In dit geding vordert Liander van KWS op de voet van art. 6:162 BW vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de beschadiging van de kabel. Zij legt aan die vordering ten grondslag – kort gezegd – dat KWS haar jegens Liander bestaande zorgplicht heeft geschonden door zich er niet van te vergewissen waar zich ondergrondse kabels bevonden en onvoldoende erop toe te zien dat [A] met de aanwezigheid van kabels rekening hield.
De rechtbank heeft het beroep dat KWS heeft gedaan op de verjaring als bedoeld in art. 8:1793 BW gehonoreerd en de vordering afgewezen. In hoger beroep heeft Liander de grondslag van haar vordering verruimd, maar die uitbreiding speelt in cassatie geen rol.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft allereerst overwogen dat een ponton een binnenschip in de zin van art. 8:1000 BW is, zodat, gelet op art. 8:1002 BW (dat de voorschriften van afdeling 1 van titel 11 van Boek 8 BW van toepassing verklaart indien schade door een binnenschip i s veroorzaakt zonder dat sprake is van een aanvaring), ingevolge art. 8:1793 BW een buitencontractuele rechtsvordering tot vergoeding van schade door een voorval als bedoeld in afdeling 1 van titel 11 verjaart door verloop van twee jaar na de dag van dat voorval (rov. 3.2). Vervolgens overwoog het hof:
“3.3 Het hof merkt het veroorzaken van schade aan de kabel, door het heien van te lange beschoeiingspalen vanaf een ponton, aan als schadevaring in de zin van artikel 8:1002 BW. De schade is immers veroorzaakt met gebruikmaking van een binnenschip. De directe oorzaak van de daadwerkelijke schadeveroorzaking is aan boord van het binnenschip gelegen. Daaraan doet niet af dat de voorbereidende werkzaamheden voor de activiteiten die tot schade hebben geleid mogelijk elders plaatsvonden. Vanaf het schip is immers geheid met de (te) lange beschoeiingspalen. Dit handelen staat niet in zodanig ver verband met het gebruik van het binnenschip bij de schadeveroorzaking, dat niet meer van een feitelijk gebruik van het schip bij de schadetoebrenging kan worden gesproken, maar de aanwezigheid van een schip ten tijde van de schadeveroorzaking als een toevallige omstandigheid moet worden aangemerkt. Of het heien van de beschoeiingspalen ter plaatse waar dat schade heeft veroorzaakt ook had kunnen geschieden vanaf de wal is daarbij irrelevant. [A] heeft om hem moverende reden ervoor gekozen om het werk uit te voeren vanaf een ponton. Welke reden daarvoor bestond, laat staan of daartoe een noodzaak was, acht het hof voor de toepassing van de bepalingen met betrekking tot schadevaring niet van belang. Het hof overweegt hierbij nog dat het bij schade- en aanvaring gaat om een buitencontractuele rechtsverhouding die in potentie leidt tot bijzondere aansprakelijkheidsregels en verhaalsmogelijkheden en overweegt voorts dat de rechtszekerheid, welk instituut de verjaring (mede) beoogt te dienen, in het geding is, zodat partijen gebaat zijn bij een zo feitelijk mogelijk toe te passen criterium, waarbij overigens in extreme gevallen een beroep op de korte verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn.