht faalt. Zoals de Hoge Raad in de eerste volzin van rov. 3.4.1 van zijn arrest van 11 juli 2008 in deze zaak heeft overwogen, kwam onderdeel IIA van het toenmalige cassatiemiddel op tegen de afwijzing van de door [eiser] gevorderde compensatoire rente “over de periode tussen 7 december 1990 en 9 juni 2000”. De aldus in dat onderdeel door de Hoge Raad gelezen beperking van de rechtsstrijd betreffende de periode waarover de compensatoire rente moet worden berekend (een beperking van die periode tot uiterlijk 9 juni 2000), berustte op uitleg van de gedingstukken, waaronder – naast de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.7 opgenomen tekst van dat onderdeel II – de volgende passage uit de schriftelijke toelichting op genoemd onderdeel:
“Voorop mag staan de ruiterlijke erkenning dat de door onderdeel II bestreken materie vooral is voortgevloeid uit het verzuim van (de advocaat van) [eiser] om in de dagvaarding d.d. 7 december 1990 waarmee de ‘hoofdzaak’ is ingeleid, reeds dadelijk de wettelijke rente over de koopprijs-schade te vorderen.
(…)
Aannemelijk is namelijk dat, indien zulks wél was gebeurd, en de periode van mei 1985 (storting koopprijs) tot december 1990 – net als in ’s Hofs arrest – alsnog door ‘compensatoire rente’ was gedekt, voor [eiser] minder behoefte zou hebben bestaan om ook voor de periode van december 1990 tot juni 2000 compensatoire rente bij wijze van schadevergoeding te vorderen. Onderdeel II betoogt evenwel dat bovenbedoeld ‘verzuim’ onder het – in casu nog toepasselijke – oude renterecht niet aan zo’n ‘herstel’-vordering van compensatoire rente in de weg behoeft te staan.”
Hieruit valt af te leiden dat het onderdeel alleen betrekking had op de periode van december 1990 tot juni 2000, en dat in cassatie geen bezwaar (meer) bestond tegen toekenning van wettelijke in plaats van compensatoire rente over de periode vanaf 9 juni 2000.
Het gerechtshof Arnhem heeft daarom in rov. 2.11 terecht geoordeeld dat het, gelet op voornoemd arrest van de Hoge Raad, had te onderzoeken of [eiser] ook aanspraak heeft op compensatoire rente over de periode van 7 december 1990 tot 9 juni 2000.