Bopz. Voorlopige machtiging tot opname en verblijf in psychiatrisch ziekenhuis; art. 2 en 5 Wet Bopz. Geneeskundige verklaring; vereiste dat uit geneeskundige verklaring blijkt dat psychiater betrokkene persoonlijk onderzoekt (vgl. HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3450, NJ 2003/484).
VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. W. Römelingh,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1 Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak FA RK 14-2370 van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2014.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Rotterdam.
3 Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De officier van justitie heeft de rechtbank op 30 december 2013 verzocht op de voet van art. 2 Wet Bopz een voorlopige machtiging te verlenen tot opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen bij beschikking van 14 januari 2014.
(ii) In februari 2014 is betrokkene in bewaring gesteld (art. 20 Wet Bopz). Vervolgens is een machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling.
(iii) Op 20 maart 2014 heeft de officier van justitie de rechtbank opnieuw verzocht een voorlopige machtiging te verlenen. Bij dit verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, op 18 maart 2014 opgemaakt en ondertekend door de geneesheer-directeur. De verklaring houdt onder meer in dat het psychiatrisch onderzoek is verricht door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.
(iv) Op 9 april 2014 heeft de rechtbank het verzoek behandeld. Daarbij waren aanwezig betrokkene en zijn advocaat, een arts en twee ambulante behandelaren. De advocaat van betrokkene heeft onder meer aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op de grond dat de geneeskundige verklaring van 18 maart 2014 slechts berust op feiten die van anderen zijn overgenomen en een “exacte kopie” is van de geneeskundige verklaring van december 2013. Volgens de advocaat is betrokkene niet “gezien” door de psychiater voor het opstellen van de geneeskundige verklaring van 18 maart 2014.
3.2
De rechtbank heeft bij beschikking van 9 april 2014 de verzochte machtiging verleend. Zij heeft daartoe onder meer overwogen dat “de geneeskundige verklaring voldoet aan alle eisen, het enkele feit dat de weergegeven feiten en gedragingen zijn vernomen van andere informanten (…) doet hier niets aan af.”
3.3.1
Middel 1, dat opkomt tegen deze overweging van de rechtbank, klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat de psychiater gehouden was betrokkene persoonlijk te onderzoeken.
De klacht is gegrond.
Ingevolge art. 5 lid 1 Wet Bopz moet de officier van justitie bij het indienen van een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging een verklaring overleggen van een psychiater die de betrokkene kort tevoren heeft onderzocht. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de psychiater de betrokkene persoonlijk te onderzoeken, dat wil zeggen dat hij de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert. Uit zijn verklaring dient te blijken dat aan deze eis is voldaan (vgl. HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3450, NJ 2003/484).
3.3.2
Uit de geneeskundige verklaring van 18 maart 2014 blijkt niet dat met het oog op de te verlenen machtiging kort tevoren persoonlijk contact heeft plaatsgevonden tussen de psychiater en betrokkene. Het oordeel van de rechtbank dat de geneeskundige verklaring aan alle eisen voldoet, geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Dit brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dat de overige klachten geen behandeling behoeven.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2014;
verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op 17 oktober 2014.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: